Protestanse Gemeente Naaldwijk

Volgen-30sep-CvdM

Overdenking op 30 september 2018 – Ontmoetingskerk
Lezing: Markus 9: 38-41
Thema: Volgen

Gemeente van Jezus Christus,

Een tijdje terug was ik op een studiedag in het Landelijk Dienstencentrum van onze kerk, in Utrecht. Daar vertelde iemand dat ze met een groepje mensen hadden nagedacht over de vraag hoe we het slechte imago, dat de kerk bij veel mensen heeft, een beetje kunnen verbeteren.
Heeft de kerk dan zo’n slecht imago? Ik ben bang van wel. Bij het laatste onderzoek, in 2015, naar vertrouwen in de samenleving, bleken mensen gemiddeld nog meer vertrouwen te hebben in de banken en de Europese Unie dan in de kerken. Mensen die wel bij een kerk betrokken zijn blijken natuurlijk meer vertrouwen in de kerk te hebben dan mensen die niet bij een kerk betrokken zijn. Maar gemiddeld nog geen dertig procent van de mensen had vertrouwen in de kerken.
Nou kun je natuurlijk zeggen dat dat vooral komt door al die berichten over seksueel misbruik in de Rooms Katholieke kerk. Zelfs de paus zegt dat die wantoestanden de mensen de kerk uit jagen. Maar naar mijn idee maken we ons er als Protestantse kerken dan veel te makkelijk van af. Op de een of andere manier hebben veel mensen geen positief beeld van de kerken.
Terug naar die studiedag waar ik in het begin over sprak. Er was advies gevraagd aan een groep mensen hoe het imago van de kerk verbeterd kan worden. Dat was een groep mensen van buiten de kerk. En één opmerking uit die groep bleef bij mij wel hangen. Een jonge man van nog geen dertig zei dat hij wel iets wist. Zou de kerk niet eens iets met die Jezus kunnen doen, want dat leek hem wel een inspirerende figuur.
Dat is een opmerking om eens goed over na te denken. Je kunt natuurlijk zeggen dat die beste man er helemaal niets van begrepen heeft. De kerk is al tweeduizend jaar met Jezus bezig, toch? Die man weet niet waar hij het over heeft. Maar je kunt het ook omdraaien. Je kunt ook zeggen: blijkbaar is het voor veel mensen buiten de kerk niet erg duidelijk dat het in de kerk allemaal om Jezus draait. In alles wat de kerk doet en onderneemt zouden mensen toch moeten kunnen zien en ervaren dat het hier om Jezus draait. Dat de kerk bestaat uit mensen die Jezus willen volgen. En de kerk, dat zijn wij.
Maar blijkbaar is die duidelijkheid er niet altijd. Blijkbaar ogen we met z’n allen af en toe meer tobberig dan geïnspireerd. En gaat het meer over fatsoen dan over liefde. Geen wonder dat het dan aan vertrouwen ontbreekt. We zijn, denk ik, af en toe iets te veel bezig met de kerk, met ons eigen clubje. Alsof het gaat om de kerk. Maar het gaat niet om de kerk. Het gaat om vertrouwen in God, die zich laat kennen in Jezus. Het gaat om de boodschap van het Evangelie. Die boodschap moet doorgegeven worden. En de beste manier om die boodschap door te geven is om die boodschap voor te leven. Door het voorbeeld dat je in je leven aan je kinderen geeft. Maar ook aan de mensen die op je weg komen. Geloven is een manier van leven.
Dat betekent niet dat de kerk niet belangrijk is. Maar de kerk is een middel, geen doel. De kerk is een middel om met elkaar te leren geloven en leven. De kerk is een oefenplaats. Een plek waar we elkaar kunnen steunen en bemoedigen. Een oefenplaats voor samenleven in liefde. Uitleggen waarom je naar de kerk gaat is niet moeilijker, zal ik maar zeggen, dan uitleggen waarom je naar de sportschool gaat. Maar het echte werk moet gebeuren buiten de kerk. En misschien vergeten we dat wel eens.
Nou is dat geen probleem dat zich pas de laatste jaren voordoet. Als je naar de geschiedenis kijkt zie je dat dat de eeuwen door een probleem geweest is. Regelmatig bleek de zorg voor het instituut kerk zo groot dat het zicht op God daardoor vertroebeld werd. Ik zal jullie niet te veel met kerkgeschiedenis vermoeien. Want we horen het al in de verzen die vanmorgen uit het Evangelie naar Markus zijn gelezen.
De leerlingen van Jezus komen vertellen dat ze braaf hun best hebben gedaan. Ze zagen iemand die demonen uitdreef. In Jezus’ naam nog wel. Nou, ze hebben geprobeerd daar een einde aan te maken. Hij wilde zich niet eens bij ons aansluiten! Een beetje jammer dat dat zo vertaald is, want er staat eigenlijk iets anders. Er staat: want hij volgt ons niet.
Volgen. Dat is wat Jezus vraagt, keer op keer. Volg mij. In het geloof gaat het om navolging van Jezus. Het gaat er niet om dat je ons volgt, dat je een groep volgt, dat je bij een clubje hoort. Het gaat er om dat je Jezus volgt. Dat hebben de leerlingen niet goed begrepen. Ze roepen die man, die demonen uitdrijft, een halt toe. Want hij volgt ons niet. Ze zeggen niet: hij volgt U niet, Jezus. Wat hij doet, doet hij immers in de naam van Jezus. Nee, hij volgt ons niet. Hij hoort niet bij de club. Hij houdt zich niet aan de regels. De leerlingen trekken een strakke lijn. Wie niet aan onze kant van de lijn staat, zit fout.
En wat doet Jezus? Jezus knipt die lijn meteen door. Hij moet niets van dat onderscheid hebben. Er is geen ‘wij’ en ‘zij’. Als iemand iets goeds doet hoort de naam van Jezus daarbij. Het gaat er niet om of iemand er een stempel op zet. Het gaat er om of iemand een ander goed doet, geneest, bevrijdt, troost, helpt. Daar voelt Jezus zich mee verbonden. Met mensen die elkaar tot zegen zijn. Of dat nou binnen of buiten een kerk gebeurt.
Jezus houdt niet van beperking. Hij neemt het ruim. Wie niet tegen ons is, is voor ons, zegt Hij. Dat klinkt bekend, maar dat zinnetje is op een andere manier in ons collectieve geheugen terecht gekomen. We hebben het vaak omgedraaid: Wie niet voor ons is, is tegen ons. Dat is wat de leerlingen van Jezus ervan maken. Ze sluiten de gelederen en sluiten daardoor mensen buiten. Het is precies het omgekeerde van wat Jezus van ons vraagt. Jezus vraagt ons open te staan voor iedereen die goed doet – dat is waar het om gaat, dat is veel belangrijker dan de vraag bij welke club je hoort. Bij welke kerk, welke nationaliteit, welke cultuur. Wie niet tegen ons is, is voor ons.
Toen ik dominee in Voorburg was, was er een ouder gemeentelid die vaak met de tram ging. Hij mopperde wel eens, want op het achterbalkon van de tram stonden vaak jongeren van Noord Afrikaanse afkomst. Als hij door die groep heenliep voelde hij zich nooit zo veilig. En toen viel hij een keer in de tram. Omdat de bestuurder te snel en te hard optrok. Hij viel en hoorde krak. Dat is niet goed. Hij moest de tram uit, maar hoe? Dat probleem werd voor hem opgelost. Vier Marokkaanse jongens kwamen van achter uit de tram. Ze hielpen hem voorzichtig de tram uit bij de volgende halte. Ze belden 112 en vroegen om een ziekenauto. Ze belden zijn vrouw om haar te waarschuwen dat haar man een ongeluk had gehad. En ze bleven bij hem wachten tot de ziekenauto kwam om hem naar het ziekenhuis te brengen. Hij heeft nooit geweten wie die vier jongens waren. Maar hij noemde ze altijd zijn engelen.
Wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden, zegt Jezus. Het gaat niet om kleur of ras of godsdienst of cultuur. Het gaat er om dat mensen elkaar goed doen. Het gaat er niet om dat mensen ons volgen. Het gaat er om dat we Jezus volgen op zijn weg van onvoorwaardelijke en belangeloze liefde.
Dat is wat we hier in de kerk mogen oefenen. Om de warmte van die liefde uit te stralen naar iedereen die op onze weg komt. En om blij te worden van iedereen die probeert een ander goed te doen. Dan gaat het niet langer om wij tegen zij. Dan herkennen we elkaar dankbaar als mensen die de weg proberen te gaan van de liefde die Jezus ons heeft voorgeleefd. Dan zouden er wel eens meer mensen voor ons kunnen zijn dan we ooit dachten. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.