Got Talent-28jun-EBK

Got Talent

Zondagmorgen 28 juni 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Matteüs 25: 14-30

 Preek 20200628 1Aan het begin was deze afbeelding al te zien, een mooi glas-in-loodraam, waarop de gelijkenis van vanmorgen is afgebeeld.
“Of het” -en daarmee zal het koninkrijk van God bedoeld zijn- “zal zijn als met een man die op reis ging, zich dienaren bij zich riep en het geld dat hij bezat aan hen in beheer gaf…”
Ik was op zoek naar afbeeldingen bij deze gelijkenis en vond deze – je gelooft je oren niet – bij een Engelstalig artikel over investeren, investeren met geld, investeren met kapitaal.
Dit was een van de favoriete Bijbelverhalen van de schrijver uit de tijd dat hij op de christelijke basisschool zat.
Die ene dienaar die zijn geld begroef speelde op zeker, en op zeker spelen betekent dat je niet zult groeien in welvaart. Dat was de les die hij daaruit trok.
Alleen als je risico durft te nemen en je kapitaal durft te investeren, dan zul je groeien in welvaart. Dat was de diepe les van deze gelijkenis voor deze financieel adviseur, dé manier om de stapel bankbiljetten te laten groeien.
Nu mag ieder van mij iedereen de gelijkenis toepassen op zijn eigen situatie, maar laat één ding duidelijk zijn: in de context van het Matteüsevangelie gaat het niet over geld.
En het gaat volgens mij ook niet over een bepaald arbeidsethos, dat het jouw roeping zou zijn om altijd hard te werken, om, zoals dan wel gezegd wordt, te woekeren met de talenten die je gekregen hebt, en dat het kwalijk zou zijn als je niet werkt.
Daarover gaat het niet.
Waarover dan wel? Zou dit het zijn?
Preek 20200628 2
Misschien kennen we het programma wel: Holland’s Got Talent.
Een talentenjacht. Er wordt gezocht naar een nieuw uniek talent. Het talent van een deelnemer mag van alles zijn: zang, dans, cabaret en acrobatiek. Waar het om gaat is dat je boven de rest uitstijgt, een uniek talent waarin niemand of bijna niemand net zo goed is als jij.
Maar nee, dat is het hier ook niet, het gaat hier niet over iets waarin je beter bent dan de rest, waarin je uitblinkt.
In deze gelijkenis gaat het volgens mij over de ‘valuta van het Koninkrijk van God’,
dat wat in het licht van het Koninkrijk van God van waarde is, en dat is niet geld, en dat is ook niet iets waarin jij uitblinkt.
Wat is van waarde in het licht van het Koninkrijk van God?
Dan moet ik veel meer denken aan waardes als liefde, vrede, gerechtigheid.
Dat is wat de heer uitdeelt aan zijn mensen en bij hen in beheer geeft.
En de vraag is dan wat zij er mee gaan doen.
Die waardes – liefde, vrede, gerechtigheid – zijn eigenlijk ook niet goed te kwantificeren, zijn niet goed in hoeveelheden uit te drukken: de één krijgt vijf zakken vrede, de ander twee, en de derde één. Zo werkt dat niet, zo spreek je daar niet over.
Toch gaat het in de gelijkenis wel om hoeveelheden, 5, 2, 1, en ik vind het dan weer jammer dat het net de persoon is die het minste krijgt, die er niets mee doet,
zo van: ik heb veel minder gekregen dan de anderen, dat van mij stelt toch niet zoveel voor, wat zou ik voor moeite doen?
Het zou misschien makkelijker geweest zijn als één van die andere twee dienaren z’n talenten onder de grond gestopt had.
Want ook als je weinig gekregen hebt, kun je daar heel veel mee doen, dat is de teneur die ik in heel veel Bijbelverhalen aantref. Ook met weinig kun je veel doen.
Laten we ons niet blindstaren op de aantallen. Dat is in het licht van het Koninkrijk altijd net weer anders dan de manier waarop wij gewend zijn om te tellen.
In de gelijkenissen over het Koninkrijk staat de heer steeds voor God.
God geeft ons zijn valuta in handen: liefde, vrede, recht.
Aan ons is het om dat kapitaal te beheren.
Wat doen we ermee? Gaan we ermee aan de slag of doen we er niets mee?
Nu geeft deze gelijkenis me wel een ongemakkelijk gevoel.
Er lijkt hier sprake van een afrekencultuur.
We zien het in de samenleving om ons heen gebeuren.
Als je het goed doet en gemaakt hebt, word je de hemel in geprezen,
als je niet doet wat van je verwacht wordt, word je afgebrand.
Er lijkt geen genade te zijn voor mensen die het niet goed doen.
Dat strijdt toch met alles waar de Bijbelse boodschap voor staat!?
Het laatste zinnetje uit de gelijkenis van vandaag zou zomaar dat idee van een afrekencultuur kunnen voeden: die nutteloze dienaar, gooi die eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.
Dit doet denken aan oude hel- en verdoemenispreken.
Dan kan angst voor de mislukking het leven gaan beheersen.
Net als die ene man, er staat dat hij bang was en dat hij daarom zijn talent begroef. Angst kan mensen verlammen.
Als ik de gelijkenis lees, krijg ik de indruk dat dat juist níet de bedoeling is.
Er is maar één man die het heeft over een strenge heer, die met het ene talent: “heer, ik wist dat u streng bent… uit angst besloot ik uw talent te begraven…”
Deze ene man lijkt iemand te zijn met een gebrek aan vertrouwen, met een gebrek aan geloof,
misschien wel bang om fouten te maken, bang om het niet goed te doen. Zonde van zijn leven.
Hij leeft in de wereld van de argwaan, niet in de wereld van het vertrouwen.
Dat koninkrijk van liefde, vrede, recht, dat gaat ’m echt niet worden.
Hij begraaft het, hecht geen waarde aan die waardes die zijn heer hem geeft, leeft liever bij de bikkelharde werkelijkheid dat het altijd zal blijven zoals het is.
Zijn levenshouding blijkt te maken te hebben met zijn Godsbeeld.
In zijn ogen is zijn heer een hardvochtig heer, een strenge boekhouder, die geen fouten tolereert. Voor deze heer is hij bang. Hij durft niet.
Zo wordt het selffulfilling prophecy.
Maar zo is de Heer, zo is God helemaal niet.
Wat deze gelijkenis wil doen is mensen juist oproepen die angst te laten varen,
oproepen tot moed, vertrouwen, geloof.
Het gaat om de beweging van datgene waar Jezus voor stond.
De eerste twee dienaren bewegen mee, en dat blijkt te werken.
De derde dienaar stapt er als het ware uit
en laat alles tot stilstand komen.
Als je uit de beweging van Gods koninkrijk stapt, de beweging van recht, genade en liefde, dan is de buitenste duisternis al in je binnenste aanwezig.
Toch nog even die getallen: 5, 2 en 1.
Waarom niet ieder even veel?
De gelijkenis zegt er dit over: Ieder naar wat hij aankon.
Meer in handen krijgen, betekent meer verantwoordelijkheid.
Ieder krijgt naar wat die dragen kan, niemand wordt overvraagd. En het één is niet meer waard dan het ander.
Waar het om gaat is dat elk mens een kapitaal geschonken krijgt, onderschat dat niet!
en de bedoeling is om daar iets mee te dóen!
Je kunt er alleen mee aan de slag als je lef hebt en moed en vertrouwen en geloof.
De dienaren beginnen zonder eigen vermogen, met hun toevertrouwd kapitaal.
Dat is een grondregel van het geloof: alles wat je hebt heb je gekregen, is je toevertrouwd.
Je hoeft niet eerst iets van jezelf in te brengen, om zo voor de Heer iets te kunnen betekenen, je krijgt het beginkapitaal uit zijn hand geschonken.
Dat is een grondregel, denk ik: geloof is gave, je krijgt het als een geschenk uit de hemel.
Je kunt erin meebewegen, je kunt je ervoor afsluiten, bewust of onbewust, maar je kunt het niet bij jezelf teweeg brengen: geloof, vertrouwen.
Het wordt je geschonken, als een prachtig kapitaal, geloof, hoop en liefde, onbetaalbaar.
En de verwachting van de Heer is dat wij mensen er iets mee doen, dat onze handen zijn handen zullen zijn.