Digitale Adventskalender dag 7

Elly en Frans Jansen delen vandaag met ons een mooi verhaal. Het is zomaar een verhaal uit de kersttijd. Denk eens na over de vraag: Wat spreekt jou aan in dit verhaal en wat is het bijzondere in dit verhaal?
Hieronder is het verhaal te lezen en in het filmpje leest Elly het verhaal voor.

De Klokkenmaker door Rutb Sawyer

Er woonde in Duitsland eens een kleine klokkenmaker die Hermann Joseph heette. Hij woonde in een kleine kamer met een werkbank, een kast voor zijn hout en zijn gereedschap, een buffet voor zijn bordjes, en een bed op rolletjes, dat onder zijn werkbank stond. Daarnaast stond een krukje en dat was alles, behalve de klokken.

Er waren er wel meer dan honderd: klein en groot, bewerkt en eenvoudig, sommige met houten, andere met porseleinen wijzerplaten, pendules, koekoeksklokken, klokken met en zonder klokkenspel; en die hingen allemaal aan de muur, die je bijna helemaal niet meer kon zien. Voor het éne kleine raam dat er was, stond op een plank de mooiste klok voor de voorbijgangers geëtaleerd. Vaak stonden die stil en dan zei er een: “Kijk, Hermann Joseph heeft een nieuwe klok gemaakt. Dat is de mooiste van allemaal.” En als iemand dan een klok wou hebben, ging hij naar binnen en kocht er een. Zoals ik zei: Hermann was een kleine klok kenmaker. Dat kwam omdat zijn rug gebogen was en zijn benen krom waren. Maar er was geen vriendelijker gezicht in de hele stad dan het zijne en de kinderen hielden van hem. Altijd als er speelgoed gebroken was of een pop een arm had verloren of een been of een oog, dan bracht het onvoorzichtige moedertje die pop regelrecht naar Hermanns winkeltje. “Dit kindje moet beter gemaakt worden”, zei ze dan. “Wil je dat nu voor mij doen?” En waar Hermann ook mee bezig was, hij legde zijn werk opzij, om de gebroken pop te maken; en hij vroeg er nooit een cent voor. “Koop er maar wat lekkers voor, of, nog beter: spaar het maar tot Kerst mis”, zei hij altijd. Nu was het, lang geleden, gewoonte, dat de mensen die in de stad woon den op Kerstmis geschenken naar de kathedraal brachten en die voor Maria en het Kind neerlegden. De mensen spaarden het hele jaar door, zodat ze met Kerstmis iets bijzonder moois konden kopen. En men beweerde dat, als iemand iets bracht dat het Christuskind mooier vond dan welke gave ook, Hij zich op Maria s arm naar voren boog om het aan te pakken. Dit was natuurlijk maar een legende. De oude Herr Graff, de oudste inwoner van de stad, kon zich niet herinneren dat het ooit gebeurd was en veel mensen lachten alleen al bij het idee. Maar de kinderen spraken er vaak over en de dichters maakten er de prachtigste verzen over. Vaak waren er geweldig dure geschenken en de ge vers stonden dan te wachten en toe te kijken en fluisterden dan in zichzelf: “Misschien zal nu het wonder gebeuren.” De mensen die geen geschenken konden geven gingen toch op kerstavond naar de kerk en keken naar de geschenken van anderen, luisterden naar de liederen en bewonderden de branden de kaarsen. De kleine klokkenmaker was één van hen. Vaak hield iemand hem tegen en vroeg dan: “Hoe komt het toch, dat jij nooit een geschenk brengt?” Eens vroeg de bisschop zelf: “Waar is jouw geschenk voor het Kind? Mensen die armer zijn dan jij hebben wel iets gebracht.” En Hermann had gezegd: “Wacht maar, dan zult u eens wat zien, eens zal ik ook een gave brengen.” De waarheid was, dat de kleine klokkenmaker het hele jaar door alles weggaf en er met Kerstmis nooit iets over was. Maar hij had een prachtig idee. Iedere minuut die hij over had bij het klokken maken werkte hij eraan. Het had hem jaren en jaren gekost; niemand wist er iets van behalve Trude, het dochtertje van zijn buren. Trude was van klein meisje een huismoedertje geworden, en nog steeds was het geschenk niet klaar!! Het was een klok, de meest schitterende, de mooiste klok die men ooit had gezien; en ieder stukje was met liefde en zorg gemaakt. De kast, het uurwerk, de gewichten, de wijzers en de wijzerplaat, dat alles had jaren werk gekost. En nu zag Hermann dan dat hij het voor deze Kerstmis kon afhebben als hij zich een beetje haastte. Hij repareerde nog steeds het speelgoed van de kinderen, maar geen gewone klokken meer; daardoor verkocht hij veel minder, vaak was zijn kast leeg en ging hij met een lege maag naar bed. Hij werd alleen een beetje magerder maar zijn gezicht werd steeds vriendelijker. Intussen werd de klok, die het geschenk zou zijn, steeds mooier en mooier. Hij stelde de stal met de kribbe voor; Maria knielde naast de kribbe waarin het kleine Christuskind lag; de deuren stonden open en daardoor kwamen de uren naar buiten. Er waren drie koningen, drie schaapherders, drie soldaten en drie engelen. Als de klok het hele uur sloeg knielden ze om beurten in aanbidding voor het slapende Kind neer, terwijl de zilveren klokjes het Magnificat speelden. “Zie je”, zei de klokkenmaker tegen Trude, “dat betekent, dat we niet alleen op zondagen en feestdagen het Christuskindje moeten aanbidden en ken brengen, maar iedere dag, ieder uur.” De dagen gingen snel voorbij, net zo snel als de wolken die door de wind worden voortgedreven. Toen was de klok eindelijk klaar. Hermann was zo trots op zijn klok, dat hij hem voor zijn raam zette om hem de voorbijgangers te laten zien. Er waren groepen mensen die daar de hele dag stonden te kijken en zich afvroegen of dit nu het geschenk zou zijn waarover Hermann gesproken had. Zijn geschenk op kerstavond voor het Kind. De dag voor Kerstmis kwam. Hermann maakte zijn winkel schoon, wond al zijn klokken op, borstelde zijn kleren en ging toen nog even naar die heel bijzondere klok kijken, om er zeker van te zijn ,dat alles in orde was. Hij zal vast niet afsteken bij al die andere geschenken, dacht hij blij. Hij was zelfs zo blij dat hij al zijn geld, op een stuiver na, aan een blinde bedelaar gaf die zijn huis voorbij kwam. En toen hij zich herinnerde, dat hij sinds het ontbijt nog niets had gegeten, besteedde hij die laatste stuiver aan een kerstappel om die op te eten met een korst brood die hij nog had liggen. De appel legde hij in de kast; als hij gekleed zou zijn zou hij die opeten. Toen ging de deur open en Trude kwam huilend binnen. “Kindje, wat is er aan de hand?” vroeg hij en hij sloeg zijn arm om haar heen. “Mijn man heeft een ongeluk gehad en al het geld dat wij gespaard hadden voor een boom en lekkers en speelgoed heb ik aan de dokter moeten betalen. Hoe moet ik dat aan de kinderen vertellen? Ze hebben de kaars in de vensterbank al aangestoken en wachten op de kerstman. ”De klokkenmaker lachte vrolijk. “Kom, kom, kleintje. Alles komt in orde. Hermann zal een klok voor je verkopen. Er zal heus wel iemand in de stad zijn die een klok nodig heeft; dan hebben we in een ogenblik geld genoeg om drie stukjes speelgoed te kopen. Ga maar naar huis.” Hij knoopte zijn overjas dicht en, nadat hij een van de beste oude klokken had uitgezocht, ging hij het huis uit. Eerst ging hij naar de rijke kooplieden, maar hun huizen waren vol met klokken; toen naar de handelsreizigers, maar die zeiden dat de klok ouderwets was. Hij ging zelfs op de hoeken van de straten staan en riep: “Een klok, een goede klok te koop ”, maar niemand besteedde er enige aandacht aan. Op het laatst verzamelde hij al zijn moed en ging naar Herr Graff zelf. “Wil Uwe Excellentie een klok kopen?” Hij beefde om zijn eigen vrijmoedigheid. “Ik zou het u niet gevraagd hebben als het geen Kerstmis was en ik wil wat geluk voor een paar kinderen kopen.” Herr Graff lachte. “Ik wil wel een klok kopen maar deze niet. Ik wil duizend euro betalen voor de klok die de laatste vier dagen voor jouw raam heeft gestaan.” “Maar Excellentie, dat is onmogelijk!” En de oude Hermann beefde nog veel harder. “Poe! Niets is onmogelijk. Déze klok of geen. Ga naar huis. Over een half uur stuur ik iemand om de klok te halen en je de duizend gulden te betalen.” De kleine klok kenmaker strompelde naar buiten. “Alles maar dat niet, alles behalve dat!” bleef hij maar mompelen. Dat zei hij maar steeds in zichzelf toen hij naar huis liep. Maar toen hij het huis van zijn buren voorbij liep, zag hij de kinderen voor het venster met de brandende kaars, en hij hoorde Trude zingen. En zo gebeurde het, dat de bediende van Herr Graff kwam en de prachtige klok, die het geschenk moest zijn, meenam; maar de klokkenmaker nam maar vijf van de duizend gulden als betaling aan. Toen de bediende de straat uitging, begonnen de klokken van de grote kathedraal te spelen en de straten werden plotseling rumoerig van de vele mensen die naar de kerk gingen om hun geschenk te brengen. “Ik ben wel meer met lege handen gegaan”, zei de klokkenmaker verdrietig. “Ik kan dat nog wel een keer doen.” En weer trok hij zijn jas aan. Toen hij zich naar zijn kast omdraaide om de deur te sluiten viel zijn oog op de kerstappel. Een lachje kroop naar zijn mondhoeken en lichtjes kwamen in zijn ogen. “Het is alles wat ik heb: mijn eten voor twee dagen. Ik zal het aan het Christuskind geven. Tenslotte is dit beter dan met lege handen te komen.” Vredig en mooi was de kathedraal toen Hermann binnenkwam! Duizenden kaarsen brandden en overal was de zachte, zoete geur van dennengroen. Het altaar voor Maria en het kind was vol geschenken. Er waren kostbaarder gaven dan ooit; prachtige zilveren vaartuigen van de zilversmeden; doeken met goud bestikt en doeken van zijden die door de kooplieden uit het oosten werden meegebracht. Dichters hadden hun op perkament geschreven verzen gegeven; schilders hadden hun schilderijen van Heiligen en de Heilige Familie gebracht. De koning had zelf zijn kroon en scepter gebracht en die voor het Kind neer gelegd. En nu kwam de kleine klokkenmaker; hij liep langzaam over het donkere middenpad, terwijl hij zijn kerstappel stijf vasthield. De mensen zagen hem en hij kon ze horen mompelen, steeds duidelijker en duidelijker: “Schande! Zie je wel, hij is te gierig om zijn klok te brengen. Hij bewaart hem zoals een vrek zijn goud. Kijk eens wat hij brengt! Schande!” De woorden bereikten Hermann en hij strompelde blindelings naar voren, zijn hoofd viel op zijn borst en met zijn handen baande hij zich een weg. De afstand leek onmetelijk groot. Nu wist hij, dat hij voorbij de bank was; nu raakten zijn voeten de eerste treden en hij moest er zeven op om bij het altaar te komen. Zouden zijn voeten ooit de top bereiken? “Eén, twee, drie,” telde hij in zichzelf; toen struikelde hij en viel bijna. “Vier, vijf, zes.” Hij was er haast. Nog maar één tree. Het gemompel van “schande!” stierf weg en in plaats daarvan kwam een gemompel van verbazing. Algauw kon hij het duidelijk verstaan. “Het wonder! Dat is het wonder!” De mensen knielden neer; de bisschop hief zijn handen op in gebed. De kleine klokkenmaker, strompelend naar de laatste trede, keek op met zijn doffe ogen en zag het Kind zich in de armen van Maria ver naar hem toe buigen, met de handen uitgestrekt, om het geschenk in ontvangst te nemen.