Protestanse Gemeente Naaldwijk

Weer aan land- 5 augustus 2018- ds. Carel van der Meij

Overdenking op 5 augustus 2018
Lezingen: Jona 2 (hoofdlezing) en Lukas 18: 1-8
Thema: Weer aan land
Overdenking
Gemeente van Jezus Christus,
Er is een grap van de cabaretier Fons Janssen, zaliger nagedachtenis, waarin hij vertelt dat een groep Amerikaanse toeristen wordt rondgeleid in het Heilige Land. Eén van de attracties van de rondleiding is de herberg waar de barmhartige Samaritaan zorg en onderdak had geregeld voor de man die hij halfdood had opgeraapt langs de kant van de weg. Een grapje van de gids. Maar je zou er zomaar in kunnen trappen. Wanneer je vergeet dat die herberg nooit bestaan heeft. Omdat het verhaal dat Jezus vertelt een gelijkenis is. Een verhaal dat niet in een geschiedenisboek te vinden is. Maar in het levensboek waarin God ons mensen openbaart wat het geheim van geloof en leven is. In een gelijkenis gaat het niet om dingen die vroeger gebeurd zijn. Het gaat om de mensen die wij nu zijn. De weg die wij nu gaan. In de hele Bijbel zijn keer op keer gelijkenissen te vinden, zoals ook Jezus die vertelde. Gelijkenissen die ons helpen de vraag te stellen wie wij zijn als mens. Wat er deugt in ons leven. En wat er niet deugt.
Het hele boek Jona kun je lezen als zo’n gelijkenis. Geen boek met een historische inhoud. Maar een boek met een profetische boodschap. Een boek dat ons waarschuwt tegen de neiging onszelf in een beter daglicht te zien dan mensen die anders zijn dan wij. Mensen die anders leven. Mensen die anders geloven. In de Bijbel kom je boeken tegen waar die mentaliteit uit spreekt. Het zijn boeken die vertellen over de periode dat het Joodse volk terugkeert uit de ballingschap in Babylonië. Terug in Jeruzalem proberen ze de stad en de tempel weer op te bouwen. We lezen er over in boeken als Ezra en Nehemia. Maar zoals altijd dreigen mensen in hun goede bedoelingen soms door te schieten. De Samaritanen, een verwant maar niet zuiver Joods volk, mogen niet helpen bij de wederopbouw. Er wordt gewaarschuwd tegen gemengde huwelijken. Maar gelukkig klinken er stemmen die tegenwicht bieden tegen die doorgeschoten vroomheid. Je hoort die stemmen in een boek als Prediker. En zeker hoor je die stemmen in het boek Jona, dat hoogstwaarschijnlijk in diezelfde tijd geschreven is, na de terugkeer uit de ballingschap van het Joodse volk. De heidenen komen in dit boek een stuk sympathieker over dan de vrome Jona.
Al betekent dat natuurlijk niet dat de naam van Jona wordt geschrapt in het boek met de namen van Gods kinderen. Maar Jona wordt wel een tijdje apart gezet om eens goed na te denken over de weg die hij gekozen heeft. Het is niet voor niets dat het boek Jona in de Joodse traditie een plek gekregen heeft in de lezingen op de Grote Verzoendag. De woorden van het boek Jona roepen ons op tot bezinning en berouw over wat we gedaan hebben. God laat Jona niet aan zijn lot over wanneer hij overboord wordt gegooid. God laat hem niet los. Maar hij zet hem wel op z’n plek. Een plek die Jona dwingt zich te bezinnen. Een plek waar hij niet zomaar weg kan. Drie dagen en drie nachten zit hij daar, vol van gedachten over schuld en onheil. Op een plek waar een mens niet thuishoort.
Ook in de christelijke traditie heeft het boek Jona een bijzondere plek gekregen, zeker dit tweede hoofdstuk. Het wordt vaak gelezen in de nachtelijke viering van de Paaswake, wanneer we horen dat Jezus drie dagen in een graf lag, neergedaald naar de hel, zoals het in de Apostolische Geloofsbelijdenis staat. En opgestaan, op de derde dag.
Maar dat opstaan is nu juist wat Jona niet gedaan heeft. God heeft hem opgewekt om op te staan. Maar Jona is alleen maar afgedaald. Hij is afgedaald naar de laaggelegen havenstad Joppe, hij is afgedaald in het schip, zo wordt het verteld, en hij is afgedaald in het ruim van het schip. En tenslotte is hij afgedaald in de diepte. Daar zit ‘ie. Vervuld van besef hoe hij daar gekomen is. En doordrongen van het feit dat hij daar op eigen kracht niet uit komt. De schrijver van het boek Jona heeft er voor gekozen om dat duidelijk te maken met het beeld van een grote vis, die Jona heeft opgeslokt. In de tijd dat het boek geschreven werd zal niemand daar veel moeite mee gehad hebben. De diepzee was voor de mensen toen een nog veel groter mysterie dan voor ons nu. Maar het gaat in dit boek niet om de vis, hoe groot die ook is. Het gaat om schuld en berouw. En het gaat om verlangen en redding. Dat is wat ons wordt voorgehouden in het boek Jona. Die vis wordt ons niet voorgehouden. Die hoeven we niet te slikken. Al staat het iedereen vrij om dat beeld letterlijk te nemen. Als we maar vasthouden dat het niet om die vis gaat, maar om de ruimte waarin Jona tot bezinning komt.
In die ruimte wordt ons in Jona het beeld getoond van de ware gelovige. Hij moest stevig door elkaar geschud worden voor het zover kwam, maar hier, in het tweede hoofdstuk, in het gebed van Jona, worden ons twee belangrijke thema’s van het geloof voorgehouden. Jona laat zien dat hij besef heeft van schuld. En Jona houdt vast aan zijn verlangen naar God, naar de plek waar hij zich door God gezien weet. Jona verstopt zich niet langer voor het tekort in zijn leven. Maar hij houdt ook vast aan zijn vertrouwen in God die zijn pappenheimers, die ook zijn kinderen zijn, kent. En juist daarom niet los laat. Het vertrouwen overwint de angst. Genade en liefde bevrijden een mens van de last van de schuld.
Het gebed van Jona laat zien dat hij schuldbewust is. Hij is op de vlucht gegaan voor zijn opdracht. Hij wilde weg van God. In het eerste hoofdstuk wordt dat een paar keer herhaald: weg van God. Daar is hij nu. En hij is er treurig aan toe. Diep gezonken. Het water staat tot aan zijn lippen. Misschien wordt zijn situatie nog het best getekend door wat er in vers 6 staat. De vertaling luidt: muren van water storten op mij neer. In het Hebreeuws staat er: de oervloed omringt mij. De oervloed. Dat woord komen we ook tegen in het begin van het scheppingsverhaal. Waar we horen over duisternis en chaos. Over de oervloed die alles bedekt en leven onmogelijk maakt. De oervloed van voor de schepping. Voordat God licht en leven en liefde door liet breken. Jona wilde weg van God. Daar is hij nu. En hij beklaagt zijn lot. Maar hij geeft God niet de schuld. Het is zijn eigen keuze geweest om af te dalen in plaats van op te staan. Het gebed van Jona is een belijdenis van schuld.
En tegelijk is zijn gebed meer. Want geloof in God blijft niet steken in schuld. Wie altijd met het hoofd naar beneden gebogen loopt heeft vergeten dat God verder met ons meegaat dan we vaak durven denken. In het gebed van Jona klinkt ook verlangen door en vertrouwen. Juist nu zijn levensadem hem verlaat komt Jona er toe om te bidden. Juist in het uur van de dood grijpt hij zich vast aan de God van het leven. Hij vertrouwt dat het rijk van de dood niet de plaats is waar een mens thuishoort. Hij hoort thuis in de heilige tempel, in het huis van God. Hij vertrouwt dat God antwoord geeft, juist aan mensen die om hulp schreeuwen. God kent ons, God weet wie wij zijn en hoe wij zijn. God is anders dan de armzalige afgoden, waar Jona niets van moet hebben. Met God valt niet te marchanderen. Hij is niet geïnteresseerd in de schamele verdiensten waarmee mensen hun leven proberen te rechtvaardigen. God is een God van liefde en genade. Hij trekt ons omhoog uit het dodenrijk. Niet om wie wij zijn. Maar om wie Hij is. God is liefde. En daar geeft Jona zich aan over. Dat is het enige dat hem overblijft in de diepte. Dat is ook het enige dat ons leven kan redden.
Voor ons is de vraag of wij Jona dat gebed na kunnen zeggen. Schuld is geen populair thema in de gesprekken die wij voeren. Dat is misschien maar goed ook. Voor je het weet nemen we elkaar de maat en gaan we schuld vergelijken. Een ander is altijd schuldiger dan wij zelf. Als we onze schuld maar niet proberen te verbergen wanneer we contact zoeken met God, in ons gebed. En dan hoop ik dat we het voorbeeld van Jona durven volgen. Jona die eerlijk is en geen lijstje armzalige verdiensten begint op te sommen. Maar die belijdt dat zijn leven staat of valt met de liefde van God, die ons uit de diepte omhoog haalt. Die vertrouwt dat God dat ook doen zal. Die zijn laatste adem gebruikt om God te danken. Dat maakt Jona, die eerst meer dood dan levend leek, nu meer levend dan dood.
Dat betekent niet dat Jona opeens een modelmens wordt. We blijven, zoals de kerkhervormer Maarten Luther ooit gezegd heeft, tegelijkertijd zondaar en gerechtvaardigde. Ook in het vervolg van het verhaal zien we een kant van Jona die niet zo positief is. Net een mens, zal ik maar zeggen. We zien het aan de reactie van de vis. Die spuugt Jona uit. In dat werkwoord zit een betekenis verborgen die met walging te maken heeft. De vis was Jona goed zat. Hij was blij dat z’n klus erop zat. Maar Jona zet weer voet aan wal. Hij krijgt vaste grond onder de voeten. Het droge land dat God geschapen heeft toen hij de oervloed bedwong. Jona mag verder, met vallen en opstaan. Zoveel houdt God van de mensen, zijn kinderen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.