Het is een wonder-6sep-CWvdM

Overdenking op zondag 6 september 2020 – Ontmoetingskerk Naaldwijk
Lezingen: 1 Koningen 17: 1-16 (hoofdlezing) en Marcus 12: 38-44
Thema: Het is een wonder

Gemeente van Jezus Christus,

Hier in het Westen van het land valt het nog wel mee. Maar in het Oosten van Nederland is sprake van droogte. Hier en daar staat de natuur op omvallen, las ik vorige week in de krant. Het is immers al het derde jaar dat er een tekort aan neerslag is in ons land. Dat hadden we toch nooit kunnen denken. Een tekort aan water in wat bekend staat als een waterland. We zijn al eeuwen bezig het water in bedwang te houden. En nu komen we water tekort.
We lezen in de krant ook wat de oorzaken zijn. Niet alleen een tekort aan regen. Maar, nog veel belangrijker, de manier waarop wij mensen water verbruiken. De grondwaterstand die kunstmatig laag gehouden wordt om agrarische belangen te dienen. De zwembadjes in de tuinen. En nog zo wat meer.
Ik heb nog niemand horen zeggen dat de droogte in Nederland een straf van God is. Dat horen we wel in het Bijbelverhaal dat vanmorgen gelezen is. De regering van koning Achab is een toonbeeld van onrechtvaardigheid en goddeloosheid. En dat heeft gevolgen. Drie jaar lang zal er geen regen of dauw zijn in het land. Dat is het woord van God dat de profeet Elia aan de koning over moet brengen.
Is droogte een straf van God? Het antwoord op die vraag hangt samen met de manier waarop wij de werkelijkheid om ons heen ervaren. In de tijd dat de profeet Elia leefde hadden mensen geen zicht op ontwikkelingen rond het klimaat. Ze hadden maar één antwoord op vragen over ziekte of rampen: daar moest een mens de hand van God in zien.
Het is ook nog niet zo heel lang geleden dat dezelfde antwoorden in ons deel van de wereld klonken. Een pestepidemie of een choleraepidemie werd in ons land tot in de negentiende eeuw ook als een straf van God gezien. Tot we begrepen dat meer hygiëne een eind maakte aan die ziektes. En van hoeveel kansels zal geroepen zijn dat de watersnoodramp in 1953 een straf van God was?
Dat zult u vanmorgen van deze kansel niet horen. Wij hebben andere antwoorden op zulke vragen. We hebben een ander beeld van God. We geloven immers ook niet meer dat de aarde plat is, zoals iedereen dacht in de tijd dat de profeet Elia leefde. We hebben een andere ervaring van de werkelijkheid om ons heen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat we in die andere werkelijkheid niets meer van God kunnen ervaren. Het verhaal waar we vanmorgen naar luisteren heeft ook ons, in onze ervaring van de werkelijkheid, meer dan genoeg te bieden, denk ik.
Dan moeten we ons alleen niet laten verleiden tot heftige gesprekken die niet verder komen dan de vraag: Is dit letterlijk precies zo gebeurd of niet? Soms zijn de meest inspirerende, de meest prachtige verhalen uit de Bijbel de bron geweest voor de meest verschrikkelijke gesprekken over het geloof in God. Gesprekken waarin mensen tegenover elkaar staan met rode hoofden. Gesprekken waarin het gaat over gelijk hebben, en of iets wel of niet echt gebeurd is.
Dat die vraag opgeroepen wordt is niet zo vreemd bij een bijbelgedeelte waarin verteld wordt over bijzondere dingen. We horen over meel en olie die niet opraken. Dat zijn niet bepaald dingen die vanzelfsprekend zijn. Misschien moet dat ook als eerste gezegd worden in een woordenstrijd over wonderen: dat ze niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is niet letterlijk zo gebeurd. Er gebeuren dingen die niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet ook gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is letterlijk zo gebeurd. Een wonder, daar moet je niet over praten alsof het zo vanzelfsprekend is als een recept voor appeltaart.
En dat moeten we zeker vanmorgen niet doen. Want we hebben gehoord over het wonder van het meel en de olie die niet opraken. Maar ik geloof dat ons vanmorgen veel meer wonderen verteld worden dan dat ene. Het is maar net of je het wilt zien, het wonder in ons leven. Mensen zijn daarin heel verschillend, mogen dat, denk ik, ook zijn. En wat ons vanmorgen geopenbaard wordt is, geloof ik, vol wonderen. Ik luister met verwondering. Ik luister met verwondering naar de opdracht die de profeet Elia krijgt van God.
Hij krijgt om te beginnen de opdracht om naar de overkant van de Jordaan te gaan. Daar zal hij een plek vinden waar het leven nog leefbaar is. Daar licht iets op van een ander beeld van God dan een god die vanuit de hemel, op grote afstand, de mensen en de wereld met harde hand bestuurt. Daar licht het beeld op van God die voor mensen zorgt. God die de vlam van de hoop in mensen levend houdt. God die mensen de moed geeft om vol te houden. God die mensen inspiratie geeft om onverwachte wegen te vinden die hen in het leven verder helpen. En de natuur helpt een handje mee. Dat kan ons er aan herinneren dat we ons leven niet los moeten zien van de natuur. Ik moet denken aan de enorme terugval van het aantal insecten in ons land. Geen insecten betekent geen bevruchting van bloemen, planten, gewassen. Zonder hulp van de natuur loopt het leven gevaar. Met hulp van de natuur gaat het leven van Elia verder.
Maar daar stopt het verhaal niet. Hij moet verder. Hij moet naar het plaatsje Sarefat. Dat ligt vlak onder de grote, machtige stad Sidon. Sidon, de stad waar Izebel vandaan komt, de koningin die haar man Achab op weg stuurt in een godsdienst die het recht van de sterkste belijdt. Elia moet naar het hart van het land waar zij vandaan komt. Is dat veilig? Is dat verstandig? Wat moet hij in dat land? Wat moet hij met die mensen? Zulke vragen duiden aan in welke valkuil wij mensen, geloof ik, wel vaker trappen. De valkuil van algemene praatjes en vooroordelen. We praten over landen, en volken, en hele groepen mensen in het algemeen. We hebben het over Marokkanen, en over Turken, en over vluchtelingen. En in alle woorden wordt hoorbaar: blijf er maar ver vandaan. In de Bijbel klinkt de stem van God tot Elia: ga naar Sarefat, dat tot Sidon behoort. Want daar zul je iemand ontmoeten die een mens naar mijn hart is.
Dat vind ik ook zal zo'n wonder: dat je mensen tegenkomt die voor een ander willen zorgen. "Ik heb daar een weduwe geboden u te verzorgen", zo horen we de stem van God. Dat nodigt ons natuurlijk niet uit om over God te denken als een sergeant voor het gelid van de troepen, die een vrijwilliger aanwijst. Nee, maar God maakt liefde en betrokkenheid in mensen wakker, God maakt dat mensen hun portemonnee trekken, hun deur open zetten. God maakt dat mensen hun leven met elkaar willen delen. Niet omdat ze zoveel bezitten. Nee, alleen omdat ze willen delen. Zo hoor je oude Amsterdammers met weemoed vertellen over de Jordaan, voor de oorlog. Nee, ze hadden het vreselijk arm - er was nauwelijks wat te eten. Maar het was zo gezellig - mensen deelden het weinige dat ze bezaten, mensen deelden hun leven met elkaar. Een wonder, in onze tijd van individualisme. Mensen zijn bereid te delen wat ze bezitten, zelfs al lijkt er helemaal niets meer te zijn. In Beiroet, in Libanon, gebeurt dat wonder dagelijks, denk ik.
En dan gebeurt er weer iets waar ik met verwondering naar luister. Niets heeft de weduwe meer. Ze maakt haar laatste broodkoek klaar. En dan zit er voor haar en haar zoon niets anders op dan te wachten op de dood. Ze brengt haar zorgen en haar angst onder woorden. Ze deelt zelfs haar machteloosheid met een ander mens. Dat moet in onze ogen, mensen van een tijd waarin het gaat over grenzeloze mogelijkheden en "alles moet kunnen" toch wel haast een wonder zijn: dat mensen hun machteloosheid met elkaar delen. En juist daar, waar het leven dat wonder laat zien, zie je ook dat God nieuwe wegen wijst. In dit verhaal wordt dat ons geopenbaard door het beeld van het meel dat niet opraakt, de olie die niet ontbreekt.
Dat kun je zo opvatten dat je zegt: het verhaal laat ons zien dat je met heel weinig heel ver komt, als je maar bereid bent om te delen. Ik heb ook eens iemand horen zeggen: mensen waren zo onder de indruk dat die weduwe nog gastvrij kon zijn in haar armoede, dat ze het aan meel en olie niet lieten ontbreken. Het werd aan huis bezorgd. Je kunt ook zeggen: er gebeuren wonderen, dingen die onze zintuigen en ons verstand te boven gaan, maar ze gebeuren, dus waarom zou dit niet letterlijk zo gebeurd kunnen zijn? Als we dit maar vast houden: de Bijbel openbaart ons het wonder van Gods liefde, die voor het leven van de mensen, zijn kinderen, wil zorgen.
De Bijbel openbaart ons het wonder van Gods zorg, die ons leven op nieuwe wegen brengt, wegen waarop de verwondering doorgaat. De verwondering over het vertrouwen waarmee de weduwe leeft. Want als de profeet haar zegt dat ze eerst iets voor hem klaar moet maken, en daarna iets voor haar zoon, dan gebeurt het ook zo. Ze wordt niet geleid door de angst of er voor haar dan nog wel genoeg overblijft. Ze vertrouwt dat God voor haar leven zal zorgen, en ze doet wat haar hand vindt om te doen. Net als die andere weduwe, over wie we horen in het Evangelie naar Marcus. Ze geeft alles wat ze heeft. Letterlijk staat er: ze geeft heel haar leven. Ze vertrouwt haar leven toe aan de zorg van God.
Zo leert de Bijbel ons te geloven, tegen allerlei andere vormen van geloof in. De Bijbel verkondigt ons geen geloof van regeltjes en dogma's, van angst en doem. De Bijbel verkondigt ons het geloof in God die woorden spreekt van nieuw leven, die ons leven nieuwe wegen wijst, die voor ons zorgen wil. Dat is het perspectief van ons leven. Moge het grote wonder van Gods liefde en zorg de inspiratie voor ons leven zijn. In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.