Mijn licht, mijn heil is Hij…-10okt-SvdH

Bijbellezing: Haggai 1: 1-15
Muziek: Fughetta in A - Felix Mendelssohn Bartholdy
Bijbellezing: uit Lucas 21:

Lied psalm 27: 1, 2 Mijn licht, mijn heil is Hij…

Gemeente van Jezus Christus, lieve mensen

Een paar weken geleden hadden we het ook over bouwen. Toen ging het over het bouwen van de gemeente, op de startzondag. Een hele mand vol bouwstenen kregen we mee. Kijk maar wat er in zit. We hebben met elkaar heel wat in huis. Niet altijd is het goed zichtbaar. Maar het is fijn te weten dat we zoveel kunnen. Stenen zijn broodnodig. Om te bouwen. Niet alleen als fundament, ook als bouwsteen. Wij zijn geen vogels dat we genoeg hebben aan takjes of modder, of muizen die genoeg hebben aan haar en pluis.
Die stenen waren in de tijd van de tweede tempelbouw al nodig. Daarover gaat het boek van de profeet Haggai. De eerste was verwoest door de overheersers. Een tempel is namelijk een plek van samenkomst van mensen en God. En daarmee wordt een tempel een plaats van kracht. Mensen doen er kracht op: geestkracht. Kracht om kwalijke zaken het hoofd te bieden, kracht om niet ten onder te gaan aan onderdrukking. Kracht die sterker is dan het geweld van veroveraars. Het is niet voor niets dan in de Nederlandse koloniën slaven geen godsdienstonderwijs mochten krijgen. Ze zouden daar maar sterk van geest van worden! Nee, slaven moet je onder de duim houden. En dat lukt niet als ze een God hebben op wie ze kunnen vertrouwen.
Dus geen godsdienstonderwijs voor slaven en dus ook maken overheersers tempels en kerken stuk. De overheerser die de eeuwenoude tempel lang geleden heeft stukgemaakt, die nog uit de tijd van koning Salomo stamt, heeft ook meteen het rijke deel van het volk meegenomen in ballingschap. Niemand zorgt meer voor de ruïnes. De mensen hebben het te druk met simpelweg overleven.
Tientallen jaren later keren de ballingen terug. Je zou denken dat het eerste dat ze gaan doen bouwen is. En dat is ook zo, maar ze bouwen niet aan de tempel maar aan hun eigen huizen. Ze vinden de tempel niet zo belangrijk. Dat is gek. Want zoals ik al zei: de tempel is een plaats waar je kracht kunt opdoen. Een plaats zoals de kerk, maar nog een beetje krachtiger, want er is er maar eentje van in het hele land. Als je een kind krijgt, of je hebt iets belangrijks te vieren, of je hebt iets heel erg stoms gedaan, dan moet je daarheen om een offer te brengen. Het is DE plek waar alle belangrijke dingen tussen God en mensen plaatsvinden.
Het land is arm, er groeit weinig en er is armoe en honger. Dat is niks voor de teruggekeerde ballingen. Ze willen zo gauw mogelijk hun oude voorspoed weer terug. Dus eerst een mooi huis. Comfort. “ik eerst”.
En dat accepteert de Eeuwige niet. “Zo zijn we niet getrouwd” lijkt de boodschap. Als jullie zo doorgaan, met alleen maar zorgen voor jezelf, dan trek ik mijn handen terug. Dan rust er geen zegen op het land.
In de tweede lezing zien we een arme weduwe in de inmiddels toch herbouwde tempel. Ook haar plaats is daar. “weduwe” in die tijd betekende per definitie arm. Vrouwen zonder man hebben vooral geen rechten. Ze hebben geen land, moeten bedelen en maar zien hoe ze zichzelf en haar eventuele kinderen voeden. Maar ook zij is welkom in de tempel. Het is ook haar plaats. Zij mag er zijn.
En dan staat er dat Jezus er dagelijks te vinden is om les te geven, te onderwijzen. Zijn plaats is ook in de tempel. Wat onderwijst hij dan?
Hij onderwijst de Thora. De oude woorden. Wat hebben ze vandaag de dag nog te zeggen? In de tijd van Jezus was geloof vanzelfsprekend. Heel anders dan nu. De mensen waren gewend om met hun geloof bezig te zijn. In het joodse geloof is het altijd discussiëren over iedere betekenis van ieder woord. Alle mannen mogen meepraten. Het is niet zo dat de een alle wijsheid in pacht heeft, en de ander moet maar gehoorzamen en accepteren. Dat onderwijzen is dan ook een soort van tweespraak. De leerlingen zullen reageren. Ze zullen hun eigen kennis naar voren brengen. Ze kijken met hun eigen ogen en verklaren in hun eigen woorden. Jezus staat niet zo op een voetstuk als wij soms denken.
Wat staat er dan in die oude woorden? Daar staan bijvoorbeeld verhalen in over de tempel, de plek waar ze zijn op dat moment. Zoals iedereen dat doet, en wij vandaag ook, zo legt Jezus die oude tekst uit, zodat de mensen van zijn tijd het begrijpen. Als je dat niet doet, dan gaat de tekst dood. Dan luistert niemand meer, want niemand kan het begrijpen. We noemen het “het oude testament”. En dan lijkt het net of het afgedaan heeft, maar in feite is het natuurlijk vooral “oud” ten opzichte van het tweede, zoals de ene mens ouder is dan de ander. Of misschien zoals een wijzere oudere zus of broer.
Hoe dan ook heeft Jezus het gehad over de tempel. Wat is de tempel? Voor wie is die? Gebouwd van stenen bijvoorbeeld. Maar stenen gaan stuk. Een gebouw kan verwoest worden. maar de ziel van het gebouw zit ‘m niet in de stenen. Dat is wat hij laat zien als hij naar de weduwe wijst. En dat is ook wat de profeet Haggai laat zien als hij de Eeuwige boos laat worden om gebrek aan de bouw. Dat gaat niet om die stenen. Het gaat om prioriteiten: wat doe je eerst? Wat is het belangrijkste? WIE is het belangrijkste?
Ben je dat zelf? Of is dat je naaste die niks heeft? Is dat God die niks is zonder de mensen? Die alleen plaats kan bieden aan zo’n arme weduwe als mensen dat doen in zijn plaats? Want daar gaat het om. Niet om dat gebouw, hoe mooi en groot het ook is. We horen later dat Jezus zegt dat geen steen op de andere zal blijven staan. En we herkennen het ook: want wat is een kerkgebouw zonder ziel? Zonder gemeente die voor elkaar klaar staat? Het is een leeg omhulsel. En voor je het weet is het een ruïne.
Kort geleden las ik de suggestie dat we de kerk eens 3 maanden zouden sluiten om stil te worden en ons te bezinnen op wat de kerk nou eigenlijk is en voor wie ze er zou moeten zijn. Het boek is geschreven voor corona het hele kerkelijk leven plat legde. Ik denk dat de schrijfster anders had geschreven dat dit bij uitstek de tijd was om ons te bezinnen op “hoe nu verder?” De stilte is ook iets wat bij de tempel en de kerk hoort. De wereld om ons heen is vol geluid, vol eisen en drukte. Voor je het weet, verlies je alle contact met God, de eeuwigheid, jezelf en je naaste. Dat is het risico als je alleen maar bezig bent met je hebben en houden.
Dat de tempel er is, is een soort van cadeautje voor de hele mensheid om tot rust te komen. En om je steeds opnieuw in gedachten te brengen wat er nou eigenlijk toe doet. Daarom lezen we die oude verhalen waarin we nieuwe moed krijgen als we zonder moed zijn geraakt, waarin we horen hoe God zich ontfermt over wie het moeilijk hebben, waarin we op onze kop krijgen als we niet naar elkaar en vooral naar de armen en de vreemdelingen omkijken. We lezen en zingen liederen, de psalmen, over alles wat een mens kan overkomen. We bezingen de schepping, we doen ons best de aarde leefbaar te houden en te maken als er woestijnen zijn ontstaan. We gunnen elkaar in Godsnaam het leven. Niet alleen onze vrienden en vriendinnen, maar juist ook Gods eigen oogappels: de mensen die voor ons niet meetellen.
Dat is wat die tempel doet. Het gebouw brengt mensen bij elkaar. En door elkaar te zien en te ontmoeten en te erkennen als naaste en broeder en zuster, daardoor worden we mensen van God. En dat geeft leven. Niet de stenen. Maar wie we voor elkaar zijn, wat we voor elkaar betekenen.
In Gods naam. Amen.

Lied 316 (Het woord dat u ten leven riep): 1, 4