Bij je naam genoemd-4apr-CWvdM

Overdenking Paasmorgen 2021 – Ontmoetingskerk
Lezingen: Jesaja 43: 1 en Johannes 20: 1-18
Thema: Bij je naam genoemd

Gemeente van Jezus Christus,

Een mens zou er het heen en weer van krijgen, het eerste deel van het evangeliegedeelte dat Wilco heeft voorgelezen. De mensen lopen heen en weer en ze weten niet waar ze het zoeken moeten. Maria Magdalena loopt naar het graf, vroeg in de morgen, het is nog donker. Dat zegt niet alleen iets over het tijdstip, het zegt ook iets over het leven van Maria. Het is donker om haar heen. Het is in haar leven of de dood alles overheerst. Zo gaat ze naar het graf van Jezus. En wat ze daar ziet maakt alles alleen nog vreemder. De steen is weggerold. En daar gaat ze weer. Ze rent nu. Naar Simon Petrus en de andere leerling die Jezus liefhad. Ze delen met elkaar het verdriet, de verwarring, de angst. Ze gaan naar het graf. De een rent nog harder dan de ander. Ze lopen heen en weer en ze weten niet waar ze het zoeken moeten. Maar wat ze zien verandert niets aan hun leven. Het blijft donker en angstig. Ze vinden een leeg graf. Wat ze zien, geloven ze. Zo staat het er over de leerling die Jezus liefhad. Hij zag en geloofde. Maar dat betekent dat hij geen millimeter verder gelooft dan wat hij ziet. Er was hem nog geen licht opgegaan. De boodschap, dat Jezus uit de doden op moest staan, had hij nog niet uit de schrift, de heilige boeken verstaan, vertelt Johannes, achteraf. En daar gaan ze weer, de leerlingen, ze gaan maar weer naar huis.
Het roept bij mij de beelden op van mensen die op de vlucht zijn, met de dood op de hielen. Mensen worden heen en weer gedreven door de macht van de dood, die alle kansen krijgt in een land dat geregeerd wordt door machthebbers die beheerst worden door een vreemde mengeling van kwaad en waanzin. Er heerst duisternis in landen als Syrië of Ethiopië, een duisternis die z'n sluier ook over onze wereld werpt. En we roepen elkaar toe: afschuwelijk, wat ik nu gezien heb, wat ik vanmorgen gehoord, gelezen heb. We halen er anderen bij. En we zien het en geloven het. De dood heerst in deze wereld. Het kan ons overkomen, dat die overtuiging ons leven gaat regeren. Het is een valkuil op onze weg, een valkuil als een graf. Het vergaat ons als de twee leerlingen. We geloven geen millimeter verder dan wat we zien. We gaan maar naar huis. Het maakt allemaal toch niets uit. Goede tijden, slechte tijden.

Zo kan het gaan. Maar dat verhaal is niet het verhaal van de Paasmorgen. Het verhaal van het Evangelie is niet het verhaal van een doodlopende weg. En het verhaal van het Evangelie kan het verhaal van ons leven worden. Dat begint dan weer met Maria Magdalena. Want in het donker ging een vrouw op weg. Een vrouw. Alle Evangelie-verhalen komen op dit punt overeen: het waren vrouwen die vooraan stonden. Als de mannelijke Evangelie-schrijvers het zo hadden kunnen versieren dat Petrus of Johannes de eersten waren geweest, dan hadden ze zich die kans vast niet laten ontnemen. Maar blijkbaar konden ze niet om de vrouwen heen. Een vrouw staat op in het donker en gaat. Maria Magdalena. Het is duister. Alles is woest en leeg. Waar is het licht? Maar die vraag leidt haar niet in de valkuil van de machteloze afkeer en de onverschilligheid. Ze gaat niet naar huis. Ze blijft bij het graf. Ze weigert als het ware zich door de dood af te laten pakken wat ze in liefde ontvangen heeft, hoe verdrietig ze ook is.
En dan komt er licht in de duisternis. Ze buigt zich naar het graf, en ziet twee engelen in witte kleren. Bij het verschijnen van engelen denken wij misschien meteen aan sensatie, de redacties van drie talkshows, zoals dat in goed Nederlands genoemd wordt, staan al met de camera's in aanslag, maar daar is in het Evangelie niets van te merken. De engelen vragen alleen maar: waarom huil je? Als je verdriet serieus genomen wordt heb je misschien wel met een engel te maken. En Maria Magdalena spreekt haar verdriet uit. Ze vertelt over waar ze zich niet bij neer kan leggen, waar ze opstandig van wordt.

En dan breekt in het Evangelie opnieuw een straal licht door. In haar verdriet blijkt er iemand achter Maria Magdalena te staan. Iemand die naar haar verdriet vraagt. Maar ook vraagt: wie zoek je? Want hij begrijpt het verdriet van de radeloosheid. Dat mensen denken dat ze er alleen voor staan in het leven. Dat ze alleen zijn op een doodlopende weg. Dat ze om zich heen kijken of er iemand is die hen kan helpen, kan bijstaan, kan redden. En Maria Magdalena komt in het volle licht te staan omdat haar naam gekend en genoemd wordt, omdat ze een andere metgezel blijkt te hebben dan de dood. Het is Jezus, die bij haar is en haar naam noemt. Ze voelt zich een nieuw mens omdat haar naam met liefde wordt genoemd. Er is iemand die haar kent, iemand die van haar houdt en haar naam noemt. Maria komt in het volle licht te staan omdat ze de stem en de gestalte herkent van liefde die eindeloos is, die zelfs de dood overwint. Ze herkent de gestalte van de meester die haar leven regeert, over de grenzen van de dood heen.
Sleutelwoord in dit verhaal is het woord 'zien'. Het staat er zeven keer. In het Evangelie naar Johannes komt het 22 keer voor. Het heeft altijd te maken met het zien van licht en het herkennen van de Messias - met geloven dus. In dit verhaal is ‘zien’ in eerste instantie niets meer dan waarnemen met je zintuigen, daarna betekent het zoiets als ‘ervaren’, en tenslotte betekent ‘zien’: geloven. "Ik heb de Heer gezien", boodschapt ze de leerlingen, de broeders die nog niet zover zijn. Ik heb de Heer gezien. Ik ben tot zien, tot geloven gekomen. Ze was bij het graf gekomen en ze heeft gezien dat ze daar niets meer te zoeken had. Het leven van Jezus is door geen dood te stuiten en door geen graf vast te houden. Dat heeft ze gezien, dat gelooft ze, en van dat geloof is ze vol.
Dat betekent niet dat we er zijn. We krijgen niet te horen dat Maria zegt: nou, dat is goed afgelopen, we kunnen wel naar huis. Het is niet zo dat we met het geloof op zak onze tijd verder maar wat uitzitten hier op aarde. Raak mij niet aan, zegt Jezus. Ga niet met mij aan de haal. Het Evangelie van de opstanding vertelt ons niet van een "happy end", maar van een nieuw begin. Maria wordt door Jezus op weg gestuurd om iedereen, die zich met hem verbonden voelt, te vertellen dat het zin heeft om op weg te gaan, om Jezus na te volgen op de weg van de liefde. Te vertellen dat die weg toekomst heeft, want zijn Vader is onze Vader, zijn God is onze God, zijn leven is ons leven, zijn toekomst is onze toekomst. Het is aan ons om de naam van de mensen die God op onze weg brengt, met liefde te noemen. Het is aan ons om het licht van het geloof door te geven op onze weg.
We vieren de opstanding van Jezus uit de dood. Niet omdat dat betekent dat alle vluchtelingen van de weg verdwenen zijn, niet omdat alle vragen beantwoord zijn, maar omdat het Evangelie van de opstanding ons nieuwe moed geeft om op weg te gaan. Omdat het Evangelie van de opstanding ons openbaart dat het laatste woord niet is aan de dood, of die nu spreekt met de mond van Nero, Hitler, Poetin of Xi Jing Ping. Het laatste woord is aan de liefde die levend maakt. Zo trekt er een tocht van pelgrims, door de eeuwen heen, op weg naar Gods toekomst. Ze delen verdriet en zorgen, en ze vinden steeds weer nieuwe moed in hun geloof, omdat er iemand is die hen bij de naam noemt, iemand die hen door zijn grote liefde over de barrière van kwaad en zonde heen tilt, iemand die de hemel op aarde brengt, die de mensen bij God brengt. Hij noemt hen vol liefde bij hun naam, en zij noemen hem: meester. En laten zich door hem op weg sturen, als pelgrims die geloven in nieuw leven, pelgrims van geloof, hoop en liefde. Mogen wij zulke pelgrims zijn. Omdat er bij ons al eens iemand is opgestaan van de doden. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.