Overdenking op Paasmorgen 21 april-Carel van der Meij

Overdenking op 21 april 2019 – Paasmorgen
Lezing: Johannes 20: 1-18
Gemeente van Jezus Christus,
Stel dat u plotseling oog in oog met een engel zou staan – en die engel zou u nog wat te vertellen hebben ook. Zou uw leven daardoor veranderen? Laat ik de vraag nog een beetje aanscherpen. U bent verdrietig, en u bent op zoek naar een begaanbare weg in uw leven. Dan staat u opeens oog in oog met twee figuren in witte kleren – onmiskenbaar engelen. En ze vragen u waarom u verdrietig bent. Zou dat een troost voor u zijn? Hebt u dan gevonden waar u naar op zoek bent?
Als u die vraag met ‘ja’ beantwoordt bent u blijkbaar een stuk vromer dan Maria van Magdala. Want voor haar betekent het niets, zo lijkt het. Ze ziet twee engelen, onmiskenbaar, levensgroot, maar ze ziet het niet zitten, met die engelen. Zien, en geloven dat vertrouwen is, dat sluit niet naadloos op elkaar aan. We hebben het gezegde ‘eerst zien en dan geloven’ wel aan de Bijbel ontleend. Het komt uit hetzelfde Evangelie waar Marja net uit voorgelezen heeft. We horen het uit de mond van Thomas, een leerling van Jezus. Maar het Evangelie zet geen streep onder dat gezegde. Het zet er een kras door heen. Geloven doe je in wat je niet ziet. ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’, horen we Jezus zeggen aan het eind van hoofdstuk 20.
Is wat we zien met onze ogen de voedingsbron van ons geloof? Voor Maria van Magdala in ieder geval niet. Door wat ze ziet zinkt het hart haar in de schoenen. Ze gaat naar het graf en ze ziet dat de zware steen, die de toegang tot het graf afsluit, is weggenomen. Wat ze ziet is voor haar een bron van wanhoop en verdriet. Ze hoeft verder niets meer te zien. Want ze ziet het als een vervolg op alle rampspoed die zich de afgelopen dagen voor haar ogen heeft afgespeeld. Ze zet het op een lopen en vertelt twee leerlingen van Jezus – ja, wat vertelt ze eigenlijk?
Ze vertelt niet wat ze gezien heeft. Ze heeft alleen gezien dat de sluitsteen van het graf is weggenomen. Maar ze vertelt dat ‘ze’ de Heer hebben weggenomen en dat ‘wij’ niet weten waar ze Hem gelegd hebben. Dat heeft ze niet gezien, maar wat ze wel gezien heeft is blijkbaar voldoende om daar een heel verhaal aan vast te knopen. Een verhaal over grafschending, waarbij duidelijk is wie de schuldigen zijn: ‘ze’ hebben de Heer weggenomen. Daar zal ze de Joodse leiders mee bedoelen, die ze verantwoordelijk acht voor wat Jezus is aangedaan.
Dat zou je kunnen opvatten als een vorm van nepnieuws. Daar hebben we nog steeds last van. Mensen zien iets, en trekken meteen hun conclusies. Het verhaal wordt er meestal niet mooier van. Afgelopen week werden we opgeschrikt door de berichten over de brand in de Notre Dame, de kathedraal die als een icoon van christelijke cultuur al 850 jaar midden in de Franse hoofdstad Parijs staat. Toen ik een foto zag van het verwoeste interieur leek het voor mij alsof ik in een open graf keek. Al lichtte het kruis boven het altaar nog altijd op. En de eerste toezeggingen van steun voor de wederopbouw waren nog maar nauwelijks binnen, of mensen hadden hun praatje al weer klaar: ‘ze’ – daar heb je ze weer – ‘ze’ gaven die steun alleen omdat het grootste deel van dat bedrag aftrekbaar is voor de belasting. In feite kwamen de bedrijven, die steun beloofden, op die manier alleen aan lekker goedkope reclame.
Het lijkt wel of wat onze ogen zien eerder een bron van cynisme dan van hoop is. Of de bron van een machteloos gevoel, dat in ons opkomt. Dat is wat, zo op het oog, de twee leerlingen overkomt die na het bericht van Maria van Magdala naar het graf toe rennen, de een nog harder dan de ander. Ze staan in het graf en zien de linnen doeken en de doek die Jezus’ gezicht bedekt had. Ze staan in een leeg graf met een leeg gevoel. ‘Ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan’, vertelt Johannes. Maar dat is typisch zo’n zin die achteraf opgeschreven wordt. Verhalen in de Bijbel helpen ons om beter te kijken en te begrijpen wat er om ons heen, in ons leven gebeurt. Maar daar zijn deze twee leerlingen van Jezus nog niet aan toe. Ze gingen terug naar huis. Dat klinkt vrij moedeloos. Zo hoor ik ook wel eens mensen praten als ze te lang naar het NOS journaal gekeken hebben. En vergeten dat er meer in ons leven gebeurt dan wat onze ogen op het beeldscherm voorbij zien komen.
Wat gebeurt er dan meer? Dat vertelt Johannes. En als je goed luistert hoor je hoe bijzonder het gewone is. Ons leven wordt anders, wordt bijzonder, door datgene wat we als gewoon zijn gaan beschouwen. Dat zien we wel eens over het hoofd. We kijken uit naar de sensatie. Stel je voor dat er opeens twee engelen de kerk binnenvliegen om ons het Evangelie te vertellen. Dan zou de kerk de komende tijd te klein zijn. Camera’s voor de deur. De dominee wordt uitgenodigd bij Jeroen Pauw. Ik zie het al voor me. Maar vergeet het maar. Niet alleen omdat sensatie aan slijtage onderhevig is. Het levert niet meer op dan een tijdelijk effect, dat snel verdwijnt achter nog weer nieuwe bijzondere berichten. Maar vooral omdat het Evangelie ons een andere weg wijst.
Die twee engelen zijn niet meer dan figuranten in het verhaal over de opstanding, zoals Johannes het ons vertelt. Ze veranderen het leven van Maria niet. Ze kan alleen haar verdrietige verhaal kwijt aan de engelen: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem naartoe gebracht hebben’. Toch is dat het begin van iets nieuws. Dat ze haar verdriet kan uiten brengt haar ertoe ook een andere kant uit te kijken. Ze kijkt niet langer alleen in het lege graf. Ze kijkt om. En ze ziet iemand staan. Een heel gewone man. Maria denkt dat het de tuinman is. Maar die heel gewone man doet iets heel bijzonders. Hij vraagt naar haar verdriet. Hij vraagt wat ze zoekt in haar leven. En bovenal: hij noemt haar naam. Hij noemt haar naam op zo’n bijzondere manier dat het leven van Maria anders wordt.
‘Ze draaide zich om’, horen we. Maar dat betekent meer. Het betekent dat er een ommekeer in haar leven is. Ze hoort haar naam uitspreken op zo’n manier dat geloof, hoop en liefde weer terugkeren in haar leven. Die heel gewone man spreekt haar naam uit met liefde. En in één klap is haar geloof weer tot leven gewekt. Ze herkent in die stem de liefde die tot haar spreekt. Ze herkent in de stem van de liefde die Ene, van wie ze dacht dat Hij dood was. Maar Hij is niet dood. Hij leeft. ‘Rabboeni’, zegt Maria. ‘De Heer is waarlijk opgestaan’, zeggen wij haar na.
Natuurlijk klinken er dan stemmen die melden dat dat eerst maar eens uitgezocht moet worden. Heb je het gezien? Zijn er anderen die het gezien hebben? Bestaan er beelden van? Kun je het bewijzen? Nee, dat kan ik niet. En daar heb ik ook geen behoefte aan. ‘Houd me niet vast’, zegt Jezus. Blijf er met je vingers van af, van het mysterie dat de stem van de liefde blijft klinken. Het mysterie dat de dood geen vat blijkt te hebben op het leven van Jezus. Het mysterie dat God zich laat kennen in een mens als wij. Een gewone mens, die de naam van Maria uitspreekt op zo’n manier dat ze daarin de goddelijke liefde herkent die haar leven draagt en zegent. Een gewone mens, die onze naam uitspreekt op zo’n manier dat we mogen vertrouwen dat ons leven gedragen wordt door diezelfde onverwoestbare kracht van liefde die we hebben leren kennen door het leven van Jezus. Met Pasen vieren we dat de dood geen vat krijgt op die liefde. Dat de dood geen vat krijgt op dat leven. Zo schijnt het licht van Pasen over ons leven. En in dat licht leren we op een heel andere manier naar het leven kijken. We zien hoe bijzonder gewone, kleine dingen kunnen zijn. We geloven niet langer alleen wat we zien. We zien veel meer in het leven omdat we geloven in de kracht van de liefde van Jezus. Die niet verloren is gegaan, maar die is opgestaan. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.