Doen en leven-11aug-CWvdM

Overdenking op 11 augustus 2019
Lezingen: Deuteronomium 6: 4-9 en Lukas 10: 25-37 (hoofdlezing)
Thema: Doen en leven

Gemeente van Jezus Christus,

In het eerste vers van het evangeliegedeelte, dat Erik heeft voorgelezen, staat volgens mij een behoorlijke tegenstrijdigheid. Al haal je dat er in de vertaling niet zo één, twee drie uit. Er lijkt alleen een duidelijke, zij het moeilijke vraag te klinken. Wat moet ik doen, vraagt een wetgeleerde aan Jezus, om deel te krijgen aan het eeuwige leven? We zijn er natuurlijk niet zomaar achter wat die wetgeleerde daarmee bedoelt: eeuwig leven. Misschien bedoelt hij: hoe kom ik in de hemel – maar dan stellen we alles dat met eeuwig leven te maken heeft uit tot na de dood. Ook in ons leven hier, vandaag, kunnen we dingen ervaren die ons leven eeuwigheidswaarde geven, geloof ik. Iedere ervaring die ons dichter bij God brengt kan ons leven een diepere zin en betekenis geven waar de tand van de tijd niet aan kan knagen. Maar ja, dat gaat vast niet vanzelf. Wat moet je allemaal doen om daar deel aan te krijgen?
Als je het zo leest – wat voor de hand ligt, omdat het zo vertaald wordt – dan lijkt het of het allemaal een kwestie van verdienen is. Je moet er van alles voor doen. Veel bijbellezen. Iedere dag mediteren. Een lange lijst met goede doelen steunen. Geen kerkdienst overslaan. Ik noem maar wat zaken uit het dikke boek met religieuze plichten. De lijst is nog lang niet compleet, natuurlijk. Daarom stelt die wetgeleerde deze vraag ook aan Jezus. Het goede antwoord is niet te geven. De lijst is te lang. En daar kun je een ander dan over aanvallen. Dan krijg je het soort gesprekken waar kerkscheuringen door ontstaan zijn. Dat is in ieder geval de bedoeling van de wetgeleerde. Hij wil Jezus met zijn vraag op de proef stellen, vertelt Lukas.
Maar in zijn vraag zit, zoals ik al zei, een tegenstrijdigheid, die in de vertaling verloren dreigt te gaan. De wetgeleerde vraagt niet hoe hij deel kan krijgen aan het eeuwige leven. Hij vraagt hoe hij er erfgenaam van kan worden. En erven is heel iets anders dan verwerven, lijkt me. Erven heeft met verdienen niets te maken. Mensen erven van een ander omdat er een liefdeband is. Je erft van je ouders, of van familie. Of omdat iemand erg op je gesteld is. Als iemand onterfd wordt is het in de regel foute boel. Dan is de relatie verstoord. In feite hoor je in dit eerste vers al waar het om gaat. Het gaat om de relatie die je met elkaar hebt. Tussen God en mensen gaat het niet in de eerste plaats om wat je doet, om het afvinken van acties op een lijst met verdienstelijke werken. Tussen God en mensen gaat het in de eerste plaats om de vraag of er liefde is. Tussen God en mensen is er geen sprake van een zakelijke transactie. Het gaat om een verbond van liefde.
Zo laat de Bijbel zich lezen, geloof ik. Dat kan niet vaak genoeg gezegd worden vanaf een kansel, naar mijn idee. Als tegenwicht tegen de angst en de gewetensdwang die door de eeuwen heen ook vaak vanaf kansels in mensenharten gezaaid is. Het gaat erom dat we de Bijbel lezen als het boek van de liefde tussen God en mensen. Dat moeten we ons bewust zijn. Daarom stelt Jezus de wetgeleerde ook een tegenvraag. Wat staat er in de wet geschreven, vraagt Jezus. En er komt een nog belangrijker vraag achteraan. En dan moeten we de vertaling weer een keer loslaten. Jezus vraagt niet: Wát lees je? Dan zou hij zijn vraag alleen maar herhalen. Jezus vraagt: Hóé lees je? Hoe begrijp je wat daar staat. Hoe pas je dat toe in je leven?
De wetgeleerde laat zien dat hij weet wát er staat. Hij kan de woorden uit het hoofd opzeggen. Maar dat zegt nog weinig over de vraag hoe hij het leest. Dat doet me denken aan een verhaal van de cabaretier Fons Jansen. Die in één van z’n programma’s vertelde hoe de kloosterzusters, die les gaven op de school waar hij als kind zat, in verlegenheid gebracht werden. De zusters hadden de kinderen geleerd wat de werken van barmhartigheid waren. Eén van die werken was het bevrijden van de gevangenen. En de leerlingen brachten dat in de praktijk. Waarop de politie op school verscheen. En de zusters zeiden geschrokken: we hebben niet gezegd dat ze het moesten doen, we hebben alleen gezegd dat ze het uit hun hoofd moesten leren. Hoe lees je? Lees je het zo dat je er wat mee doet? God liefhebben, met hart en ziel, met al je kracht en verstand, en je naaste liefhebben als jezelf – doet dat wat me je? Maakt dat je leven anders? Maakt dat een ander mens van je? En doe je er dan iets mee?
Doe dat en je zult leven, zegt Jezus. Maar de wetgeleerde was niet van plan om een richting voor zijn leven gewezen te krijgen. Hij wilde juist voor elkaar krijgen dat Jezus de richting kwijt raakte. Dus komt hij weer met een vraag. Een vraag die misschien wel nog moeilijker is. Als je je naaste moet liefhebben als jezelf – wie is dan mijn naaste?
Uit die vraag blijkt nogmaals dat de wetgeleerde vooral bezig is met de vraag wat hij moet doen. Voor wie moet ik me allemaal inzetten? Voor familie, voor buren? Voor mensen van de kerk? Voor mensen die hun eten bij de voedselbank halen? Voor arme mensen dichtbij? Of voor arme mensen ver weg? Van die laatste groep zijn er nog veel meer. Hoeveel acceptgirokaarten moet een mens invullen? Wanneer is het genoeg? Wanneer je het geloof op die manier benadert is het nooit genoeg. Dan is er geen afdoende antwoord op de vraag: wie is mijn naaste?
Maar het antwoord van Jezus gaat voorbij aan alle kuilen die hij probeert te graven. Het antwoord van Jezus opent de ware dimensie van het geloof in God. Jezus maakt geen lijstjes met religieuze verplichtingen. Jezus vertelt een verhaal. Een gelijkenis. Een gelijkenis die ons laat zien hoe bevrijdend en grensoverschrijdend liefde kan zijn. Een gelijkenis die ons laat zien hoe liefde het leven eeuwigheidswaarde kan geven.
Een man is op weg van Jeruzalem naar Jericho door rovers kaalgeplukt en halfdood geslagen. Hij ligt langs de kant van de weg dood te gaan. Er en komen mensen langs van wie je zou verwachten dat ze hem als naaste zouden zien, en helpen. Het zijn volksgenoten. Kinderen van Abraham, net als hij. En ook nog eens mensen met een religieuze functie. Een priester en een leviet. Ze weten wat er in de wet staat. Maar ze doen er niets mee. Er zijn dingen in hun leven die zwaarder wegen dan liefde. Angst, afkeer, eigenliefde. Het kan van alles zijn. Maar er is geen liefde. Er is geen band die sterker is dan de dood. Dus lopen ze voorbij aan de mens die dood ligt te gaan.
En dan komt er iemand voorbij met wie helemaal geen band lijkt te zijn. Een Samaritaanse man. Joden en Samaritanen – ze konden elkaar niet luchten of zien. Als Joodse mensen vanuit Galilea op weg gingen naar Jeruzalem, om daar het Paasfeest te vieren, maakten ze liever een omweg door het land aan de overkant van de Jordaan dan dat ze de kortste weg namen, dwars door het land van de Samaritanen. Alles wat mensen vandaag de dag soms aan lelijks over moslims weten te zeggen werd in die tijd door Joden over Samaritanen gezegd. En andersom, natuurlijk. Dus dat Jezus in zijn gelijkenis een Samaritaan ten tonele voert, dat is in Joodse oren een regelrechte provocatie.
Maar des te duidelijker maakt Jezus op die manier waar het in het leven echt om gaat. Wat ons leven eeuwigheidswaarde geeft. Het gaat er niet om wat je bent als mens. Jood of Samaritaan, christen of moslim, zwart of blank, hetero of homo rijk of arm – het gaat er om of je liefde voor een ander voelt. En dat is wat we in de gelijkenis, die Jezus vertelt, horen. De Samaritaanse man ziet iemand liggen die slachtoffer is. En het raakt hem van binnen. Hij voelt met hem mee. Hij heeft medelijden. En hij zorgt voor hem. Het draait in deze gelijkenis om liefde. Liefde die alle grenzen doorbreekt. Liefde die nergens voor terugdeinst. Liefde die mensen verbindt met elkaar. En met God – maar dat ervaren we vaak pas achteraf, als we zien hoe rijk liefde ons leven heeft gemaakt.
Nog iets anders leert deze gelijkenis ons. Wie is mijn naaste? We denken dan altijd maar dat we moeten uitkijken naar iemand die ons nodig heeft. Iemand die arm is, die honger heeft, die verdriet heeft. Maar let op hoe het evangeliegedeelte eindigt. Jezus vraagt de wetgeleerde: wie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers? Het woord Samaritaan kan de wetgeleerde niet uit z’n mond krijgen. De man die medelijden met hem heeft getoond, zegt hij. Wie is de naaste? Niet degene die hulp heeft gekregen, maar degene die hulp heeft geboden. Het Evangelie leert ons dat de liefde wederkerig is. Het gaat niet alleen om liefde die wij geven. Het gaat ook om liefde die wij durven ontvangen. Het klinkt natuurlijk heel stoer om te zeggen: Ik heb geen ander nodig. Mijn vraag zou dan zijn: wat kom je dan zoeken in de kerk? Wij hebben juist om te beginnen een ander nodig. Wij hebben om te beginnen dé Ander nodig. Wij hebben God nodig, die ons in Jezus tegemoet komt en ons leven vult met liefde. Liefde die wij aan elkaar mogen doorgeven. Met hart en ziel, met al onze kracht en al ons verstand. Ik hoop dat we het Evangelie zo verstaan. En dat we het doen en leven. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.