Protestanse Gemeente Naaldwijk

Overboord- 29 juli 2018- ds. Carel van der Meij

Overdenking op 29 juli 2018
Lezingen: Jona 2 (hoofdlezing) en Marcus 6: 45-52
Thema: Overboord
Gemeente van Jezus Christus,
Er is iemand die het boek Jona een keer vergeleken heeft met een lachspiegel. Het lijkt misschien een vreemde gedachte, om een Bijbelboek te vergelijken met een lachspiegel, maar het lijkt mij goed om die gedachte toch niet te snel los te laten. Want de verhalen uit de Bijbel hebben vaak de functie van een spiegel. We zien in die verhalen niet alleen hoe anderen op weg zijn in hun leven, hoe andere mensen hun weg zoeken, met of zonder God. We zien in die verhalen vaak ook ons eigen leven weerspiegeld. Bijbelverhalen helpen ons naar ons eigen leven te kijken, leren ons de vraag te stellen wie we zijn, hoe we onderweg zijn, hoe ons leven in verband staat met de andere mensen, met God.
Die functie heeft het boek Jona zeker, denk ik. En daar komt dan bij dat het boek Jona vol humor zit. Het is geen dijenkletser, maar het boek Jona zit vol met fijnzinnige humor. Humor die de vrome gelovige keer op keer te kijk zet. Een beetje belachelijk maakt ook, soms. Het boek Jona helpt ons om onszelf als gelovige niet al te serieus te nemen. Daarom heeft dit boekje ook een plaats gekregen tussen de boeken van de profeten. Een profeet is iemand die ons iets te zeggen heeft, namens God. Het woord profeet is afgeleid van een werkwoord dat betekent: spreken in plaats van. Een profeet spreekt namens God. Een profeet heeft een opdracht. Een profeet spreekt over de weg die God ons mensen wijst, en roept ons steeds weer op naar die weg terug te keren. En een profeet spreekt namens mensen die geen stem krijgen in deze wereld. Mensen die vergeten en onderdrukt worden. En die zo het teken zijn van alle goddeloosheid die soms in deze wereld, en in ons eigen leven kan heersen.
Het boek over de profeet Jona bepaalt ons bij de werkelijkheid van Gods recht en Gods liefde. Want mensen nemen vaak het recht in eigen hand en daarbij wordt de liefde nogal eens vergeten. Het boek Jona wijst ons op de valkuil waar gelovigen door de eeuwen heen vaak in gestapt zijn. De valkuil van de gedachte dat zij de ware gelovigen zijn. En dat alle andere mensen het bij het verkeerde eind hebben en dus ver van God verwijderd zijn. In het boek Jona horen we dat God betrokken is bij het leven van álle mensen. Dat God voor alle mensen het goede wil. En dat niemand moet denken een treetje hoger te staan voor het aangezicht van God. Is er dan geen uitverkoren volk? Zeker is dat er. Het Joodse volk is het door God uitverkoren volk. En waar de apostel Paulus de christelijke gemeente het nieuwe Israël noemt zou je die gedachte ook voor de christelijke kerk kunnen gebruiken. Maar uitverkoren zijn betekent niet je dat voorgetrokken wordt. Uitverkoren zijn betekent dat je bedoeld bent als een licht voor de volken. Geen steen waar mensen over struikelen. Maar een baken van hoop en redding.
Die roeping is door de eeuwen heen niet altijd even goed verstaan. Niet door het volk Israël. En zeker niet door de christelijke kerk. De kerk is door de eeuwen heen eerder bekend geworden door de priemende wijsvinger dan door de geopende armen. Als de kerk van die kwaal wil genezen zullen we de ziekte eerst bij de naam moeten noemen. En het boek Jona is in mijn ogen een goed geneesmiddel tegen die kwaal. Zo is het ook in de verzameling heilige boeken van de Joodse traditie gekomen, en langs die weg in de Bijbel. Als een geneesmiddel tegen de kwaal van de vrome zelfgenoegzaamheid. Als een waarschuwing tegen het gemakkelijke oordeel van mensen die zichzelf zien als uitverkoren door God, en de rest van de mensheid als brandhout voor de hel. Jona is zo’n vrome, die genoeg heeft aan zichzelf. En hij wordt in dit boek in al zijn vroomheid te kijk gezet. Zo kunnen we het boek Jona lezen. Niet als een historisch verslag. Maar als een gelijkenis die ons helpt ons leven te zien zoals het echt is, met de juiste verhouding tot God en tot elkaar.
Is er dan geen grote tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen? Het boek begint toch met een opdracht van God aan de profeet Jona om de ongelovigen eens flink de oren te wassen? Hij moet naar Ninevé, die grote stad. Het woord ‘groot’ gaat niet alleen over de omvang van de stad. Het zegt ook iets over wat de naam van die stad bij mensen opriep. Ninevé was in die tijd het symbool voor de grootste vijand van het volk Israël. Het was de hoofdstad van het rijk van Assyrië. Een rijk van wrede veroveraars en onderdrukkers. Jona wordt geroepen om dat onrecht aan te klagen. Het onrecht van zelfoverschatting. Het onrecht van de aanbidding van grenzeloze macht. Wat dat betreft zijn de geluiden, die we horen uit de mond van de grote machthebbers van onze tijd, niet nieuw. En de opdracht van God is om die machten tot de orde te roepen. Dat betekent niet dat Ninevé plat gegooid moet worden. De opdracht is een aanklacht te laten horen, niet een vernietigend oordeel uit te spreken. De stad moet tot de orde worden geroepen, anders gaat Ninevé aan haar zelfoverschatting te gronde.
Misschien is dat wel wat Jona, in al zijn vroomheid, doet besluiten om geen boodschap aan de opdracht van God te hebben. Er zijn veel mensen die denken dat Jona op de vlucht ging omdat hij er voor terugschrok om in Ninevé een aanklacht te laten horen. Het lot van een profeet is vaak hetzelfde als het lot van een klokkenluider. Ze worden verguisd en zwart gemaakt. Het leven wordt ze onmogelijk gemaakt. Maar het is de vraag of angst voor dat lot Jona ertoe brengt om op de vlucht te gaan. Jona, zijn naam betekent ‘duif’. Maar hij zou liever een havik zijn. Hij krijgt de opdracht om Ninevé tot inkeer en omkeer te brengen. Maar hij laat de stad liever doormodderen in het spoor van onrecht. Zodat het spoor van Ninevé tenslotte doodloopt. Jona weet maar al te goed dat God een God van genade is. Daar ziet hij geen profijt in, deze profeet. Hij gaat niet naar Ninevé, hij gaat precies de andere kant uit, naar Tarsis. Hij is niet bang voor de macht van Ninevé, hij wil weg van de Heer. Dat wordt niet voor niets een paar keer herhaald. Het zijn blijkbaar juist de vromen die in de praktijk soms niets van Gods wegen willen weten.
Maar ja, weg van God, dat kan niet. Als we denken voor God weg te kunnen lopen zou het wel eens kunnen gaan stormen in ons leven. Je kunt wel krampachtig proberen God niet aan boord te laten, maar je kunt niet om Gods aanwezigheid heen. Het schip waarin Jona denkt te kunnen vluchten komt niet vooruit, het dreigt te breken. En de bemanning valt ten prooi aan angst. De zeelieden roepen allemaal tot hun eigen God om hulp. Ze hebben allemaal hun eigen god, maar dat is geen reddende god. Het is de keerzijde van hun kwade geweten. Nood leert bidden. Maar angst doet mensen schreeuwen. En dat is wat de zeelieden doen.
Jona, intussen, weet van niets. Hij was in het ruim van het schip gaan liggen en was in een diepe slaap gevallen. Dat kan natuurlijk helemaal niet. Een schip dat slingert en stampt in een zware storm is geen plek waar een mens kan slapen. Die slaap van Jona is symbool voor de manier waarop hij zich afsluit voor de werkelijkheid. Hij sluit zijn ogen voor de zorg en de angst van mensen om zich heen. Dat doet me denken aan een Joods verhaal over een vrome jonge man, die verdiept is in de heilige schrift. In de kamer, waar hij studeert, ligt ook zijn zoontje. Het kind huilt, maar hij trekt zich er niets van aan. Tot zijn vader binnenkomt en hem een draai om z’n oren geeft. ‘Hoor je niet dat je kind huilt?’ ‘Vader, ik was verdiept in de heilige schrift’. ‘Wie de heilige schrift begrijpt, hoort zelfs een vlieg die over de muur kruipt, laat staan een kind dat huilt’.
De vrome Jona krijgt een draai om de oren van de heidense kapitein. De kapitein herhaalt de oproep van het begin: ‘sta op’. Jona was alleen maar afgedaald: naar Jafo, in het schip, in het ruim. Maar hij ontkomt niet aan zijn opdracht, al moet die hier door een heiden uitgesproken worden. Niet dat Jona tot zijn god gaat bidden. Dat komt later pas, in hoofdstuk 2. Nu wordt eerst alleen zichtbaar dat de schepelingen door de vrome in hun midden alleen maar last en ellende te verduren krijgen. Ze werpen het lot om te begrijpen waar ze al die ellende door gekregen hebben. En het lot valt op Jona.
Maar hij wordt niet onmiddellijk over boord gegooid. Blijkbaar zijn de heidenen menselijker dan de vromen vaak denken. Jona moet duidelijk maken wie hij is, waar hij voor staat. En dan komt hij voor het eerst ergens voor uit. Hij vereert God die de hemel gemaakt heeft, die de zee en het land gemaakt heeft. Onze hulp is in de naam van God, die hemel en aarde gemaakt heeft, dat is wat hij daar eigenlijk zegt. Het is een brug te ver om meteen vertrouwen te wekken. De schepelingen worden doodsbang, horen we. Als je die God vereert, hoe heb je dan kunnen doen wat je gedaan hebt, vragen ze. Hoe haal je het in je hoofd om die God tegen te werken? En wat moeten wij nu doen?
Jona geeft een antwoord vol vrome zelfopoffering. Gooi mij maar overboord. Hij erkent in ieder geval dat hij de oorzaak is van alle narigheid. Maar de heidense zeelieden gaan niet zomaar met die vrome gedachte mee. Ze doen eerst wat ze kunnen doen. Ze nemen hun verantwoordelijkheid voor hun medemens serieus. Tot de laatste gram. Doen wat je kunt. Roeien. Maar het gat van het kwaad is niet altijd met onze goede bedoelingen te dichten. Uiteindelijk kan het offer kan niet vermeden worden. In dat opzicht is het boek Jona ten diepste ook een messiaans boek. Hier schijnt al iets door van het offer dat Jezus zal brengen. Het diepste geheim van het leven is het offer. Eén moet op de bres staan voor anderen. Anders komen we er niet uit.
Dat durven de heidense zeelieden nauwelijks te aanvaarden. Maar ze moeten wel. Ze willen niet als goeden onder een kwade lijden. Maar ze zijn ook bang om bloed te vergieten. Wie zal zeggen wie schuldig of onschuldig is? Ze laten het over aan God, die doet wat Hij wil.
Jona gaat overboord. Hij wordt toevertrouwd aan het water waar God de baas over is. En de storm stilt. Dat doet iets met de schepelingen. Er is geen sprake meer van blinde angst, van mensen die naar elke willekeurige god schreeuwen. Er is sprake van ontzag. Zij weten zich gered, op een onbegrijpelijke manier. Hun leven behoort niet meer aan henzelf, hun leven behoort aan die God. Ze binden zich aan die God met beloften. Ze leggen hun leven in zijn handen. Het eerste hoofdstuk van het boek Jona eindigt ermee dat de heidenen het goede voorbeeld geven. Een voorbeeld om te volgen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.