Vergeving-16aug-CWvdM

Overdenking op zondag 16 augustus
Lezingen: Exodus 32: 1-14 en Mattheus 18: 21-35
Thema: Vergeving

Gemeente van Jezus Christus,

Vergeving is iets heel moois, iets heel kostbaars. Het woord wordt dan ook vaak op een schandelijke manier misbruikt. Neem nou de fraaie Nederlandse zegswijze “vergeven en vergeten”. Ik ben bang dat die woorden, hoe mooi ze ook klinken, ook wel eens aan mensen voorgehouden worden in situaties waarin dat helemaal niet kan. In situaties waarin iemand iets heel ergs is aangedaan. Ik moet denken aan mensen die in de jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn mishandeld door Japanse soldaten in interneringskampen in Indonesië. Of die als krijgsgevangene dwangarbeid hebben moeten verrichten op Japanse scheepswerven of in mijnen in Japan.

Wat daar is gebeurd is meestal niet uitgepraat tussen slachtoffer en dader.. De dader heeft niet om vergeving gevraagd. Er is geen sprake van boete, in de verste verte niet. Maar het leven gaat verder. We kunnen er niet mee bezig blijven, vindt de omgeving. Dus tegen het slachtoffer wordt gezegd: “Vergeven en vergeten”, dat is maar het beste. Dat er dingen zijn die mensen nooit zullen kunnen vergeten, dat vergeten we dan maar even. En hoe moet iemand een ander vergeven, als die ander nooit om vergeving gevraagd heeft? Als die ander nooit blijk heeft gegeven van het besef iets verkeerds gedaan te hebben? Als die ander nooit berouw getoond heeft?

Het gaat in het Evangeliegedeelte van vanmorgen over vergeving. Maar vergeving is geen rookgordijn waarachter het kwaad verborgen kan worden ten gunste van de dader en ten nadele van het slachtoffer van het kwaad. Bij vergeving wordt er geen ruimte genomen, maar ruimte gegeven. En dat is niet vanzelfsprekend. Daarvoor moet eerst iets uitgesproken worden. Iemand moet roepen om hulp. Iemand heeft kwaad gedaan en dat maakt dat zijn leven vastgelopen is. Hij heeft hulp nodig. Hij zit ergens aan vast, en als hij daar niet van los gemaakt wordt kan hij niet verder, dan loopt zijn leven dood. Hij moet van een enorme ballast in zijn leven losgemaakt worden. Dat is vergeving. Maar kan een mens dat voor een ander opbrengen? En waar ligt de grens?

Dat is de vraag die Petrus stelt. Hoe dikwijls moeten we iemand vergeven? En hij zet meteen in: tot zevenmaal toe? Daaruit blijkt dat hij begrepen heeft dat Jezus zijn volgelingen vraagt om ommekeer. In het Oude Testament zijn een aantal plaatsen te vinden waar gesproken wordt over zevenvoudige wraak. Daar stelt Petrus zevenvoudige vergeving tegenover. Dat is al heel wat. We zouden onszelf eens af moeten vragen of wij die zeven keer wel halen. Misschien is ons geduld na drie keer wel helemaal op.

Hoe dan ook, in de visie van Petrus, hoe ruim hij ook lijkt, is er sprake van een grens. Als het aan ons mensen ligt, houdt het een keer op, vergeving. In het antwoord van Jezus worden we op een totaal ander spoor gezet. Het gaat daarin niet om een ander getal. We moeten niet het getal zeven naast het getal zevenenzeventig zetten. Het gaat in Jezus’ antwoord om een andere opvatting van ons leven als mensen naast elkaar en tegenover God.

Ook Jezus verwijst in zijn antwoord naar een plaats in het Oude Testament. In de oerverhalen uit het boek Genesis horen we over Lamech, een macho van het eerste uur. Lamech maakt duidelijk dat hij niet met zich laat sollen. Als iemand hem te na komt zal dat zevenenzeventig keer gewroken worden. Bij zo’n uitspraak hoef je niet meer te tellen. Je weet gewoon dat er nooit meer een einde aan de wraak komt. De wereld wordt een baaierd van bloed en geweld.

En Jezus wil een andere wereld. Jezus roept ons op onszelf te zien als burgers van het koninkrijk van de hemel. Daar kijken we anders naar elkaar. Daar vergeven we tot zeventigmaal zevenmaal. Ook hier hoeven we niet te tellen. Het getal zeven geeft in de Bijbel immers de volheid aan. Zoals bij de zevende dag uit het scheppingsverhaal. Het getal zeven geeft geen begrenzing aan, het opent onze ogen voor de ruimte in het bestaan. Er komt geen einde aan de vergeving, dat is wat Jezus wil zeggen. De wereld wordt een huis waar mensen samenwonen. Maar hoe kan het ooit zover komen? Kunnen wij mensen dat wel opbrengen? Hebben wij zoveel geduld, zoveel liefde, zoveel goedheid in huis?

Het antwoord van Jezus op die vraag wordt gegeven in de vorm van de gelijkenis. In die gelijkenis probeert Jezus ons leven op een ander spoor te brengen. Hij vertelt het verhaal over een koning die rekening en verantwoording vraagt van zijn dienaren. Dat is eigenlijk iets te braaf vertaald, want er staat gewoon: ‘slaven’. In onze tijd klinkt dat onfatsoenlijk, maar in de tijd dat Jezus leefde waren slaven een heel gewoon verschijnsel. We praten hier dus niet over werknemers met een cao. We praten over slaven die af moeten wachten wat hun heer over hen beslist.

En één van die slaven heeft een schuld. Ook hier geldt dat tellen zinloos is. Een talent was de grootste betaaleenheid en tienduizend was in het Grieks het hoogste getal. Het is een onoverzienbare en eindeloze schuld. Die slaaf heeft geen recht van bestaan meer. Die slaaf staat voor zijn heer in leegte en gemis, in wanhoop en verdriet. Het bijzondere van deze heer is dat dat hem niet koud laat. Hij krijgt medelijden. Hij wordt van binnen geraakt.

Het woord dat daar in het Grieks gebruikt wordt komt nog vier keer voor in het Evangelie naar Mattheus. Al die keren wordt het gezegd over Jezus, die met mensen te doen heeft, die van binnen geraakt wordt door de verwarring en de hulpeloosheid van mensen die voor Hem staan. De Heer heeft medelijden met zijn slaaf, hij neemt het gewicht van zijn schouders. Het onverwachte, het onvoorstelbare gebeurt: zijn schuld wordt vergeven, die mens krijgt weer ruimte om te leven.

Maar dan is het vervolgens wel de vraag hoe die mens met die geschonken ruimte omgaat. In de gelijkenis wordt dat voor iedereen een bittere teleurstelling. Een medeslaaf smeekt hem, vraagt hem om hulp. Maar hij geeft geen centimeter ruimte. Die keuze brengt hem weer voor zijn heer. Weer moet hij rekening en verantwoording afleggen. En deze keer ontmoet de slaaf geen medelijden, maar toorn. Want de slaaf kent zijn plaats niet. Voor de heer zijn alle slaven gelijk. Als de heer medelijden voelt voor zijn slaven, hoe zouden de slaven het dan in hun hoofd mogen halen om hard en koud voor elkaar te zijn? De slaaf wordt dus niet aangesproken op een soort innerlijke goedheid, die hij aan zijn medeslaaf onthouden heeft. Hij wordt erop aangesproken dat hij vergeten heeft hoe goed zijn heer voor hem geweest is. Een slaaf die zijn plaats niet meer kent voor zijn heer, haalt vreemde dingen uit met zijn medeslaaf. Een mens die zijn plaats niet meer kent voor God, haalt vreemde dingen uit met zijn medemens.

De gelijkenis maakt duidelijk dat we ons niet af moeten vragen hoe vaak we zullen vergeven. Dan krijgen we alleen maar discussies over hoe goed we zijn en hoelang we het dan volhouden met elkaar. De gelijkenis roept de vraag op waaróm we elkaar zouden vergeven. En hoe mensen staan tegenover elkaar heeft volgens deze gelijkenis alles te maken met hoe ze staan tegenover God. Dat betekent dat wij elkaar niet vergeven uit de goedheid van ons hart. Want vergeving op die basis levert een diepe valkuil op waar we voor op moeten passen bij het woord ‘vergeving’.

Als iemand ons om vergeving vraagt kunnen we in de verleiding komen om die situatie te gebruiken om macht over een ander mens te krijgen. Die ander stelt zich immers afhankelijk op. Wij kunnen ons opstellen op het voetstuk van onze goedheid. We kunnen zelfs voorwaarden stellen. We kunnen die ander krijgen waar we hem hebben willen. Vergeving kan gebruikt worden als een middel om mensen jarenlang in de tang te houden, door de ander steeds fijntjes te herinneren aan datgene wat vergeven is, ooit. Wat er dan gebeurt heeft met vergeving weinig te maken. De hele verhouding blijft beladen met schuld. Aan beide kanten.

We hebben elkaar dan, als in de gelijkenis, bij de keel. En uit die wurggreep wil Jezus ons bevrijden. Door ons in het scherpe beeld van de gelijkenis uit te leggen dat de vraag niet moet zijn hoe vaak we een ander moeten vergeven, maar waaróm we die ander zouden vergeven. En hoe wij tegenover een ander staan houdt verband met de vraag hoe wij tegenover God staan.

In de gelijkenis wordt fijntjes duidelijk gemaakt dat het daar eigenlijk over gaat. Als de slaaf tegenover zijn heer staat lezen we in de vertaling: “de dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte..”. En als even verderop twee mensen tegenover elkaar staan lezen we weer: “De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte”. Maar in het Grieks staat er iets anders. Wanneer de slaaf voor de heer staat smeekt hij in onderworpenheid en verering. Het werkwoord dat daar staat wordt ook wel vertaald met ‘vereren’, vereren van God wel te verstaan. En als de twee slaven tegenover elkaar staan horen we een werkwoord dat zoiets betekent als ‘te hulp roepen’.

We staan voor elkaar anders dan we tegenover God staan. Maar het staat niet los van elkaar. Oog in oog met de ander moeten we ons afvragen waar onze plaats is voor God. Oog in oog met de ander die ons om ruimte vraagt moeten we ons eerst bedenken waar onze eigen ruimte om te leven eigenlijk vandaan komt. Komt die niet van God, die keer op keer met ons bewogen is, en het leven van de mensen steeds weer nieuwe kansen geeft? Als het gaat over vergeving, dan moeten we bedenken dat we elkaar geen ruimte geven uit de goedheid van ons hart. We geven elkaar ruimte in het dankbare besef dat God ons vergeving schenkt, telkens weer. Als wij elkaar vergeven, dan tellen we niet onze verdiensten. Dan tonen we onze dankbaarheid. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.