Protestanse Gemeente Naaldwijk

Storm-25nov-EBK

Zondagmorgen 25 november 2018, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Marcus 6: 45-51

preek 20181125 1Afgelopen donderdag was ik hier in de kerk om samen met een paar andere mensen wat dingen door te nemen voor vandaag.
De kaarsentafel hier voorin moest klaargezet worden.
We bespraken hoe we dat het beste zouden kunnen doen.
Telkens worden er vijf namen genoemd.
Als we dan vijf kaarsen op een rij zetten, en de volgende vijf ervoor, en zo verder, dan kan dat heel mooi, telkens vijf kaarsen per rij.
29 namen, plus 1 extra, 30 kaarsen.
Zo hebben we stickertjes met al die namen bij de pennen geplakt. Dan kunnen straks zij die een kaars aansteken, de kaars neerzetten bij die naam van hem of haar met wie zij zich verbonden weten.
Toen ik afgelopen donderdag bezig was met het opplakken van die namen, kwamen al die mensen in gedachten weer voorbij.
Doordat hun naam voorbij kwam, kregen ze weer een gezicht.
De meesten kende ik wel, sommigen alleen als kerkganger, anderen kende ik beter, sommigen heb ik heel goed gekend en soms jaren bezocht.
Als vanzelf kwamen mét die namen allerlei herinneringen naar boven.
Ik zag ze weer voor me, zoals ik ze gekend heb, wie ze waren, hoe ze keken, wat ze zeiden,
soms met een lach op het gezicht, soms met een brok in de keek, soms met tranen in de ogen. Allemaal unieke, kostbare mensen.
Vanmorgen willen we hen gedenken, zullen we hun namen noemen.
Dan zal het ons bij de mensen die we gekend hebben net zo vergaan. Dan zien we hem of haar in gedachten weer voor ons, dan komen de herinneringen.
Het is goed zo, zegt de een. We kunnen in dankbaarheid terugkijken. Het leven was voltooid.
Ik kan er maar niet aan wennen, zegt de ander, ik mis haar of hem nog steeds. Elke dag voel ik het verdriet en de lege plaats. Te vroeg heengegaan.
Ieder heeft z’n eigen manier om om te gaan met het verlies.

Vandaag hebben we het Bijbelverhaal gelezen van de storm op het meer.
Ik vind dat altijd een indrukwekkend verhaal, omdat ik er zoveel in herken uit het leven van mensen, mensen onderweg, onderweg naar de overkant, een overkant, een bestemming (?).
Soms ziet het er zonnig uit, gaat het voorspoedig, gladjes, voel je de wind in de rug,
maar er zijn ook momenten dat je de wind tegen hebt, dat het donker wordt in je leven,
dat het lijkt of alles je tegen zit, dat je de grond onder je voeten voelt wegzinken,
dat je geen hand voor ogen ziet, geen idee hebt waar je naartoe moet, geen idee meer van een overkant, en alleen maar kunt roepen om hulp.
Het tafereel van Jan Toorop heeft als titel meegekregen: ‘Heer, red ons, wij vergaan’.
Een Bijbelverhaal met verschillende lagen.
Het begint aan de overkant van het meer van Galilea.
Jezus zocht daar eigenlijk rust. Hiervoor kunnen we lezen dat Jezus het bericht gekregen heeft dat zijn collega Johannes de Doper dood is, vermoord door de machthebbers.
Jezus zoekt dan rust maar de mensen zijn hem achterna geko¬men.
Nu het donker begint te worden (dat is meer dan een tijdsaanduiding) stuurt Jezus de mensen weg.
Ook zijn leerlingen stuurt hij weg, ze moeten alvast naar de overkant varen.
Jezus blijft alleen achter.
Hij gaat de berg op, lezen we, om er te bid¬den.
Even niks aan zijn hoofd, even stilte, even op adem komen, het verdriet binnen laten komen.
De plaats van handeling is veelzeggend. Een berg.
De berg is in de bijbel vaak de plek waar een mens contact maakt met God. Denk aan de verheerlijking op de berg, aan de verbondssluiting op de Sinai, waar de tien woorden gegeven werden, aan de berg Horeb waar Elia God ontmoette.
De berg is in de bijbel de plek om God te ontmoeten.
Daar bevindt Jezus zich, op de berg, in de sfeer, in de nabijheid van God.
Dan de positie van de leerlingen in de boot.
Bij het vallen van de avond – het wordt donker – was de boot midden (!) op het meer.
De leerlingen bevinden zich op het water, met zwaar weer, midden op zee, op de zee van Gali¬lea.
En zoals de berg in de bijbel de plek is van contact met God, zo is de zee in de bijbel de plek van de machten van de chaos, daar spookt het, daar heersen de machten van de afgrond en de dood, de zee is symbool van het kwade.
De zee is bedreigend, gevaarlijk.
Het is niet voor niets dat in het laatste Bijbelboek Openbaring gezegd wordt dat er in Gods koninkrijk, als het daar gaat over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, geen zee meer zal zijn.
Die plek waar de duistere machten van het kwaad heersen is er niet meer.
De zee. In de bijbel de plek waar dreiging vanuit gaat, om bang van te worden, waar het spookt, waar de duisternis heerst.
Welnu, in het donker zitten de leerlingen midden op zee, geteisterd door de golven, de wind tegen, midden in het domein van de duisternis, overgeleverd aan de machten van de afgrond.
De machten van de afgrond lijken de baas, die nemen hen helemaal in beslag.
Dus: aan de ene kant Jezus, alleen op de berg, in de sfeer, de nabijheid van God,
aan de andere kant de leerlingen, midden in de machten van de duisternis, overgelaten aan zichzelf. God lijkt daar ver weg.
Dan lezen we: “Toen hij (Jezus) zag dat de leerlingen door de hevige tegenwind maar nauwelijks vooruitkwamen, hoe hard ze ook roeiden, liep hij tegen het einde van de nacht over het meer naar hen toe…”
Over water lopen, nee dat kan niet, dat weet ik ook wel.
Als je over water loopt, dan zak je daarin weg, en als je niet uitkijkt, ga je kopje onder.
Dat is in het leven van ons mensen niet anders: er zijn momenten dat je dreigt weg te zinken in de diepte, nauwelijks of niet in staat om zelf het hoofd boven water te houden. Dat is de realiteit. Toch?
In het Bijbelverhaal horen we een tegenstem.
Wat betekent het dat Jezus over het water loopt?
Volgens mij niets anders dan dat Jezus die machten van de duisternis, dat domein van het kwaad de baas is, dat de macht van duisternis en dood niet het laatste woord heeft, dat er iets naar ons toe komt, dat er iemand naar ons toekomt, om ons door het donker heen te helpen.
“Tegen het einde van de nacht liep hij over het meer naar hen toe…”
Dit zinnetje raakt mij, want in dit zinnetje ligt misschien wel heel de boodschap opgesloten.
Eigenlijke staat er: in de vierde nachtwake kwam Jezus naar hen toe.
De vierde nachtwake, dat is het laatste deel van de nacht, maar dat gold ook als het donkerste deel van de nacht. Tegelijk is het vlak voor het aanbreken van de nieuwe morgen.
In die duisternis komt Jezus naar zijn mensen toe.
Alsof ik de boodschap van kerst hoor.
Jezus, zoon van God wordt hij genoemd, die als mensenkind in deze wereld kwam, daar waar de machten van de duisternis en de dood heersen, om mensen de hand te reiken, te redden van de ondergang, om de machten van de afgrond en de dood het zwijgen op te leggen.
Dat is zijn grote liefde, zijn passie voor ons mensen.

Maar als de leerlingen hem over het water zien gaan, schrikken ze zich wezenloos. Ze schreeuwen het uit van angst: Een geestverschijning, een spook!
Omgeven door de machten van de duis¬ternis schreeuwen de leerlingen het uit.
Misschien herkennen we in die leerlingen wel iets van onszelf, van ons eigen leven: je kunt je soms aftobben om vooruit te komen maar het lukt niet, je voelt je omgeven door de duisternis, de macht van de dood lijken heer en meester te zijn, de golven van het leven proberen je naar beneden te trekken, de duisternis ontneemt je elk uitzicht, ook het uitzicht op het doel van de reis.
En God? God lijkt dan ver weg. Hij is er niet. Je kunt hem nergens ontdekken.
Zo ook de leerlingen, ze zien Jezus, maar ze herkennen hem niet.
Ze hebben niet in de gaten dat Jezus naar hen toekomt.
Nee, een spook! Ook dat nog. Het kan niet erger: de dreigende zee, de duisternis, de stormwind, en ook nog een spook.
Ze schreeuwen het uit van angst en verbijstering.
Dit is de totale ondergang, overgeleverd aan duistere mach¬ten.
Maar dan klinkt het bevrijdende woord van Jezus:
Blijf kalm, Ik ben het, wees niet bang!
Ik ben het. Daarmee zegt Jezus méér dan dat hij Jezus is.
Ik ben het. Eigenlijk staat er alleen: Ik ben.
Dat is Góds naam ‘Ik ben die ik ben’, ik ben er, ik zal er zijn, ik ben bij je, wees niet bang.
Wees niet bang, te midden van alle gevaren en dreiging,
wees niet bang, ook niet voor de gevaren die de grenzen van onze wereld te buiten gaan, niet voor de bovenmenselijke machten, niet voor het domein van de dood.
Want Ik ben, Ik ben er, Ik ben er Heer over, en Ik ben bij je.
Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen.
Was het maar zo, Jezus komt binnen en alle ellende is voorbij.
Zo werkt het niet.
En toch, toch vertellen we elkaar elke zondag weer dat verhaal dat duisternis, verdriet en verlies niet het laatste woord zijn,
willen we luisteren naar die stem, die tegenstem, die naar ons toe komt.
“Stem die de stenen breekt,
tijding in duistere nacht,
stem die in stilte spreekt:
Ik ben nabij, wees niet bang.
Mocht ik de leegte zien,
dan delen wij ook die.
Ik zie en hoor je niet,
en ben niet bang: Jij bent hier.”