Scheepje-27sep-CWvdM

Overdenking op 27 september 2020 – Ontmoetingskerk
Lezingen: Psalm 107: 23-32, Mattheus 8: 23-27 (hoofdlezing)
Thema: Scheepje

Gemeente van Jezus Christus,

Een scheepje. Waar staat dat symbool voor? Ouderen kennen het wellicht uit het oude lied Scheepje onder Jezus’ hoede. Misschien kennen we het symbool dat we op het scherm zien ook als het logo van de Wereldraad van Kerken. De kerk heeft wereldwijd gekozen voor het beeld van een scheepje om iets te laten zien van het beeld dat de kerk van zichzelf heeft. Een scheepje op de golven. De golven van de tijd. Alles wat er in de loop van de eeuwen aan woeste bewegingen is geweest. Zoveel momenten dat de kerk in die woeste bewegingen ten onder leek te gaan. Bedolven onder de golven van eeuwen. Maar de kerk is er nog. Wij zijn er nog. Niets als een oceaanstomer. Niet als een pantserkruiser of een vliegdekschip. Maar als een klein, kwetsbaar scheepje dat behouden blijft op de wereldzee, door alle eeuwen heen. Behouden, omdat er Eén aan boord is die garant staat voor het behoud van wie Hem willen volgen.
Volgen, navolging, dat is waar het evangelieverhaal over gaat waar we vanmorgen naar luisteren, geloof ik. Geloven is niet alleen luisteren naar de woorden die Jezus spreekt. Geloven betekent ook dat je Jezus volgt op de weg die Hij gaat. Dat maakt de evangelist Mattheus in zijn Evangelie heel duidelijk. We hebben in de voorgaande hoofdstukken een heleboel woorden gehoord. Hoofdstuk 5, 6 en 7 van dit Evangelie vormen één lange toespraak van Jezus. De Bergrede. Maar dan vertelt Mattheus, aan het begin van hoofdstuk 8, dat Jezus van de berg afdaalt. Grote mensenmassa’s volgden Hem, horen we. En ze zien hoe Jezus de daad bij het woord voegt. Mattheus vertelt over een hele reeks genezingen. Mensen die ziek zijn, die gemeden worden. Jezus verbindt zich met hen, Hij geneest hen. En als Hij aan het eind van die reeks genezingen om zich heen kijkt ziet Hij de mensenmassa om zich heen. En dan geeft Hij bevel naar de overkant te varen.
Wie Jezus willen volgen moeten met Hem mee naar de overkant. Wat zou er met die overkant bedoeld worden? Ik denk niet dat er alleen mee bedoeld wordt: de andere kant van het meer van Galilea. Dit gedeelte van het verhaal speelt zich wel af in de streek Galilea, maar het meer is nog niet één keer genoemd. Ik denk dat de overkant verwijst naar iets heel anders. De overkant verwijst naar een andere manier van leven. Wie Jezus wil volgen kiest voor die andere manier van leven. En dat is niet iets dat een mens zomaar even doet. Het is geen makkelijke stap.
Dat hoor je Jezus zelf zeggen. Er komt een schriftgeleerde die zegt: ‘Meester, ik zal u volgen waarheen u ook gaat’. ’De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen’, zegt Jezus. Wie Jezus volgt zal niet altijd een gespreid bedje vinden. De schriftgeleerde gaat niet mee aan boord, op weg naar de overkant. Dat geldt ook voor de man die zegt Jezus te willen volgen, maar die vraagt of hij eerst zijn vader kan begraven. ’Volg mij en laat de doden hun doden begraven’, zegt Jezus. Dat moeten we niet letterlijk nemen. Het betekent dat je al het oude achter je moet laten wanneer je Jezus wilt volgen. En ook die man gaat niet mee aan boord op weg naar de overkant. Niet iedereen wil het schip in met Jezus. Alleen de leerlingen van Jezus volgen Hem wanneer hij in de boot stapt.
En het is meteen raak. Het meer begint enorm te kolken, horen we in de vertaling. In het Grieks staat het er nog een beetje heftiger. Er staat dat er een grote aardbeving in de zee is. Dat Griekse woord komen we ook tegen op een paar andere plaatsen in het Evangelie naar Mattheus. We horen erover wanneer Mattheus vertelt dat Jezus sterft aan het kruis. De aarde beeft dan, de rotsen scheuren. En de Romeinse hoofdman en zijn soldaten zien die aardbeving en zeggen: ‘Werkelijk, Hij was de zoon van God’. En een hoofdstuk verder horen we weer over een grote aardbeving, wanneer een engel uit de hemel neerdaalt en de steen voor het graf van Jezus weg rolt. Mattheus vertelt dus niet over zomaar een storm op zee. Hij vertelt over een gebeurtenis die het hele leven overhoop gooit. Een gebeurtenis waardoor het leven op z’n grondvesten staat te schudden. Een gebeurtenis waarbij het gaat over leven of dood. De boot wordt bijna door de golven verzwolgen, vertelt Mattheus. Het scheepje lijkt te vergaan.
‘Maar Jezus sliep’, horen we. Dat is natuurlijk geen onverschilligheid. Het is rust. Het is de rust van vertrouwen. Vertrouwen dat er een kracht is die het leven gaande houdt door alle golven van de tijd heen. Vertrouwen dat het scheepje niet ten onder zal gaan. Het is op weg naar de overkant. De mensen die Jezus volgen zijn op weg naar een andere manier van leven. Een leven dat Jezus getekend heeft in de woorden van de Bergrede. Een leven dat door liefde geregeerd wordt. En dat is een kracht die nooit ten onder zal gaan. Een scheepje dat op die koers vaart zal niet vergaan. Wat er ook gebeurt.
Dat kun je nou wel zeggen. Maar intussen slaat de schrik je toch om het hart. Al ben je honderd keer leerling van Jezus, al heb je bewust besloten om met Hem op weg te gaan naar de overkant, al wil je niets anders dan die andere manier van leven, waar Jezus ons het uitzicht op geeft, de angst overvalt je. ’Red ons toch, we vergaan’, roepen de leerlingen van Jezus. Ze maakten Hem wakker omdat hun angst groter was dan zijn rust. De leerlingen zijn ook maar mensen, net als wij. Er gebeuren dingen rond het scheepje van de kerk, door de eeuwen heen, die maken dat we ons hart vasthouden.
Dat is door de eeuwen heen nooit anders geweest. De eerste generaties christenen hebben hun hart vastgehouden toen de vervolging losbrak en veel christenen werden verbannen of geëxecuteerd. Er was angst toen strijdlustige Germaanse stammen West-Europa binnen vielen aan het begin van de Middeleeuwen. Een volksverhuizing. Zou de kerk dat overleven? Er was angst voor het voortbestaan van de kerk toen macht en corruptie de kerk verziekten en pausen vaker in een harnas dan in een habijt te zien waren. Er sloegen golven over het scheepje heen toen de inquisitie te keer ging en de brandstapels opflakkerden in Europa. Er was angst toen de wereld werd geteisterd door de storm van het nazisme en het fascisme en de kerk niet altijd sterke knieën bleek te hebben. We zien in onze tijd de ontkerkelijking en vragen ons bezorgd af of de kerk dat overleeft. En vandaag de dag wordt er heel wat afgepiekerd over de toekomst van de kerk nu de golven van het coronavirus over het scheepje heen slaan. ‘Red ons toch, we vergaan’, roepen we met z’n allen.
‘Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen?’ Dat is de reactie van Jezus. Dat zijn geen bestraffende woorden. Het zijn bemoedigende woorden. Het zijn woorden die de bron van levensmoed in ons willen ontsluiten. Een bron die door angst wordt dicht gestopt. Angst sluit alles af. Angst vervreemdt ons van het leven, van elkaar, van God. Wees toch niet zo bang. Er is reden om meer te vertrouwen. Vertrouwen te hebben in het leven. Vertrouwen te hebben in de liefde. Vertrouwen te hebben in Jezus, in wie we Gods aanwezigheid in ons leven mogen herkennen. God die alle machten te boven gaat. God die garant staat voor de macht van de liefde die zich door geen storm omver laat blazen, die zich door geen golven weg laat spoelen. God die in Jezus met ons meegaat op weg naar de overkant, naar een leven waar liefde regeert. In de taal, de cultuur en de belevingswereld van die tijd horen we hoe Jezus laat zien hoe groot de macht van de liefde is. Hij sprak tot de wind en het water, de machten van de chaos, en het meer kwam geheel tot rust. Er is een macht die groter is dan elke storm. Er is een macht die ons gaande houdt, wanneer we Jezus willen volgen op weg naar de overkant. Er is een macht die ons leven draagt wanneer we op zoek blijven naar het land waar de liefde regeert.
Daar kijken we altijd weer verwonderd van op. Want er is zoveel in de geschiedenis, zoveel in de wereld om ons heen dat een andere kant op wijst. Het lijkt er zo vaak op dat het recht van de sterkste het pleit beslecht. Trump, Poetin en Xi Jing Pin roepen om het hardst dat zij al een vaccin hebben tegen het coronavirus. Om maar een voorbeeld te noemen. Ze proberen de hele wereld naar hun hand te zetten. Maar hun geroep is als het geloei van de storm. Ze hebben niets in handen. Ze hebben alleen gebalde vuisten. Uiteindelijk bereiken ze niets. Ze zinken weg in de golven van de tijd. Maar altijd weer zien we door de eeuwen heen de mensen die Jezus willen volgen. Zij hebben geen gebalde vuisten. Soms zijn ze bang. Maar ze voeden hun vertrouwen door het goede nieuws in het Evangelie. Ze zien wat Jezus doet. Ze verwonderen zich. ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water hem gehoorzamen?’
Wat is dit voor iemand die zoveel liefde uitstraalt? Wat is dit voor iemand die alles over heeft voor wie Hem willen volgen? In hun verwondering openen ze hun handen die ze van angst krampachtig gesloten hielden. Ze durven hun handen te openen en naar anderen uit te steken. Ze verbinden mensen met elkaar door de kracht van de liefde. En zo zijn ze op weg naar de overkant. In het scheepje waar de leerlingen van Jezus aan boord zijn gegaan. Het scheepje dat niet zal vergaan. Daar mogen we op vertrouwen. Omdat Jezus als eerste aan boord is gegaan. En wij Hem mogen volgen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.