Zalig of gelukkig?-1mar-CWvdM

Overdenking op 1 maart 2020 – Atriumviering Ontmoetingskerk
Lezingen: Jesaja 30: 19-21 en Mattheus 5: 1-12 (hoofdlezing)
Thema: zalig of gelukkig?

Gemeente van Jezus Christus,

De Bergrede. Onder die naam kennen we de lange toespraak van Jezus die de evangelist Mattheus doorgeeft in de hoofdstukken 5, 6 en 7 van zijn evangelie. De woorden van de Bergrede brengen veel inspiratie. Maar ze hebben door de eeuwen heen ook voor veel discussie gezorgd. Want hoe leg je die woorden van Jezus uit? Daar zijn meters boeken over geschreven, dus ik zal er zeker het laatste woord niet over zeggen. Maar ik probeer er wel iets over te zeggen. Met name over de verzen die net gelezen zijn, het begin van de Bergrede.
Die eerste verzen van hoofdstuk 5 hebben een aparte naam gekregen: de zaligsprekingen. Niet omdat Jezus ze zo genoemd heeft. Maar omdat vertalers en uitgevers die naam bedacht hebben en als kopje boven de tekst hebben gezet. Als een hulpmiddel voor ons lezers. Maar zo’n hulpmiddel kan ook een struikelblok worden. Want vertalen is altijd al een beetje uitleggen. En de uitleg van Bijbelwoorden verandert door de eeuwen heen. Daarom zien we in de Nieuwe Bijbelvertaling dat kopje met het woord zaligsprekingen opeens niet meer terug. Waarom niet? Omdat het Griekse woord dat in de oude vertaling met zalig werd vertaald in de nieuwe vertaling met gelukkig wordt vertaald. En gelukkigsprekingen klinkt niet zo goed.
In die twee woorden: zalig en gelukkig zit een probleem verborgen over de uitleg van de woorden van Jezus aan het begin van de Bergrede. Wanneer je in de vertaling het woord zalig gebruikt zit daar een duidelijke verwijzing in naar het leven ná dit leven. Immers, als iemand zalig wordt verklaard weet je ook zeker dat diegene al een tijd gestorven is. We zeggen over iemand die gestorven is: zaliger nagedachtenis. Zalig zijn mensen in het hiernamaals. Het koninkrijk van de hemel, een term die twee keer voorkomt in deze verzen, wijst dan op een eeuwig leven. Daar mag je deel aan hebben wanneer je op aarde een vredestichter bent, wanneer je nederig van hart bent. De troost die je beloofd wordt, de verzadiging van wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, het zien van God – het komt er pas van ná dit leven. Het is de grote beloning in de hemel waar in vers 12, het laatste vers uit het gedeelte dat gelezen is, over gesproken wordt.
Ik zou me kunnen voorstellen dat er tijden zijn waarin die uitleg sterk op de voorgrond staat. In tijden, bij voorbeeld, waarin er sprake was van grote en zware vervolgingen van christenen door de overheid van het Romeinse rijk. In de eerste eeuwen van het bestaan van de kerk zijn er een aantal van die golven van vervolging geweest. En ook tegenwoordig zijn er nog plekken op de wereld waar christenen hun leven niet zeker zijn. In bepaalde regio’s in Afrika, in Pakistan, in Noord Korea, in toenemende mate in China: daar is het leven voor christenen vaak letterlijk een tranendal. En wij kunnen hier niet veel meer doen dan voor hen bidden. Alleen soms kunnen we een medechristen helpen, zoals Asia Bibi, die vrouw uit Pakistan, die een paar jaar in de dodencel heeft doorgebracht, beschuldigd van godslastering, en die met veel hulp vorig jaar via Nederland de weg naar Canada heeft gevonden.
Maar toch zitten er ook haken en ogen aan wanneer we de woorden van Jezus uit het begin van de Bergrede alleen maar op die manier kunnen begrijpen. Heeft de boodschap van Jezus geen andere troost dan een eeuwig leven nà dit leven? Dan blijft er weinig te zingen over in de kerk, behalve het bekende liedje van Hanna Lam: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Een mooi liedje, om te troosten wie erg verdrietig zijn. Maar bieden de woorden van Jezus ook nog inspiratie voor het leven hier op aarde? Als het leven hier op aarde er nauwelijks toe zou doen, als het niet meer is dan een soort voorportaal van de hemel, waarom is Jezus ons leven hier op aarde dan komen delen?
Als je alles in dit leven laat verwijzen naar het hiernamaals dreigt het geloof iets van een karikatuur te krijgen. Ik moet denken aan een verhaal dat ik lang geleden hoorde van mijn leraar godsdienst op de middelbare school. Die was een paar jaar wijkpredikant geweest, maar dat werk paste hem niet zo goed. Hij vertelde over een kerkdienst waarbij hij aan het eind, bij de deur, iedereen een goede zondag wenste. Er kwam een gemeentelid op hem af, een mevrouw in een bontjas, die hem verwijtend aankeek en zei: ‘Dominee, u hebt veel te vrolijk gepreekt. U moet niet vergeten: de wereld is een tranendal’. En ze liep het kerkpad af waar een chauffeur de deur van een grote auto openhield waarin ze naar huis gereden werd. Of denk aan de afgebeulde huisvrouw die in de biechtstoel aan de pastoor vertelt dat haar man haar dagelijks in elkaar slaat. ‘Het zal je in het hiernamaals vergolden worden’, zegt de pastoor. Hebben we in de kerk geen andere troost?
Wel degelijk hebben we die. En in de nieuwe Bijbelvertaling hebben de vertalers geprobeerd dat duidelijk te maken door een ander woord te gebruiken: het woord gelukkig. De woorden van Jezus zetten ons leven in een ander licht. Niet alleen later, in een hiernamaals. Maar nu al. Alleen dreigt dan een ander misverstaan van Jezus’ woorden. Er zijn mensen die denken dat Jezus ons aan het begin van de Bergrede allerlei plichten oplegt. Dat Jezus ons vertelt wat er allemaal moet, willen we iets van geluk ervaren. Alsof je geluk moet verdienen. Door nederig van hart te zijn, vooral niet te vrolijk, zachtmoedig en vol verlangen naar rechtvaardigheid, noem het hele rijtje maar op. Dan ligt de lat behoorlijk hoog. Dan is geluk blijkbaar de beloning voor een vrome prestatie. Daar gaat weinig troost van uit, in mijn ogen. Dan legt geloven een zware last op de schouders van een mens.
Het is zaak om, als we de woorden van Jezus willen begrijpen, een hele andere ingang kiezen, denk ik. Laten we, om te beginnen, proberen te luisteren met Joodse oren. Want we moeten niet vergeten dat Jezus een Joodse man was, die leefde vanuit het Joodse geloof, die zich liet inspireren door de Joodse heilige schrift. En in de woorden van Jezus klinken de woorden door van die Joodse heilige geschriften, met name de boeken van de profeten en de boeken van Mozes. Het begin van Mattheus 5 legt meteen al een verband met de persoon van Mozes. Want Mozes ging de berg Sinaï op om het verbond tussen God en het volk Israël te bevestigen. Ook in de woorden van de profeet Jesaja, in Jesaja 40, horen we de oproep om op een hoge berg te klimmen om het herstel van de verbondsrelatie tussen God en zijn volk uit te roepen. Dat Mattheus vertelt dat Jezus de berg opgaat is dus heel veelzeggend. Het is niet zomaar een plek die toevallig voorhanden was. Het is de plek die aangeeft dat er iets gaat klinken dat met de verbondsrelatie van God met het volk Israël te maken heeft. Jezus gaat woorden spreken die het verbond tussen God en mensen bevestigt.
Het woord dat Jezus gebruikt wijst ook op die verbondsrelatie. Het Griekse woord dat Mattheus gebruikt, of we dat nu vertalen met zalig of met gelukkig, is door Jezus nooit gesproken. Jezus sprak Aramees, met een achtergrond van Hebreeuwse teksten in de wet van Mozes en de boeken van de profeten. Hij heeft hoogstwaarschijnlijk een woord gebruikt dat je in het Oude Testament vaak tegenkomt in het kader van het verbond tussen God en mensen. Dat woord kunnen we het beste vertalen met: gezegend. Mensen die zich opgenomen weten in het verbond met God mogen zich gezegend weten.
Die zegen is om te beginnen een belofte. Een belofte voor wie nederig van hart zijn, voor mensen die treuren, mensen die zachtmoedig zijn en mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Die eerste vier uitspraken wijzen niet op morele prestaties die mensen moeten leveren. Die uitspraken wijzen op hoe mensen er aan toe kunnen zijn. In de woorden van de profeet Jesaja kom je die groepen ook tegen. Mensen die door de ballingschap van het Joodse volk van hun wortels zijn losgesneden. Onderdrukt in een vreemd land. Mensen die zich gebroken voelen, mensen die treuren, mensen die geen hoge dunk van zichzelf hebben, mensen die vurig verlangen dat hun eindelijk recht wordt gedaan. De woorden van Jezus wijzen er op hoe mensen zich kunnen voelen: vertrapt, verdrietig, onder aan de ladder, uitgeput door onrecht. En Jezus voedt hun vertrouwen dat God hen niet in de steek zal laten. Hun gebroken hart zal weer geheeld worden, ze zullen troost ontvangen, opgericht worden. Hun zal weer gerechtigheid worden gedaan. Jezus spreekt over de zegen van een verbond met God, wanneer mensen zich daar aan toe durven vertrouwen.
De woorden van Jezus beginnen met wat God voor mensen doet. En ze gaan verder met het antwoord dat dan van mensen gevraagd wordt. Want wie zich toevertrouwt aan Gods zegen krijgt ook nieuwe kracht. De kracht om barmhartig te zijn, om zuiver van hart te zijn, om vrede te stichten. En om alles over te hebben voor de gerechtigheid. Zelf vervolging en smaad. Zoals de eerste reeks van vier uitspraken eindigt met het begrip gerechtigheid, de gerechtigheid die God zal schenken, zo eindigt ook de tweede reeks van vier uitspraken met het woord gerechtigheid. De gerechtigheid waar mensen aan vast moeten houden. Door alles heen. De zegen van God geeft hun die kracht. Dat zie je, om haar naam nog maar eens te noemen, aan die Pakistaanse vrouw, Asia Bibi, die in haar jaren in de dodencel niet één keer haar christelijk geloof verloochend heeft. Ze bleef zich daaraan vasthouden. Ze wist dat alleen daar zegen mee in haar leven kwam.
Dat is waar de woorden van Jezus over gaan, geloof ik. In Hem mogen we degene herkennen over wie de profeet Jesaja spreekt in de woorden die we vanmorgen ook gehoord hebben: Met eigen ogen zul je je leermeester zien, met eigen oren zul je een stem achter je horen zeggen: ‘Dit is de weg die je moet volgen. Hier moet je rechts. Ga daar naar links’. Jezus wil ons vertrouwen voeden dat we ons gezegend mogen weten wanneer we ons aan Gods liefde durven toevertrouwen. Zegt dat iets over het leven na de dood? Ongetwijfeld. Maar het zegt ook iets over ons leven hier op aarde. Dat is lang niet zalig. Het is ook niet altijd gelukkig. Maar we mogen ons door alles heen gezegend weten met de liefde die God ons in het leven van Jezus geopenbaard heeft. Ik hoop dat we daar onze kracht zullen zoeken en vinden. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.