De laatsten en de eersten-14jun-CWvdM

Overdenking op 14 juni 2020 - Ontmoetingskerk
Lezingen: Deuteronomium 15: 7-11 en Mattheus 20: 1-16
Thema: De laatsten en de eersten

Gemeente van Jezus Christus,

Ooit heb ik eens iemand een pleidooi horen houden voor de invoering van een basisinkomen. En dat pleidooi ondersteunde hij met de gelijkenis die we vanmorgen met elkaar lezen. De gelijkenis over de arbeiders in de wijngaard. Die kregen immers ook allemaal hetzelfde loon! Nou sta ik persoonlijk niet onsympathiek tegenover de gedachte aan een basisinkomen. Maar om deze gelijkenis daar zomaar bij te slepen vind ik toch een beetje kort door de bocht. Waar de mensen in de tijd dat Jezus leefde ook mee bezig waren, dat was in ieder geval niet een thema als het basisinkomen. Dus met het oog daarop heeft Jezus deze gelijkenis vast niet verteld.
Waar gaat de gelijkenis dan wel over? Bij elke gelijkenis die Jezus vertelt is een belangrijke vraag waar die gelijkenis een antwoord op is. Wat is de situatie op het moment dat Jezus met een gelijkenis komt? Met wie is Jezus op dat moment in gesprek? Wat heeft zich voorgedaan dat maakt dat Jezus precies met deze gelijkenis komt? Op die vragen kunnen we een antwoord geven wanneer we lezen wat er aan de gelijkenis vooraf gaat. Ik noem een paar dingen die we voorbij zien komen in het hoofdstuk dat aan deze gelijkenis, aan het begin van hoofdstuk 20, vooraf gaan.
Om te beginnen horen we in hoofdstuk 19 over mensen die hun kinderen bij Jezus brengen. Ze vragen Hem hun de handen op te leggen en voor hen te bidden. De leerlingen van Jezus vinden dat maar niks en willen hen wegsturen. Kinderen zijn blijkbaar niet belangrijk genoeg. Die horen helemaal achteraan, op de laatste plaats. Maar Jezus zegt dat het Koninkrijk van de hemel juist voor hen is, voor wie is zoals zij. Daarna meldt zich iemand bij Jezus die wil weten hoe hij het eeuwige leven kan verwerven. Hoe kom ik bij de hemelpoort vooraan te staan, zal ik maar zeggen. Door alles wat je bezit te verkopen en aan de armen te geven, zegt Jezus. Maar dan druipt diegene teleurgesteld af. Want hij had nogal wat bezittingen. En tenslotte vraagt Petrus waar hij en de andere leerlingen naar uit kunnen zien. Krijgen zij nog een beetje behoorlijke plek in het Koninkrijk van de heme? Het antwoord dat Jezus geeft loopt uit, aan het eind van hoofdstuk 19, op deze zin: ’Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten’.
Dat het voorgaande verband houdt met de gelijkenis die Jezus vertelt is duidelijk. Je hoeft alleen maar te kijken naar de zin waar Jezus de gelijkenis mee afsluit: ‘Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten’. De gelijkenis die tussen die twee uitspraken verteld wordt is een antwoord op wat daarvoor is voorgevallen. De gelijkenis is een antwoord op wat Jezus ziet gebeuren: dat mensen vooral bezorgd zijn om hun eigen positie. Ze willen de verzekering dat hun plek gewaarborgd is. Ze willen zeker weten dat een ander hen niet voorgaat. Hun eigen positie, die moet het belangrijkst zijn. Die staat op de eerste plaats. Het doet me denken aan iemand die me eens vertelde dat hij z’n leven lang z’n best had gedaan om gehoorzaam aan de Tien Geboden te leven. Toen ik hem vroeg waarom zei hij dat hij hoopte dat hij op die manier in de hemel zou komen. Waar draait het dan om in je geloof? Alleen maar om jezelf.
Daar is de gelijkenis die Jezus vertelt een antwoord op, denk ik. De gelijkenis over de dagloners die op de markt staan en af moeten wachten of er iemand is die hen in dienst wil nemen. Gelukkig is er iemand die hen nodig heeft. Ze mogen aan het werk. Er wordt afgesproken wat voor loon ze na die dag zullen ontvangen. En dat geldt voor meer dagloners. De ene groep na de andere wordt in dienst genomen. Tot en met een groep dagloners die één uur voor het einde van de werkdag aan de slag mag. De landheer, waar Jezus over vertelt, zal daar zo z’n eigen redenen voor hebben. Zoals hij ook z’n eigen redenen heeft wanneer het op betalen aankomt, aan het eind van de werkdag. Dan ontvangen, om te beginnen de arbeiders van het laatste uur, een denarie, het bedrag dat was afgesproken met de arbeiders van het eerste uur.
Die denarie, dat is niet zomaar een bedrag. Dat is het bedrag dat je nodig had, in die tijd, om een gezin eten te geven. We hebben het nu eenmaal over een andere tijd. Geen sociale voorzieningen of pensioenen. Mensen leefden bij de dag. Zoals heel veel mensen in Afrika nog altijd leven. Het was al mooi als je voor die dag te eten had met z’n allen. Morgen zien we wel weer. Zoals Jezus het op een andere plaats in het Evangelie naar Mattheus zegt: Elke dag heeft genoeg aan z’n eigen last. Het is al mooi dat we vandaag weer te eten hebben, denken de dagloners.
Dat is dus ook waar de landheer aan denkt. Hij denkt niet aan zijn eigen economisch belang. Hij rekent niet in opbrengst en productie-uren. Hij denkt na over wat een mens nodig heeft om te kunnen leven. En hij besluit om dat aan mensen te geven. Het gaat hem er niet om wie het eerst kwam en wie het laatst kwam. Het gaat hem er om wat een mens nodig heeft. Maar die gedachte wordt hem niet door iedereen in dank afgenomen. Andere arbeiders denken wel degelijk in termen van productie-uren. Ze zijn dan ook bijzonder ontevreden. Hun prestatie wordt ondergewaardeerd.
Als het over economie zou gaan zou ik me dat nog wel voor kunnen stellen. Maar deze gelijkenis gaat niet over de economie. Deze gelijkenis gaat over het koninkrijk van de hemel. Het gaat over de verhouding tussen God en mensen. En over de vraag hoe mensen zich in dat licht tot elkaar verhouden. God is als de landheer in de gelijkenis. De schepping is als zijn wijngaard. En Hij haalt ons allemaal binnen. Hij zet ons allemaal aan het werk. Dat gaat niet over verdienste. Dat gaat over genade. Wij mogen blij zijn dat God ons binnenhaalt, dat er voor iedereen plek is. En dat God ons wil geven wat we nodig hebben om te leven. Wij leven van de liefde. En God geeft ons daar genoeg van.
Maar dat is blijkbaar niet voor iedereen voldoende. Er zijn mensen die vinden dat ze recht hebben op meer. Blijkbaar zijn er mensen die vooral zorgen hebben over hun eigen plek. Zij waren er eerder. Daarom hebben zij recht op meer. Zij zijn altijd trouw naar de kerk geweest. Zij hebben altijd braaf gedaan wat God van ons vraagt. Zij hebben altijd fatsoenlijk geleefd. En daarom vinden ze dat ze een trapje hoger staan. Ze hebben recht op meer. Ze vragen zich niet af hoe het met de ander zit. Ze zijn vooral bezig met zichzelf. Of een ander krijgt wat zij of hij nodig is zal hun een zorg zijn. Als zij maar krijgen waar ze recht op hebben.
Maar God onderhandelt niet. In het koninkrijk van de hemel wordt geen cao afgesloten. In het koninkrijk van de hemel wordt alleen liefde gegeven. Zoveel als we nodig hebben om van te leven. God is goed voor iedereen. De vraag die in de gelijkenis wordt gesteld is of we daar mee kunnen leven. Zet het kwaad bloed dat ik goed ben? - dat vraagt de landheer.
Dat is als de vraag die God ons stelt. Gunnen we elkaar het leven en de liefde, of misgunnen we dat elkaar? Hoe spreken we over elkaar? Hoe spreken we over mensen met een andere culturele achtergrond, met een andere huidskleur, met een andere godsdienst? Gunnen we die een plek in de wijngaard, in de wereld? Zijn we blij wanneer iedereen krijgt wat zij of hij nodig heeft? Of denken we dat een ander wel toe kan met minder, zodat wij meer krijgen? Meer ruimte, meer geld, meer luxe, meer tijd? Noem het maar op. Blijven we krampachtig leven met de gedachte aan wat wij verdienen, waar wij recht op hebben? Of leggen we die kramp af en vertrouwen we ons leven toe aan God die alle mensen in liefde tegemoet komt?
Ik hoop dat de vraag die ons in de gelijkenis gesteld wordt goed tot ons doordringt. En dat we in ons leven van dag tot dag het goede antwoord weten te geven. Dat het ons alleen maar blij maakt wanneer een ander in dezelfde ruimte van liefde mag leven als wij. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.