Twee machten-10mei-CWvdM

Overdenking op zondag 10 mei 2020
Lezingen: 1 Samuël 19: 1-7, 8-18; Handelingen 9: 19b-25
Thema: Twee machten

Gemeente van Jezus Christus,

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat is een oud Nederlands gezegde, waarmee wordt uitgedrukt dat bloedverwantschap altijd de doorslag geeft. Wat er ook gebeurt, mensen zullen altijd de kant van hun familie kiezen. Kinderen zijn van kleins af aan in de regel ongelooflijk loyaal aan hun ouders. Dat lijkt in de puberteit wat minder te zijn, maar dat is maar schijn. Er moet heel wat gebeuren willen kinderen hun ouders afvallen.
Het bijbelverhaal dat Joop van Rossem heeft voorgelezen laat duidelijk zien voor wat voor verschrikkelijke dilemma’s mensen dan soms komen te staan. Vier hoofdpersonen zijn er in het verhaal. We horen over David, maar die heeft geen bijzonder actieve rol. Hij lijkt meer een speelbal van de gebeurtenissen waarover verteld wordt. De handelende personen zijn Saul, de koning, Jonathan, de oudste zoon van de koning, en Michal, een jongere dochter van Saul.
Hoe belangrijk de bloedband is wordt meteen in de eerste verzen al duidelijk gemaakt. In de vertaling is het een beetje afgevlakt, maar in de eerste vier verzen wordt Jonathan tot twee keer toe met nadruk de zoon van Saul genoemd. En Jonathan spreekt tot vier keer toe met nadruk over Saul als zijn vader. Dat is niet per ongeluk. Dat is om de aandacht te vestigen op de band tussen vader en zoon. Wie komt daar tussen? We hadden dit verhaal misschien beter op Vaderdag dan op Moederdag kunnen lezen. Aan de andere kant: de band tussen Saul en Jonathan wordt zwaar op de proef gesteld. Want Jonathan is niet alleen de zoon van Saul. Hij is ook de vriend van David. In het begin van hoofdstuk 18, na het verhaal over de strijd van David tegen Goliath, wordt verteld dat die twee vriendschap sluiten. Jonathan, zo lezen we daar, had David zo lief als zijn eigen leven.
Aan wie moet Jonathan trouw zijn? Aan zijn vader Saul of aan zijn vriend David? Voor die keus komt hij te staan. Want Saul maakt er geen geheim van dat hij David uit de weg wil laten ruimen. Daar spreekt hij over met zijn zoon Jonathan en met heel de hofkliek. Blijkbaar voelt hij zich in die kring zo veilig dat hij rustig over zulke plannen kan spreken. Openlijk. Ondenkbaar dat iemand hem tegen zou durven spreken. Hij zal zich wel omringd hebben met een partij jaknikkers. En van zijn oudste zoon verwacht hij onbegrensde loyaliteit. Jonathan moet hem immers gaan opvolgen. Het gaat om het vasthouden van de macht. Wat kan er belangrijker zijn?
Dat vasthouden van de macht is ook de reden dat Saul zich tegen David heeft gekeerd. Hij ziet David als een bedreiging van die macht. Ook dat lezen we in hoofdstuk 18. Saul heeft David, na zijn overwinning op Goliath, tot legeraanvoerder benoemd. Maar als het leger, na een overwinning op de Filistijnen, door een juichende menigte wordt binnengehaald wordt er door de vrouwen van Israël een lied gezongen dat Saul pijn doet aan de oren. Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden. De gedachte dat iemand groter kan zijn dan hij vindt hij onverdraaglijk. Hij vindt die gedachte bedreigend. Nog even en ze geven hem het koningschap, horen we hem zeggen. Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen, staat er in het bijbelverhaal.
Het verhaal over het koningschap van Saul is een klassieke tragedie. Een verhaal dat richting een noodlottige afloop gaat. Het begon zo mooi. Het begon als een verhaal van bevrijding. Saul zette zich in voor de bevrijding van het volk Israël. Maar de kroon woog te zwaar op zijn hoofd. Hij raakte verstrikt in de betovering van de macht die het koningschap hem gaf. Macht was niet langer een middel om bevrijding en recht tot stand te brengen. Macht was het doel geworden waar alles wat Saul ondernam op gericht was. Dat is een slechte basis voor het koningschap. De profeet Samuël waarschuwde Saul daar ook voor. Hij voorspelde dat Saul zijn koningschap zou kwijtraken op die manier. Maar dat bracht Saul niet tot inkeer. Het maakte hem alleen angstig en wantrouwig. Verslaving aan de macht, angst en wantrouwen. Een giftig mengsel dat iemand tot een gevaar voor zijn omgeving maakt.
Ze zijn er nog steeds, zulke leiders. In de Verenigde Staten stuurt president Trump iedereen, die hem niet klakkeloos volgt, de laan uit. En een gouverneur die kritiek heeft op zijn beleid noemt hij in het openbaar een slang, waar je voor uit moet kijken. In Rusland zijn drie artsen, die kritiek hadden op het beleid van de overheid, op een raadselachtige manier uit het raam van hun ziekenhuis gevallen. Twee zijn er overleden, één ligt in kritieke toestand op de intensive care. De autoriteiten in Rusland noemen het een tragisch incident. Zulke incidenten stonden Saul ook voor ogen. In hoofdstuk 18 lezen we in ieder geval dat hij David een paar keer op een zelfmoordmissie stuurt. Maar het plan lukt niet. David komt elke keer alleen maar sterker uit de strijd.
Dus moet David nu maar gewoon uit de weg geruimd. Dat bespreekt Saul met zijn hovelingen en met zijn oudste zoon. Maar die gaat daar niet in mee. Voor Jonathan is er meer in het leven dan kadaverdiscipline. Hij zweert niet bij de macht. Hij geeft om vriendschap en om recht. Hij waarschuwt David. En tegelijk probeert hij zijn vader trouw te blijven. Ik ga met mijn vader de stad uit, horen we in de vertaling. Maar dat staat er niet. Er staat: Ik zal naast mijn vader staan op het veld waar jij bent. Jonathan blijft naast zijn vader staan. Hij pleit voor David, en probeert tegelijkertijd zijn vader trouw te blijven en Saul op het rechte pad te krijgen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Vindt Jonathan gehoor bij zijn vader? Het lijkt er op. Saul zweert dat David niet zal worden gedood. Zowaar de Heer leeft, zegt hij. Maar vrome woorden zeggen vaak niet zo veel. Binnen de kortste keren krijgt het wantrouwen weer de overhand. Hij probeert David aan de wand te spietsen wanneer hij voor hem op de harp speelt. Saul werd gekweld door een kwade geest van de Heer, horen we. Dat betekent niet dat we God als de regisseur van deze hele tragedie moeten zien. Het zegt iets over het wereldbeeld en het Godsbeeld van de mensen in de tijd dat dit verhaal ontstaan is. Drie-, vierduizend jaar geleden was er geen ander antwoord beschikbaar dan dat God hier de hand in zou moeten hebben. Wij kijken anders tegen de werkelijkheid aan. Wij zien mensen die vergiftigd worden door de hang naar macht, zo zeer dat ze anderen naar het leven gaan staan. Wie zo regeert is geen koning meer bij de gratie Gods. Al zullen er altijd wel dominees en priesters te vinden zijn die het machtsmisbruik met gebeden en met wierook willen toedekken.
De dochter van Saul, Michal, die met David getrouwd is, heeft een heel andere manier om zaken toe te dekken. Zij laat zich niet om de tuin leiden. Wanneer David thuis komt, ontsnapt aan de moordzucht van Saul, denkt hij blijkbaar dat het maar om een boze bui gaat. Morgen is het wel weer over. Maar Michal kent haar vader. Morgen zal het over zijn met David, als hij niet maakt dat hij weg komt. Ze kiest voor David, van wie ze houdt. Ze kiest tegen haar vader. Ze zorgt ervoor dat David ontsnapt, legt het beeld van de huisgod in zijn bed en dekt dat toe met een deken. Zo wint ze de tijd die David nodig heeft om zich uit de voeten te maken. En als de soldaten van Saul het huis binnendringen, veel later, vinden ze niet David, maar een beeld in het bed.
Een beeld van de huisgod. Dat is een afgodsbeeld. Een bijzonder detail in dit verhaal. Was er een afgodsbeeld in het huis van de dochter van de koning? Blijkbaar wel. Het werpt een extra donker beeld op alles wat met Saul te maken heeft. Ook in religieus opzicht was Saul niet zuiver op de graat. Maar ook dat keert zich tegen hem. Het afgodsbeeld wordt een middel om hem om de tuin te leiden en zijn moordplannen te verijdelen.
David ontsnapt. Hij wordt uit het venster naar beneden gelaten. Zoals, veel later, ook Paulus op die manier aan een zekere dood ontsnapt. Dood. En ontsnapping. Dat zijn, tenslotte, de thema’s waar dit verhaal om draait. Doden en ontsnappen. Die werkwoorden komen keer op keer terug in dit verhaal. Op die manier laat de schrijver van het verhaal zien, als het ware, dat er twee machten zijn in het leven van ons mensen. De macht die wil heersen. De macht die gericht is op zichzelf, op behoudzucht. De macht die desnoods over lijken wil gaan. De macht van de dood. En er is een andere macht. De macht van bevrijding. De macht die wil dienen. De macht die het leven wil behouden. De Bijbel is duidelijk in zijn openbaring: de macht die wil dienen, die het leven wil behouden, die macht heeft het laatste woord. Dat wordt ons voorgehouden in de verhalen in de Bijbel. In de hoop dat zo ons vertrouwen gevoed wordt dat de macht die het leven wil behouden ook in ons leven het laatste woord zal hebben. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.