Vernieuwing-22dec-CWvdM

Overdenking op 22 december 2019 - Ontmoetingskerk Naaldwijk - Vierde Advent

Lezingen: 2 Koningen 22: 1-2. 11-13; 23: 1-3. 25 (hoofdlezing); Johannes 7: 18-24

Thema: Vernieuwing

 

Gemeente van Jezus Christus,

Er wordt wel gezegd dat religie meer en meer uit beeld raakt in onze samenleving en cultuur. Dat is voor mij nog maar de vraag. Als je om je heen kijkt zie je meer reli-gieuze verschijnselen om je heen dan je misschien zou denken. Je ziet het bij voor-beeld in de sport. Ik weet wel dat Feijenoord in het Westland meer aanhangers heeft dan Ajax, maar dat de spelers van die laatste voetbalclub ’godenzonen‘ genoemd worden geeft toch wel te denken. Er zijn mensen die wijzen op de symboliek die je in voetbalstadions ziet: vlaggen en liederen. De manier waarop spelers worden toege-juicht. Er zijn mensen die het voetbalstadion de moderne kathedraal noemen. Dat lijkt me wat overdreven, maar er zitten zeker religieuze kantjes aan de plek die sport in onze cultuur heeft.
Er is ook heel veel heilig geloof in onze cultuur. Er is bij voorbeeld het heilige geloof in de groei. Er is een wijdverbreid geloof dat we alleen kunnen voortbestaan wanneer onze economie groeit. Economen lijken soms wel op priesters die ons bezwerend voorhouden dat we met z’n allen ten onder gaan als het bruto nationaal product niet langer stijgt. Ze hebben het alleen maar over vermenigvuldigen, zelden over delen. We worden niet langer richting het altaar, maar richting de etalage gedreven. Of, voor wie online aan het shoppen slaat: de tablet.
Er is ook groot vertrouwen in onze samenleving. Dat wil zeggen: een groot vertrou-wen op macht. We vertrouwen dat het goed komt wanneer we maar zorgen dat we sterker zijn dan de ander. Die macht wordt gebruikt om het gelijk van de eigen groep af te dwingen. Dat betekent dat anderen worden gewantrouwd. Er is heel weinig ver-trouwen in de samenleving in die zin dat we elkaar nog durven te vertrouwen. Van de religie, die we naar mijn idee om ons heen zien, wordt het leven dan ook niet veel be-ter. Integendeel. Het drijft mensen uit elkaar en maakt ons wantrouwig en ongelukkig.
Beetje kort door de bocht wat ik allemaal zeg? Misschien, kunnen we het onder de koffie over hebben. Het doet me in ieder geval denken aan het onderscheid dat een Zwitserse theoloog ooit maakte. Die theoloog heette Karl Barth, en in de jaren zestig en zeventig was hij erg bekend. Zijn visie op geloof en kerk was gestempeld door wat er gebeurd is in de eerste helft van de twintigste eeuw in Europa. Hij zag wat er ge-beurde in met name Duitsland: een door en door religieuze natie waar binnen een halve eeuw twee keer de barbarij de overhand kreeg. Wat is religie dan nog waard? Niets, vond hij. Religie is een gevaar. Religie is een samenraapsel van opgefokte emo-ties die mensen op een dwaalspoor brengt richting een onmenselijke samenleving.
Daar stelde hij iets anders tegenover: geloof. Geloof is iets heel anders dan religie. Religie is franje, geloof is een diep doorleefde overtuiging die je manier van leven be-paald. Religie is een misbaksel van vrome poespas, door mensen gemaakt. Geloof is een manier van leven waarbij je je laat gezeggen: God heeft het eerste en het laatste woord. De Bijbel staat in dat geloof centraal.
Met die gedachten komen we als vanzelf terecht bij het verhaal over koning Josia, waar we vanmorgen naar luisteren. Eigenlijk zouden we heel hoofdstuk 22 en 23 moeten lezen om het verhaal recht te doen, maar dan wordt de koffie koud. Gelukkig horen we in het eerste vers dat Sjoukje gelezen heeft meteen al iets veelzeggends: Josia was acht jaar oud toen hij koning werd. Een klein kind wordt als een poppetje op de troon gezet temidden van een spel om de macht. In een land dat door en door verziekt is. Een land waar op elke heuvel een heiligdom was gebouwd maar waar te-gelijkertijd uitbuiting en corruptie welig tierden. De grootvader van Josia, Manasse, die maar liefst vijfenvijftig jaar geregeerd heeft in Jeruzalem, had zelfs een heiligdom laten bouwen waar kinderoffers werden gebracht om de gunst van de goden af te smeken. Josia’s vader, Amon, leek datzelfde spoor te gaan volgen. Maar hij kreeg niet veel tijd, want hij werd vermoord door een kliek op macht beluste hovelingen.
Dan komt er een beweging op in het volk van Jeruzalem. Ze zijn de machtsspelletjes aan het hof meer dan zat. De hofkliek wordt opzij geschoven en ze zetten Josia op de troon. Nog maar acht jaar oud. Wat moet een kind in het leven met zo'n geestelijke erfenis, zou je denken. Maar één van de moed gevende dingen in dit bijbelgedeelte is, vind ik, dat een mens er blijkbaar niet toe veroordeeld is om, oog in oog met de puin-hopen van het verleden, bij de pakken neer te gaan zitten. Integendeel. Josia wil weer opbouwen. Hij geeft bevel om de tempel, die zwaar in verval is, weer te repareren. Een groot karwei, dat hij andere mensen toevertrouwt. Ook dat is al bijzonder, vind ik. Dat iemand, die is opgegroeid in een klimaat van wantrouwen en angst, zo expliciet zijn vertrouwen in andere mensen durft uit te spreken.
En zijn vertrouwen wordt niet beschaamd. Al staat hem wel een grote schok te wach-ten. Want je bent er niet wanneer alleen de buitenkant gerestaureerd wordt. Ook de binnenkant van het leven moet onderhouden worden. Ook de binnenkant van ons le-ven kan zwaar in verval zijn. En hoe ernstig dat verval is hoort Josia wanneer hem de boekrol wordt voorgelezen met de tekst van de wet van God. Geen wetboek van strafrecht, maar de tekst die in het Hebreeuws 'tora' wordt genoemd. Letterlijk bete-kent dat zoiets als 'waar je van leren kunt', of 'wat je de weg wijst'.
Het zijn de woorden uit de boeken van Mozes. De boeken waarin het volk geopen-baard wordt hoe leven samenleven kan worden, hoe je kunt leven in vrijheid en tege-lijk verbonden kunt zijn met de ander. Daar was in Jeruzalem al heel lang niets meer van te merken geweest. De boekrol met de wet van God lag dik onder het stof. De mensen wisten nauwelijks meer dat die boekrol bestond. En wanneer Josia de woor-den uit die boekrol krijgt voorgelezen beseft hij hoe groot de puinhoop is in Jeruzalem. Dat niet alleen het gebouw van de tempel in verval is, maar dat de hele manier van leven zwaar vervallen is en om verbetering en vernieuwing schreeuwt.
Dat is in eerste instantie een schokkende ervaring. De koning scheurt zijn kleren. Dat is een teken van groot verdriet en rouw. Maar het blijft in de bijbel niet bij tranen van verdriet. Wie het verhaal van Josia verder leest ziet dat tranen van verdriet ook tra-nen van vreugde en dankbaarheid kunnen worden. Want Josia heeft niet alleen de puinhopen gezien. Hij ziet ook een nieuwe weg voor zich. Een weg die het hele volk kan gaan. In het vervolg lees je hoe Josia, samen met het volk, alle sporen van afgo-dendienst uit het land wegruimt. En hij doet dat niet op een gewelddadige manier. Maar op een zuiverende manier. Er komt een nieuwe mentaliteit in het land. Mensen leven vanuit een vernieuwd besef van verbondenheid. Verbondenheid met God en met elkaar.
Die ervaring wordt ons, geloof ik, meegedeeld in dit verhaal. Een ervaring waarin wij, wie weet, mee kunnen delen. Al ga ik u natuurlijk niet hier, vanaf deze kansel, even meedelen hoe dat zit, in uw leven. Dat moet het onderwerp zijn van het gesprek dat we met elkaar voeren, het gesprek over geloof en leven. Wat ik er hier over zeg is hooguit een aanzet voor dat gesprek. Het gesprek over wat ons kan schokken. Over de weg van verbondenheid die ons in het Woord van God wordt voorgehouden. En hoe ver weg dat staat van de vervreemding die in onze samenleving soms lijkt te heer-sen. De vervreemding van elkaar. De vervreemding van de natuur, die het leven draagt en die we met elkaar dreigen te vernietigen. De vervreemding die ontstaat door hebzucht, heerszucht en behoudzucht.
We moeten kritisch kijken naar wat we doen hier in de kerk. Belijden we met elkaar een diep doorleefde overtuiging, die doorwerkt in ons leven, of kwasten we ’s zondags alleen een laagje religieuze vernis bij dat over ons leven ligt? Dat is de kritiek die doorklinkt in het verhaal dat is voorgelezen uit het Evangelie naar Johannes. Jezus wijst de Joodse leiders er op dat de wet van Mozes voor hen niet meer is dan een lijst regeltjes, waar mensen zich aan moeten houden. Het gaat alleen om de buitenkant. Ze worden er geen andere, geen nieuwe mensen van. Want als er iemand door Jezus helemaal nieuw, helemaal gezond wordt gemaakt, staan ze op hun achterste benen. Want dat werd op de rustdag gedaan, op sabbat. De leer staat bij hen boven het le-ven. De menselijkheid gaat gebukt onder het dogma.
Ik ben blij dat we naar Kerst toe leven. Want wanneer we dat feest vieren dringt het licht door dat het duister van valse religie en onmenselijkheid doorbreekt. Het feest van Kerst laat zien dat het licht van de liefde onstuitbaar is. We mogen dat ieder jaar weer ontdekken. Zoals Josia het boek van Gods liefde ontdekte en het leven zuiverde. Zo zal de ontdekking van Gods liefde in het kind Jezus ons de ogen openen en ons leven in een zuiver licht plaatsen. Ik hoop dat we zo mogen toeleven naar het feest van Kerst. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.