Protestanse Gemeente Naaldwijk

Omkeren- 12 augustus 2018- ds. Carel van der Meij

Overdenking op 12 augustus 2018 - Ontmoetingskerk
Lezingen: Jona 3 en Mattheus 12: 35-41
Thema: Omkeren
Overdenking
Gemeente van Jezus Christus,
Hoeveel ruimte is er in ons geloof en in onze manier van denken voor de gedachte dat God in liefde betrokken is op het leven van álle mensen - niet alleen de mensen die braaf zijn lof zingen, iedere zondag, maar ook de mensen die zich van God noch gebod iets aantrekken. Ik weet het antwoord op die vraag niet, ik stel de vraag alleen maar. En ik doe dat omdat de vertaling van hoofdstuk 3 van het boek Jona, dat we net gelezen hebben, weinig van die ruimte laat zien. ‘Nineve was een reusachtige stad’, horen we. Maar dat staat er niet. Er staat letterlijk: ’Nineve was een grote stad voor God’. Er zijn maar een paar vertalingen die het aandurfden die woorden zo te vertalen. In de oude Statenvertaling staat het zo: ’een grote stad Gods’. De Joodse filosoof en taalgeleerde Martin Buber vertaalde het zo: ’een grote stad voor God’. Bijna alle andere vertalingen hebben er iets anders van gemaakt. Ze hebben in de vertaling Nineve heel groot gemaakt. Reusachtig. Maar ze hebben God weggepoetst. Hoe kan God nou iets met die grote goddeloze stad te maken hebben?
Daarom stel ik de vraag hoe wij daarover denken. En weer kijken we bij het lezen van het boek Jona in een spiegel. Als we Jona zien, zien we onszelf. En mogen we ons afvragen hoe wij als gelovige mensen in het leven staan, hoe we onszelf en andere mensen in verhouding tot God zien staan. Jona had van de mensen in Nineve in ieder geval geen hoge pet op. Hij had weinig voor hen over. Dat laat de verteller van het boek Jona op een subtiele manier weten. Nineve was een grote stad voor God, vertelt hij, je had drie dagreizen nodig om er doorheen te komen. En meteen in de volgende regel komen we het woord dagreis weer tegen. Maar nu is er maar sprake van één enkele dagreis. Jona gaat één dagreis de stad in. Dat vindt hij blijkbaar meer dan genoeg. Ze vertellen het maar door aan elkaar in die grote stad. Daar heeft Jona verder geen boodschap aan.
Daar kun je natuurlijk over zeggen dat dat niet zo vreemd is. De stad Nineve stond voor Joodse mensen symbool voor de grootste vijand, de veroveraar, de overheerser. Moeten we daar zoveel moeite voor doen? Het is heel gemakkelijk om daar met ‘nee’ op te antwoorden. Maar het weerbarstige van het boek Jona is nou eenmaal dat God de opdracht geeft om die moeite wél te doen. Jona zou Nineve het liefst links laten liggen. Maar hij krijgt de opdracht om er te gaan preken. En wat er in hoofdstuk 1 en 2 wordt verteld maakt duidelijk dat hij niet om die opdracht heen kan. Dus wanneer het woord van God opnieuw tot Jona komt, en hem oproept om op te staan en naar Nineve te gaan, dan gaat Jona ook naar Nineve, zoals God hem heeft opgedragen. Blijkbaar heeft de periode van bezinning en berouw, de benauwde periode die wordt beschreven als een verblijf in het ingewand van die grote vis, toch wel iets in Jona veranderd. Het heeft hem gehóórzamer gemaakt. Hij hoort beter.
Maar dat wil nog niet zeggen dat hij God in alles gehoorzaam is en niet langer eigenwijs z’n eigen gang gaat. Dat wordt wel duidelijk wanneer je luistert naar wat Jona in Nineve preekt. Hij maakt niet te veel woorden aan die heidenen vuil. In het Hebreeuws zijn het precies vijf woorden. In de Nederlandse vertaling zeven. Ook een mooi getal. Maar Jona is er gauw klaar mee. Over veertig dagen einde verhaal, preekt hij. En blijkbaar maakt hij daarna ook meteen dat hij wegkomt, want we zien hem in hoofdstuk 3 niet meer terug. Hij heeft z’n onheilspreek afgestoken en verder zoeken ze het in Nineve maar uit.
Heeft Jona dan niet keurig gedaan wat hem door God was opgedragen? Dat is voor mij nog maar de vraag. Wie goed luistert heeft in de voorgaande hoofdstukken niets gehoord over een opdracht om te preken dat Nineve weggevaagd zou worden. In het begin van hoofdstuk 1 horen we Gods opdracht: ’Sta op, ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen, want het kwaad dat ze daar doen is ten hemel schreiend’. Nou gaat die vertaling al te ver, want er staat niet dat Jona Nineve aan moet klagen, er staat dat Jona in Nineve moet roepen, preken, dat het kwaad dat daar gedaan wordt ten hemel schreiend is. Maar er staat niet dat Jona moet preken dat Nineve weggevaagd moet worden. Het kwaad moet weg. Dat wil niet zeggen dat heel die grote stad Nineve van de aardbodem moet verdwijnen.
Ook bij de herhaling van Jona’s opdracht krijgen we dat niet te horen. Aan het begin van hoofdstuk 3 horen we dat Jona de opdracht krijgt om de woorden te preken die God hem geeft. Verder staat er niets. Blijkbaar wordt er van Jona, en ook van ons, gevraagd om te bedenken wat God ons vraagt door te geven aan anderen. Het woord dat Jona zelf gehoord heeft, heeft duidelijk geklonken in de eerste twee hoofdstukken van dit boek. God laat Jona niet los, ook al wil hij van God weg vluchten. Hij laat Jona niet stikken, hoe diep hij ook is gezonken. Hij geeft Jona weer grond onder de voeten, een weg om te gaan.
Dat is het woord dat God voor mensen bestemd heeft. God is geen bron van onheil die er op uit is om leven te vernietigen. God is de schepper van het leven. God wil de mensen vooruit helpen. Dat heeft hij bij Jona gedaan. Waarom zou Hij dat bij de inwoners van Nineve niet willen? God wil het kwaad de wereld uit. Hij wil niet de mensen de wereld uit. Maar dat is een onderscheid dat zijn vrome kinderen niet altijd mee kunnen maken. Jona kiest ervoor zijn boodschap iets minder genuanceerd over te brengen. Nineve zal worden weggevaagd. Punt. Over veertig dagen. Maar die veelzeggende periode van veertig dagen, die we in de Bijbel vaak tegenkomen als een tijd van vasten en bezinning, een tijd die vooraf gaat aan omkeer en bekering, die periode van veertig dagen krijgt bij Jona geen inhoud. Hij geeft geen ruimte voor omkeer. Hij geeft alleen ruimte voor veertig dagen van angstig afwachten tot een onherroepelijk einde.
Maar wie goed luistert hoort dat zelfs de woorden van Jona een ander geluid laten horen. Dat is de humor van de verteller. Hij laat Jona iets zeggen dat hij zelf helemaal niet in de gaten heeft. In de vertaling staat dat Jona preekt dat de stad Nineve weggevaagd zal worden. Het werkwoord dat daar in het Hebreeuws staat betekent iets anders. Het betekent letterlijk: ’omkeren’.  En de grap van dat werkwoord is dat het twee dingen kan betekenen. Iets kan letterlijk omgekeerd worden, op z’n kop gezet. Maar het kan ook betekenen dat iemand omkeert, een andere kant uitgaat. Het kan betekenen dat iemand zich bekeert. Jona roept dat het met Nineve een andere kant uit moet. Zijns ondanks. Want hij zal zich beter thuis gevoeld hebben bij de letterlijke betekenis: zet de zaak maar op z’n kop.
Maar dat gebeurt niet. Want de heidenen in Nineve blijken veel beter naar het woord van God te luisteren dan de vrome Jona. Ze hebben aan die paar woorden van Jona al genoeg. De inwoners van Nineve beginnen meteen met vasten en doen rouwkleding aan als teken van boetedoening. Wat je in de verzen daarna leest is weer een aardig staaltje subtiele humor. Het woord bereikt de koning. Ik weet niet of daarmee het woord van Jona, het woord van God bedoeld wordt. Of dat de koning te horen krijgt wat er aan de hand is. Maar hij geeft bevel dat de mensen moeten vasten en een boetekleed aan moeten trekken. Hij geeft bevel om iets te doen dat de mensen uit zichzelf al lang gedaan hebben. Hij doet het zelf ook. Hij denkt misschien dat hij het voorbeeld geeft. Maar in feite volgt hij het voorbeeld van zijn onderdanen. Blijkbaar zien we eerder iets van God laag bij de grond dan bij de mensen die het hoog in de bol hebben. Maar de koning krijgt nog wel een paar veelzeggende woorden in de mond gelegd. ‘Wie weet’, zegt de koning, ‘wie weet keert God om en heeft hij ontferming, keert hij om van zijn woede en gaan wij niet ten onder’. Twee keer hoor je daar hetzelfde werkwoord: ‘omkeren’. Jona had gepreekt: Nineve wordt omgekeerd. De koning hoopt dat God zich omkeert. En in vers 10 horen we dat God ziet dat de inwoners van Nineve zich hebben omgekeerd en God krijgt berouw over het kwaad dat Hij Nineve had aangezegd. En Hij doet het niet.
Het boek Jona is dus geen boek over een onontkoombaar oordeel dat het vrome volk de heidenen aan moet zeggen. Het is een boek dat laat zien hoe veel ruimte God de mensen, zijn kinderen, wil geven. God keert de zaken maar wat graag om. Het beeld van God is heel wat dynamischer dan het starre beeld dat we door de eeuwen heen vaak van het geloof te zien hebben gekregen. God zou onbewogen zijn, is er door de eeuwen heen vaak beweerd. Onbewogen zijn vooral de dogma’s waarin generaties lang het geloof door mensen bevroren is weggezet. Het beeld van God dat we in het boek Jona te zien krijgen is totaal anders. God is een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. Maar met die woorden loop ik op de zaken vooruit. Want dat is wat Jona zelf zegt in hoofdstuk 4. Alleen wordt hij er niet blij van, maar boos.
God is een God die om kan keren. En juist daarom kunnen ook mensen zich omkeren. Wie had durven dromen dat de inwoners van die grote stad Nineve zich om zouden keren, voor een andere manier van leven zouden kiezen? Mensen dragen die mogelijkheid dus in zich. Het kan anders. Dat vind ik hoopgevend. Ook voor onze tijd en ons leven. We zitten niet in een trein die alleen maar door kan denderen. We kunnen ook uitstappen en een andere route kiezen. We hoeven niet te denken dat we gedwongen zijn om de aarde op te stoken tot het bittere einde, zal ik maar zeggen. We kunnen van het gas af. We kunnen anders leven. God geeft ons de mogelijkheid om ons leven om te keren. Ik hoop dat we leren van het voorbeeld van de heidenen in Nineve. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.