Op zoek naar waarheid-16mei-CWvdM

Overdenking op 16 mei 2021 - Ontmoetingskerk
Lezingen: Jozua 1: 6-9 en 1 Timoteüs 4: 1-5 en 11-16
Thema: Op zoek naar waarheid

Gemeente van Jezus Christus,

Stel dat ik vanmorgen vanaf de kansel een betoog zou houden dat het instituut van de slavernij helemaal zo verwerpelijk niet is, dat het heel normaal is dat er slaven zijn en dat die vooral hun best moeten doen om hun meesters te gehoorzamen. Of dat ik zou beweren dat vrouwen in de gemeente hun mond moeten houden en absoluut geen dominee mogen zijn. Dan zou u toch denken: wachten we nog tot hij met pensioen gaat of zetten we hem meteen buiten de deur? Dat hoop ik dan maar, dat u dat zou denken. En dat u vervolgens de daad bij het woord zou voegen. Want iemand die onzin uitkraamt moet je niet op de kansel hebben, toch?
Het lastige is vanmorgen alleen dan wel dat we luisteren naar een gedeelte uit een brief waarin die dingen wel beweerd worden. Slaven moeten hun meester braaf gehoorzamen, staat in deze brief te lezen. En vrouwen moeten zwijgen in de gemeente. Moeten we zo’n brief dan nog wel lezen? Of kunnen we die brief maar beter uit de Bijbel halen en een plek geven in een museum vol curiositeiten, dingen die ooit, lang geleden, een rol gespeeld hebben maar die we nu niet meer gebruiken?
Daar zou ik niet voor zijn. Het is in de geschiedenis van de kerk al wel eens gedaan. In de tweede eeuw van onze jaartelling was er in Klein Azië een zekere Marcion. Een zakenman die al vroeg z’n fortuin gemaakt had en toen niets beter wist te doen dan het stichten van een eigen kerk. In die kerk moest de waarheid eeuwig en onveranderlijk zijn. Vragen en twijfel waren verboden. Dus alles wat in de Bijbel vragen opriep werd er uit gescheurd. Van het Oude Testament bleef nauwelijks iets over. Van het Nieuwe Testament hield hij alleen het grootste deel van de evangeliën over en wat materiaal uit de brieven van de apostelen. Zo kreeg hij een bijbel waarin alles glad gestreken was. Hij hoefde zich nooit meer af te vragen wat hij eigenlijk geloofde. En er waren mensen zat die daar wel wat in zagen. Een bijbel als een eenvoudig kookboek voor geloof en leven. Een geruststellend document waarin het geloof verwerkt was tot een paar hapklare brokken.
Gelukkig heeft de verzameling van christelijke gemeenten in de tweede eeuw die genoemde meneer, Marcion, buiten de deur weten te houden. Niet alleen omdat hij zich ging gedragen als een autoritaire secteleider, maar ook omdat hij een karikatuur van het geloof maakte, en van God. Hij liet de Bijbel als het ware buikspreken. In zijn ogen was er alleen plaats in de Bijbel voor woorden die overeen kwamen met zijn opvatting van het geloof, zijn idee over wie God was. Alles wat vragen opriep, alles wat een mens tegen de haren instreek, moest eruit. Maar wie dat doet haalt volgens mij de stekker uit het geloof. Dan verliezen we de kracht van de inspiratie. Dan leert de Bijbel ons niets meer dan een bloedeloos eigen gelijk. Dan is de Bijbel nooit meer een onrustig tegenover, een uitdagend ander geluid dan de grondtoon van de tijd waarin wij zelf leven. Weg is dan de confrontatie met een werkelijkheid die zo anders is dan ons huidige leven dat we gedwongen worden ons eigen bestaan, de tijd waarin wij leven, met andere, kritische ogen te onderzoeken.
Als we, net als Marcion, de Bijbel zouden bijsnijden naar ons eigen goeddunken, zouden we de waarheid geweld aandoen. We zouden geloven in de illusie dat de waarheid eeuwig en onveranderlijk is, en dat christenen door alle eeuwen heen toe zouden kunnen met een en hetzelfde recept voor geloof en leven. Maar dat is niet zo. We mogen vertrouwen dat God liefde is, en dat die liefde als een eeuwig fundament onder ons leven ligt. Maar dat leven van ons, dat is allesbehalve eeuwig. Ons leven is eindig en vergankelijk. Ons leven verandert steeds weer, van generatie op generatie. En iedere generatie wordt uitgedaagd om de eigen weg in geloof en leven te zoeken en te banen. We noemen de Bijbel geïnspireerd omdat we door die verhalen en woorden onrustig gemaakt worden, omdat vanzelfsprekendheden omver gekegeld worden, omdat in de Bijbel een stem klinkt die ons wakker schudt en ons aan het werk zet om te zoeken naar de weg die we in deze tijd moeten gaan als mensen die Jezus willen volgen.
En dan blijkt de brief aan Timoteüs, die aan de apostel Paulus wordt toegeschreven, in mijn ogen wel degelijk van belang te zijn. Het mooie van zo’n brief is dat je daarin het spoor kunt volgen van een christelijke gemeente die probeert haar weg te vinden in de eigen tijd, in de wereld die de gemeente omringt. Je ziet zo’n gemeente als het ware zoeken en tasten om een goede manier van leven te vinden, een manier van leven die recht doet aan het geloof in God, zoals Hij zich openbaart in het leven van Jezus. Hoe houden we de inhoud van dat geloof zuiver? Hoe vinden we een manier van leven waarin dat geloof wordt omgezet in woorden en daden, op een herkenbare en geloofwaardige manier? De brief maakt ons getuige van zo’n zoektocht en dat kan ons inspireren. Niet om letterlijk te kopiëren wat daar staat, maar om onze eigen zoektocht te ondernemen, in onze tijd, in ons leven.
Voor een zoektocht heb je ruimte nodig. Want zoeken en vinden doe je met vallen en opstaan. Er komen twijfel en vragen bij kijken. Die ruimte wordt wel eens betwist. Door de eeuwen heen klinken er steeds geluiden van mensen die over het geloof spreken op een toon waar stalen zekerheid door heen klinkt. Ze weten het allemaal precies. En daardoor brengen ze andere mensen wel eens in de war. Mensen die, onder de indruk van zoveel stelligheid, gaan denken dat hun eigen geloof niet veel voorstelt. Die hun oren dan maar laten hangen naar het gepreek van die zekerweters, omdat ze denken dat ze dan met hun geloof op de goede weg zitten. Maar, horen we in deze brief, dan dwalen ze juist van de weg van het geloof af.
In deze brief wordt daarvoor gewaarschuwd. Er wordt gewaarschuwd voor mensen die het allemaal zo zeker weten. Die precies weten hoe het hoort in het geloof. Het zijn mensen die het huwelijk verbieden, horen we, en die mensen dwingen tot onthouding van voedsel. Overvrome types die seksualiteit maar viezigheid vonden en eten en drinken zonde van je tijd. Dat waren allemaal zaken die al te aards waren en die een mens steeds verder verwijderden van God. Het geloof is geestelijk, dus het leven moest zoveel mogelijk vergeestelijkt worden. Al het aardse moet eruit geperst, dan deugt het pas. Waar dat toe leidt zie je bij een middeleeuwse sekte als de Katharen. Die naam betekent: ’zuiveren’. Het hoogst in aanzien stonden daar de zogenaamde ’perfecti’, de ’volmaakten’. Die lieten zich dopen en gingen vervolgens op bed liggen tot de dood er op volgde. Ze deden niets meer, dan konden ze ook niet zondigen. En eten en drinken was maar aardse bezigheid. Ze hadden wel wat beters te doen. En zo ging hun zieltje brandschoon de hemel in, zal ik maar zeggen.
Maar die geloofshouding wordt in deze brief juist zondig genoemd. Hoe stelliger en vromer het geluid dat uit iemands mond komt, hoe meer vragen je er bij moet stellen. De schrijver van deze brief heeft het zelfs over huichelachtige leugenaars, die hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid. Dan moet ik denken aan Amerikaanse televisiedominees, waar je in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vaak over hoorde. Ze hadden het hoogste woord, en ze liepen financieel binnen. ’Praise the Lord and pass the bucket’, was het motto. ‘Prijs de Heer en geef de emmer door’. Want de collecte werd met emmers gedaan. Daar ging meer in. Maar achteraf bleek veel van dat geld gebruikt te worden voor een luxe leefwijze die haaks stond op al die vrome woorden.
Al die vrome minachting van het aardse leven wijst in de verkeerde richting, horen we in de brief. Er is niets mis met het aardse leven. Immers: ’alles wat God geschapen heeft is goed’. Zo horen we dat in het scheppingsverhaal, waar de schrijver van de brief naar verwijst. Iedere dag van de schepping klinkt dat: ’en God zag dat het goed was.’ Je mag genieten van het leven, en alles wat er bij hoort. Als je maar leeft in het dankbare besef dat we al het goede van God ontvangen. Als we maar eten en delen in dankbaarheid aan God. Christelijk leven is geen leven van onthouding, maar van dankbaarheid. Christelijk leven is niet zuinig, maar gul. Als we ons leven maar verstaan in het licht van het woord van God. Dat maakt ons leven heilig.
Daarom horen we, in het tweede stuk van de brief waar we naar geluisterd hebben, die dringende oproep aan Timoteüs om zich toe te leggen op het voorlezen uit de Schrift. Als we voor elkaar een voorbeeld willen zijn in levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid, dan moeten we beseffen waar de inspiratie en de energie vandaan komen die ons de kracht geven om zo te leven. De bron van die kracht vinden we in het Woord van God, horen we in de brief. Daar moeten we ons op richten, die moeten we ons eigen maken. Dan zetten we stappen in de goede richting in ons leven. Ik hoop dat de Bijbel die betekenis voor ons zal hebben, steeds weer. Dat de Bijbel voor ons geen boek van regeltjes is, maar een boek dat ons openbaart hoe de liefde levend kan zijn in het leven van ons mensen, iedere dag. Ik hoop dat we op die manier dicht bij God leven en dat dat tot zegen zal zijn voor ons, en voor de mensen om ons heen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.