Sorry geen dienst-18aug-EBK

Zondagmorgen 18 augustus 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok
Lezingen: Jesaja 25: 6-9 en Lucas 14: 15-24

preek-20190818-1.jpgHet Bijbelgedeelte van vanmorgen, die gelijkenis van Jezus, roept bij mij verschillende gedachten op.
Allereerst: wat doet een uitnodiging met mensen?
Wat doet dat met degene die uitgenodigd wordt?
En wat doet dat met degene die de uitnodigingen verstuurd heeft?
Gaan mensen op de uitnodiging in of niet?
Meestal vinden mensen het leuk om een uitnodiging te krijgen voor een feest.
Die ander heeft aan jou gedacht (!) en jij mag erbij zijn bij dat feest, meedoen. Prachtig toch!
Is zo’n uitnodiging vrijblijvend?
Soms kan het wel als een verplichting voelen als je uitgenodigd wordt bij een ver familielid met wie je eigenlijk nauwelijks contact hebt. Niet zo veel zin, in maar je kunt het eigenlijk niet maken om niet te gaan.
Is zo’n uitnodiging voor een feestje vrijblijvend?
Echt verplicht is het meestal niet, maar geheel vrijblijvend nu ook weer niet.
Als je geen gehoor geeft aan de uitnodiging dan doet dat ook wat, zeker met degene die de uitnodiging verstuurd heeft, en dat doet ook wat met de relatie tussen degene die de uitnodigingen verstuurd heeft en degene die uitgenodigd is.
Toen wij een paar jaar geleden 25 jaar getrouwd waren, hebben we een feestje gegeven. Uitnodigingen verstuurd. Op een bepaald moment de mensen die nog niet gereageerd hadden nagebeld, om te weten op hoeveel mensen we konden rekenen.
Kreeg ik een oude jeugdvriend aan de lijn die aangaf dat hij besloten had om niet te komen. We hebben elkaar te lang niet gezien. Dat was zijn argument.
Dat voelt vreemd, en dat doet iets met de relatie.
Weet wat je doet als je zo’n uitnodiging naast je neerlegt.
Iets dergelijks proef ik in de gelijkenis van vanmorgen.
De woorden van God, de woorden van Jezus, de woorden van de Bijbel zijn als een soort uitnodiging, een uitnodiging om mee te doen aan een feest, Gods feest: een feestmaal voor alle mensen.
Dat is natuurlijk beeldspraak, beeldspraak die Martin Luther King gebruikte in zijn beroemde rede op 28 augustus 1963: I have a dream.
“Ik heb een droom dat op een dag … de zonen van voormalige slaven en de zonen van voormalige slavenhouders in staat zullen zijn samen aan te schuiven aan een tafel van verbondenheid… Ik heb een droom dat mijn kinderen op een dag zullen leven in een land waar zij niet beoordeeld zullen worden op hun huidskleur, maar naar wie ze zijn. Ik heb een droom vandaag.”
Beeldspraak, maar die beeldspraak maakt heel goed duidelijk waar het om gaat,
beeldspraak die ook uitgebeeld wordt als we met elkaar het avondmaal vieren.
Een uitnodiging voor het avondmaal is in feite een uitnodiging om je daarvoor in te zetten, voor zo’n wereld, waar mensen van allerlei pluimage samen aan tafel gaan, en tegenstellingen overwonnen worden,
in naam van hem die ons daarin in Gods naam is voorgegaan, Jezus, in zijn Geest.
Een uitnodiging om daaraan mee te doen.
Het is niet verplicht, maar het is ook niet vrijblijvend.
Het lijkt erop dat Jezus met deze gelijkenis de mensen van dat laatste wil doordringen.
Het speelt zich allemaal af bij een vooraanstaande Farizeeër thuis. Jezus was daar uitgenodigd voor een maaltijd. Er is wat discussie.
Jezus doet dan vlak vóór het gedeelte van vandaag de oproep om, als je een maaltijd organiseert of een feestmaal, niet direct te denken aan je vrienden en je familie of je rijke
buren als gasten, maar aan armen, kreupelen, verlamden en blinden, mensen die anders moeten aankloppen bij de sociale dienst of bij de voedselbank.
Dan begint het Bijbelgedeelte van vandaag met de reactie van een van de aanwezigen: “Gelukkig wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God.” Op díe uitspraak reageert Jezus met de gelijkenis.
Wat bedoelt die persoon? Bedoelt die zoiets als: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw? Wat zal het mooi zijn op die dag, eens, ooit?
Het lijkt er op dat Jezus ageert tegen die mensen daar aan tafel, die vooraanstaande Farizeeër met zijn vrienden, die er eigenlijk vanzelfsprekend vanuit gaan dat zij als stipte godsdienstige mensen het goed doen en dat zij ook deelnemers zijn en zullen zijn bij dat feest van God. Maar dat is nog maar de vraag.
Misschien zijn ze wel godsdienstig en meelevend kerklid, maar als je heel eerlijk bent, doen ze wel wat God van hen vraagt?
Ontbreekt misschien de liefde voor de medemens die anders is?
Geven ze wel gehoor aan de uitnodiging om zich daarvoor in te zetten?
Dan vertelt Jezus de gelijkenis.
Iemand wil een gróót feestmaal geven en nodigt véél gasten uit.
Het wordt al snel duidelijk dat het in deze gelijkenis gaat over God die mensen uitnodigt om van de partij te zijn.
Dan gaat er in de gelijkenis wat tijd overheen en komt het moment: Kom, want alles is klaar.
Je zou verwachten dat de mensen toestromen.
Maar nee, bizar, de een na de ander zegt af. Sorry.
De een heeft net een stuk land gekocht,
een tweede heeft vijf span ossen gekocht, een nieuwe productielijn,
een derde is net getrouwd en heeft het te druk daarmee.
Het zijn andere verplichtingen die voorgaan.
Of zijn het verplichtingen die mensen zichzelf opleggen, zoveel dingen om te doen die we belangrijk vinden, dat die uitnodiging die God stuurt geen gehoor vindt?
Sorry, geen dienst. Ik verbaas me er elke keer weer over als dat op een bus of een tram zie staan. Vroeger stond er dan gewoon: Geen dienst.
Sorry als een nietszeggend woord.
“Sorry seems to be the hardest word”.
Als je het echt serieus neemt, is dat inderdaad waar, als je het echt serieus neemt wat je fout gedaan hebt of wat je een ander aangedaan hebt.
Maar sorry is een makkelijk en veelgebruikt woord geworden in onze samenleving, een sorry cultuur.
Als er weer eens een keertje iets niet goed gegaan is, in de politiek, op het werk, in de kerk, op school, waar dan ook.
Even sorry zeggen, en klaar, je hoeft verder geen verantwoordelijkheid meer te nemen.
Volgens mij is dat het, dat mensen door het makkelijk sorry zeggen verantwoordelijkheid van zich afschuiven. Sorry, ik kan er eigenlijk ook niks aan doen.
Soms bij voorbaat sorry zeggen, zoals op die bus.
Er is niks fout aan een bus die geen dienst heeft.
Zo kan sorry zomaar een nietszeggend woord worden en vooral aangeven dat mensen hun schouders ophalen en soms wat al te gemakkelijk verantwoordelijkheid wegschuiven.
Natuurlijk moet ik dan ook denken aan onze zoektocht naar nieuwe vrijwilligers voor alles wat er gedaan wordt in de kerk.
En gelukkig, we hebben een hele grote groep vrijwilligers die zich inzetten,
en er zijn weer nieuwe mensen die zich willen gaan inzetten,
maar ook heel vaak is de reactie op de uitnodiging om mee te doen: Sorry, maar… vul zelf maar aan wat voor reden daarvoor gegeven wordt.
Het kan heel terecht zijn als mensen nee zeggen. Maar of dat altijd zo is vraag ik me af.
Zo’n uitnodiging. Het is niet verplicht. Maar het is ook niet vrijblijvend. En het doet ook wat met mensen om ja te horen, en ook om nee te horen.
Wie iets wil met de kerk, van de kerk, met de zaak waar het in de kerk om gaat, wordt ook gevraagd verantwoordelijkheid te nemen!
Geloof vraagt verantwoordelijkheid, tegenover God, tegenover elkaar, tegenover je medemens.
Misschien dat het daaraan wel ontbrak bij de mensen met wie Jezus daar aan tafel zat.
Je hoort bij de kerk, bij God, en daarmee klaar!?
Nee, daarmee begint het pas. Tot uw dienst!
Wanneer?

preek-20190818-2.jpgHet juiste moment, soms is dat nu.
We worden uitgenodigd om niet met de handen in de zakken aan de kant te gaan staan.
De drie tegenwerpingen die in de gelijkenis genoemd worden zijn dingen die we vaker in het Lucasevangelie tegenkomen.
We kunnen zo in beslag genomen worden door wat we hebben, ons bezit, dat dat ons belemmert om ons ook nog te focussen op de inhoud die vanuit de Bijbel naar ons toekomt.
Ik heb net een stuk land gekocht. Dat is nou even mijn prioriteit.
We kunnen zo druk zijn met ons werk en onze vrije tijd, met alles waarvan we vinden dat we dat moeten doen, dat er geen ruimte overblijft voor de stem die naar ons toekomt
en ons uitnodigt.
Nee, geen gaatje meer in de agenda.
En het derde dat we bij Lucas vaker tegenkomen is dat de binding aan familie, vrienden, partner, ook een belemmering kan zijn.
Dat is ook de gedachte achter het celibaat, dat als je je niet bindt aan een aardse partner, je je meer zou binden aan de hemelse partner, aan God.
Daar is misschien wat voor te zeggen, maar ook wel wat op af te dingen.
Maar de achterliggende vraag is steeds: door wie en door wat laat je je leven bepalen?
Hoeveel ruimte heb je voor en geef je aan de uitnodiging die naar je toekomt? Dat is de boodschap die ik in deze gelijkenis hoor. Niet verplicht, maar ook niet vrijblijvend.
preek-20190818-3.jpgIn de gelijkenis zien we de focus van de gastheer verschuiven naar de armen en kreupelen en blinden en verlamden. En nog is er plek.
Ga buiten de stad, buiten de veilige stadsmuren en nodig iedereen uit.

preek-20190818-4.jpgIk moest hieraan denken. Een prachtig beeld. Kortgeleden in het nieuws. Tegelijk ook weer heel schrijnend.
Trump wil een muur bouwen tussen de Verenigde staten en Mexico, om mensen uit het zuiden tegen te houden, maar hier heeft een ontwerper bij de grens tussen de VS en Mexico een installatie geplaatst waar mensen van beide zijden van de grens met elkaar kunnen wipwappen, zodat er contact kan ontstaan, mensen elkaar kunnen aankijken.

Ook hieraan moest ik denken. Vorig jaar hier in het Atrium van de Ontmoetingskerk op initiatief van Vluchtelingwerk en de Raad van kerken een ontmoeting: een maaltijd met mensen uit Eritrea.preek-20190818-5.jpgDe gelijkenis eindigt met die beweging dat iedereen, ook over grenzen heen, wordt uitgenodigd, mensen die nooit verwacht hadden een uitnodiging te krijgen.
Daarmee eindigt de gelijkenis.
We lezen niet hoe zij reageren.
Daarmee heeft deze gelijkenis een open eind.
Dat betekent dat het antwoord aan de lezer, aan de hoorder is, aan ons dus.
Dan nog een uitsmijter van Jezus: Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.
Ook al dacht je van wel: er zijn geen gereserveerde plaatsen.
Zo hoor ik deze gelijkenis als een uitnodiging. Het antwoord is aan ons.

 

Doen en leven-11aug-CWvdM

Overdenking op 11 augustus 2019
Lezingen: Deuteronomium 6: 4-9 en Lukas 10: 25-37 (hoofdlezing)
Thema: Doen en leven

Gemeente van Jezus Christus,

In het eerste vers van het evangeliegedeelte, dat Erik heeft voorgelezen, staat volgens mij een behoorlijke tegenstrijdigheid. Al haal je dat er in de vertaling niet zo één, twee drie uit. Er lijkt alleen een duidelijke, zij het moeilijke vraag te klinken. Wat moet ik doen, vraagt een wetgeleerde aan Jezus, om deel te krijgen aan het eeuwige leven? We zijn er natuurlijk niet zomaar achter wat die wetgeleerde daarmee bedoelt: eeuwig leven. Misschien bedoelt hij: hoe kom ik in de hemel – maar dan stellen we alles dat met eeuwig leven te maken heeft uit tot na de dood. Ook in ons leven hier, vandaag, kunnen we dingen ervaren die ons leven eeuwigheidswaarde geven, geloof ik. Iedere ervaring die ons dichter bij God brengt kan ons leven een diepere zin en betekenis geven waar de tand van de tijd niet aan kan knagen. Maar ja, dat gaat vast niet vanzelf. Wat moet je allemaal doen om daar deel aan te krijgen?
Als je het zo leest – wat voor de hand ligt, omdat het zo vertaald wordt – dan lijkt het of het allemaal een kwestie van verdienen is. Je moet er van alles voor doen. Veel bijbellezen. Iedere dag mediteren. Een lange lijst met goede doelen steunen. Geen kerkdienst overslaan. Ik noem maar wat zaken uit het dikke boek met religieuze plichten. De lijst is nog lang niet compleet, natuurlijk. Daarom stelt die wetgeleerde deze vraag ook aan Jezus. Het goede antwoord is niet te geven. De lijst is te lang. En daar kun je een ander dan over aanvallen. Dan krijg je het soort gesprekken waar kerkscheuringen door ontstaan zijn. Dat is in ieder geval de bedoeling van de wetgeleerde. Hij wil Jezus met zijn vraag op de proef stellen, vertelt Lukas.
Maar in zijn vraag zit, zoals ik al zei, een tegenstrijdigheid, die in de vertaling verloren dreigt te gaan. De wetgeleerde vraagt niet hoe hij deel kan krijgen aan het eeuwige leven. Hij vraagt hoe hij er erfgenaam van kan worden. En erven is heel iets anders dan verwerven, lijkt me. Erven heeft met verdienen niets te maken. Mensen erven van een ander omdat er een liefdeband is. Je erft van je ouders, of van familie. Of omdat iemand erg op je gesteld is. Als iemand onterfd wordt is het in de regel foute boel. Dan is de relatie verstoord. In feite hoor je in dit eerste vers al waar het om gaat. Het gaat om de relatie die je met elkaar hebt. Tussen God en mensen gaat het niet in de eerste plaats om wat je doet, om het afvinken van acties op een lijst met verdienstelijke werken. Tussen God en mensen gaat het in de eerste plaats om de vraag of er liefde is. Tussen God en mensen is er geen sprake van een zakelijke transactie. Het gaat om een verbond van liefde.
Zo laat de Bijbel zich lezen, geloof ik. Dat kan niet vaak genoeg gezegd worden vanaf een kansel, naar mijn idee. Als tegenwicht tegen de angst en de gewetensdwang die door de eeuwen heen ook vaak vanaf kansels in mensenharten gezaaid is. Het gaat erom dat we de Bijbel lezen als het boek van de liefde tussen God en mensen. Dat moeten we ons bewust zijn. Daarom stelt Jezus de wetgeleerde ook een tegenvraag. Wat staat er in de wet geschreven, vraagt Jezus. En er komt een nog belangrijker vraag achteraan. En dan moeten we de vertaling weer een keer loslaten. Jezus vraagt niet: Wát lees je? Dan zou hij zijn vraag alleen maar herhalen. Jezus vraagt: Hóé lees je? Hoe begrijp je wat daar staat. Hoe pas je dat toe in je leven?
De wetgeleerde laat zien dat hij weet wát er staat. Hij kan de woorden uit het hoofd opzeggen. Maar dat zegt nog weinig over de vraag hoe hij het leest. Dat doet me denken aan een verhaal van de cabaretier Fons Jansen. Die in één van z’n programma’s vertelde hoe de kloosterzusters, die les gaven op de school waar hij als kind zat, in verlegenheid gebracht werden. De zusters hadden de kinderen geleerd wat de werken van barmhartigheid waren. Eén van die werken was het bevrijden van de gevangenen. En de leerlingen brachten dat in de praktijk. Waarop de politie op school verscheen. En de zusters zeiden geschrokken: we hebben niet gezegd dat ze het moesten doen, we hebben alleen gezegd dat ze het uit hun hoofd moesten leren. Hoe lees je? Lees je het zo dat je er wat mee doet? God liefhebben, met hart en ziel, met al je kracht en verstand, en je naaste liefhebben als jezelf – doet dat wat me je? Maakt dat je leven anders? Maakt dat een ander mens van je? En doe je er dan iets mee?
Doe dat en je zult leven, zegt Jezus. Maar de wetgeleerde was niet van plan om een richting voor zijn leven gewezen te krijgen. Hij wilde juist voor elkaar krijgen dat Jezus de richting kwijt raakte. Dus komt hij weer met een vraag. Een vraag die misschien wel nog moeilijker is. Als je je naaste moet liefhebben als jezelf – wie is dan mijn naaste?
Uit die vraag blijkt nogmaals dat de wetgeleerde vooral bezig is met de vraag wat hij moet doen. Voor wie moet ik me allemaal inzetten? Voor familie, voor buren? Voor mensen van de kerk? Voor mensen die hun eten bij de voedselbank halen? Voor arme mensen dichtbij? Of voor arme mensen ver weg? Van die laatste groep zijn er nog veel meer. Hoeveel acceptgirokaarten moet een mens invullen? Wanneer is het genoeg? Wanneer je het geloof op die manier benadert is het nooit genoeg. Dan is er geen afdoende antwoord op de vraag: wie is mijn naaste?
Maar het antwoord van Jezus gaat voorbij aan alle kuilen die hij probeert te graven. Het antwoord van Jezus opent de ware dimensie van het geloof in God. Jezus maakt geen lijstjes met religieuze verplichtingen. Jezus vertelt een verhaal. Een gelijkenis. Een gelijkenis die ons laat zien hoe bevrijdend en grensoverschrijdend liefde kan zijn. Een gelijkenis die ons laat zien hoe liefde het leven eeuwigheidswaarde kan geven.
Een man is op weg van Jeruzalem naar Jericho door rovers kaalgeplukt en halfdood geslagen. Hij ligt langs de kant van de weg dood te gaan. Er en komen mensen langs van wie je zou verwachten dat ze hem als naaste zouden zien, en helpen. Het zijn volksgenoten. Kinderen van Abraham, net als hij. En ook nog eens mensen met een religieuze functie. Een priester en een leviet. Ze weten wat er in de wet staat. Maar ze doen er niets mee. Er zijn dingen in hun leven die zwaarder wegen dan liefde. Angst, afkeer, eigenliefde. Het kan van alles zijn. Maar er is geen liefde. Er is geen band die sterker is dan de dood. Dus lopen ze voorbij aan de mens die dood ligt te gaan.
En dan komt er iemand voorbij met wie helemaal geen band lijkt te zijn. Een Samaritaanse man. Joden en Samaritanen – ze konden elkaar niet luchten of zien. Als Joodse mensen vanuit Galilea op weg gingen naar Jeruzalem, om daar het Paasfeest te vieren, maakten ze liever een omweg door het land aan de overkant van de Jordaan dan dat ze de kortste weg namen, dwars door het land van de Samaritanen. Alles wat mensen vandaag de dag soms aan lelijks over moslims weten te zeggen werd in die tijd door Joden over Samaritanen gezegd. En andersom, natuurlijk. Dus dat Jezus in zijn gelijkenis een Samaritaan ten tonele voert, dat is in Joodse oren een regelrechte provocatie.
Maar des te duidelijker maakt Jezus op die manier waar het in het leven echt om gaat. Wat ons leven eeuwigheidswaarde geeft. Het gaat er niet om wat je bent als mens. Jood of Samaritaan, christen of moslim, zwart of blank, hetero of homo rijk of arm – het gaat er om of je liefde voor een ander voelt. En dat is wat we in de gelijkenis, die Jezus vertelt, horen. De Samaritaanse man ziet iemand liggen die slachtoffer is. En het raakt hem van binnen. Hij voelt met hem mee. Hij heeft medelijden. En hij zorgt voor hem. Het draait in deze gelijkenis om liefde. Liefde die alle grenzen doorbreekt. Liefde die nergens voor terugdeinst. Liefde die mensen verbindt met elkaar. En met God – maar dat ervaren we vaak pas achteraf, als we zien hoe rijk liefde ons leven heeft gemaakt.
Nog iets anders leert deze gelijkenis ons. Wie is mijn naaste? We denken dan altijd maar dat we moeten uitkijken naar iemand die ons nodig heeft. Iemand die arm is, die honger heeft, die verdriet heeft. Maar let op hoe het evangeliegedeelte eindigt. Jezus vraagt de wetgeleerde: wie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers? Het woord Samaritaan kan de wetgeleerde niet uit z’n mond krijgen. De man die medelijden met hem heeft getoond, zegt hij. Wie is de naaste? Niet degene die hulp heeft gekregen, maar degene die hulp heeft geboden. Het Evangelie leert ons dat de liefde wederkerig is. Het gaat niet alleen om liefde die wij geven. Het gaat ook om liefde die wij durven ontvangen. Het klinkt natuurlijk heel stoer om te zeggen: Ik heb geen ander nodig. Mijn vraag zou dan zijn: wat kom je dan zoeken in de kerk? Wij hebben juist om te beginnen een ander nodig. Wij hebben om te beginnen dé Ander nodig. Wij hebben God nodig, die ons in Jezus tegemoet komt en ons leven vult met liefde. Liefde die wij aan elkaar mogen doorgeven. Met hart en ziel, met al onze kracht en al ons verstand. Ik hoop dat we het Evangelie zo verstaan. En dat we het doen en leven. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Deuteronomium 6:4-9 & Marcus 12:28-34- 21 juli 2019-ds. Marjan de Vries

Bij de lezingen: Deuteronomium 6:4-9 & Marcus 12:28-34

Gemeente van Jezus Christus,
Lieve mensen,

Wat is voor jou de kern van het leven. Met welke woorden leef je?

Sinds januari mag ik onze gemeente vertegenwoordigen in de groep Westland-missionair. Misschien weet u wel van het bestaan van dit initiatief. Het is enkele jaren geleden al ontstaan, Irene van de Meulen draaide mee en later Joke Drewes. De club is ontstaan vanuit de wens van de kerken om iets voor het brede Westland te betekenen. Er zijn zo al vele initiatieven ontstaan. De bekendste zijn de kliederkerken in De Lier en Wateringen. Maar er waren ook gebedsbijeenkomsten en inspiratie-ontmoetingen, waar interkerkelijk contact was. En mensen uit het missionaire veld ons kwamen inspireren.
Als stuurgroep zaten we een week geleden bij elkaar op het strand om afscheid te nemen van een paar van onze leden. En dan kom je al pratende op de waardering voor het samen. Het is bijzonder om in zo’n diverse groep samen te komen. Met katholieken, evangelicalen, met protestanten van allerlei richtingen van vrijzinnig PKN tot gereformeerd vrijgemaakt. Met elkaar lezen we uit de Bijbel spreken we over de dingen die ons raken in ons werk. Het is bijzonder om zo - hoewel we het woord missionair allemaal net wat anders verstaan - samen te werken. Met onze hoop voor het Westland. Dat mensen God mogen leren kennen. Als je dan met elkaar en met de Bijbel in gesprek bent kom je erachter dat je allemaal christen bent al legt iedereen andere accenten en kunnen we niet alle overtuigingen met elkaar delen.
Die overtuiging met elkaar delen begint daar, bij samen bidden, de Bijbel lezen en in gesprek raken. En dan niet discussiëren om je gelijk te halen, maar met elkaar spreken zoals je in een gespreksgroep doet. Door naar elkaar te luisteren en niet om de ander in jouw kamp te trekken.

Na een confrontatie en discussie met diverse schriftgeleerden ontmoet Jezus een schriftgeleerde die hem vraagt wat voor hem de kern van het geloof is – en daarom het belangrijkste gebod. Deze schriftgeleerde wil zijn nieren proeven. Hoe staat Jezus in het geloof? Wat is zijn overtuiging. Als iedere Jood antwoord Jezus dan met de woorden van het Sjema Jisrael – Hoor Israel! De Heer uw God is een. – Deuteronomium 6, we lazen het net. En de schriftgeleerde antwoord met woorden uit een ander deel van de Thora – Leviticus 19 – Heb je naaste lief als jezelf.
Het zijn mooie woorden – regels, waarin ze God vinden en geloof bij elkaar herkennen.
Het zijn regels, die een basis vormen.
Regels drukken uit wat jij belangrijk vindt. Regels zijn wetten, maar hebben ook te maken met regelmaat – hoe doe jij de dingen, hoe pak je ze aan, wat is jouw routine?
Elke keer dat een nieuwe groep ontstaat komt er een punt dat er gezamenlijk gezocht wordt naar regels. Wat is onze basis – waar staan wij voor?
Zo maakt ook ieder huishouden regels. Gaat de telefoon bij de voordeur in een bakje – is het rommelig in huis of erg netjes, kunnen mensen zo aanschuiven, blijft de koektrommel open? Allemaal manieren om te leven – en iedereen doet het anders.
Het een is niet beter dan het ander.
Zo leggen we ook in ons geloof accenten.
Ons leven lang zijn we steeds aan het ontdekken hoe die accenten voor ons liggen.
Wat ons credo is.
Het is interessant om dat met elkaar te bespreken. Wat is de kern van jouw geloof op dit moment?
Zoals die schriftgeleerde aan Jezus vroeg.

Die woorden die Jezus uitspreek als antwoord komen uit Deuteronomium 6. Ze zijn bij iedere jood bekend als de belangrijkste geloofsbelijdenis.
Hoor Israel de Heer uw God, de Heer is Een!
Deze tekst is zo bekend dat hij iedere dag uitgesproken worden door Joodse religieuzen.
Als een kind geboren wordt worden deze woorden in het oor gefluisterd. En als iemand sterft wordt deze tekst telkens uitgesproken totdat de laatste adem van de gelovige samenvalt met het woord Een. Zo valt Gods eenheid samen met het leven en sterven van deze persoon.
Het hangt op deurposten om even aan te raken, bij ingaan en uitgaan. - in de vorm van een Mezoeza. En ze dragen het op hun voorhoofd ook in een klein doosje. Zo belangrijk is deze tekst. Deze geloofsbelijdenis.

Ik vind het mooi dat het geloof zo met het hele leven verbonden is.
We komen geloof zo ook zichtbaar tegen op andere plekken in onze samenleving. De moslims bijvoorbeeld spreken altijd deze woorden: Bismillah, wat als God het wil betekent. Ze spreken of denken dit bij veel dingen die gelovige moslims uitspreken.

Maar hoe is geloof onderdeel van ons dagelijks leven? Hoe geven wij het aan onze kinderen mee?

Geloof is niet onzichtbaar in ons protestante leven. Bij mijn grootouders thuis lag de bijbel in de keukenla tussen de onderzetters en het tafelkleed. Dagelijks werd er bij de maaltijd gelezen. Zo was het geloof onderdeel van het dagelijks leven. En nu als ik bij mensen thuis kom ben ik benieuwd of ik iets van die dagelijkse praktijken kan zien. Bij veel mensen ligt er zichtbaar in de woonkamer een bijbel. Anderen hebben een huispaaskaars die wordt gebrand. Of er hangt in huis een kruisje of een Bijbeltekst aan de wand.

Hoor Israel – staat er; geloven zit in de zintuigen - meer dan in dogma's.
In geloof is horen, zien, meemaken, beleven, voelen van groots belang.
Geloven is iets van het hart - niet van stelligheid, van zeker weten, van rond en af.
Geloven gaat misschien wel meer over vragen dan over antwoorden.
Ik vind het mooi verwoord in het credo dat deze maand binnenin het maandblad Woord en Weg van de PKN staat.
Kris Gelaude geeft het geschreven en er staan zinnen in die ik ook zo zou kunnen zeggen, maar er staan ook zinnen in waarbij ik blijf hangen, blijf haken. Omdat ik het anders zou zeggen.
En zo gaat dat met geloven. Iedereen doet het op zijn eigen manier.
Iedereen legt andere accenten.
Voor iedereen komen er andere dingen naar boven als het over geloven gaat.
Het belangrijkste is dat je geloof een levend geloof is.
En daarmee wil ik zeggen: dat het belangrijk is dat je leeft met je geloof. Of dat nou is door dat kruisje aan de wand of doordat je er veel woorden aan geeft.
Het is belangrijk dat jij je geloof doorleeft.
Iedere dag weer.

Ik wens je toe dat dat lukt.

Ik lees het voor

Amen

 credo

Deuteronomium 30:11-20 & Mattheus 11:28-30- 28 juli 2019- ds. Marjan de Vries

Lezingen: Deuteronomium 30:11-20 & Mattheus 11:28-30

Gemeente van Jezus Christus,
Lieve mensen,

Het is goed om bij de ontspanning te beginnen. Zoals de regels klonken die we hoorden uit Deuteronomium. De wet is voor niemand te moeilijk - te zwaar of te ver weg. Voor ons allemaal bereikbaar. Ontspan maar.
Laat je door de wet niet opjutten. Want die woorden zijn gemaakt, geschreven om dichter bij God te kunnen leven.
Dat bereikbaar te maken voor iedereen.
En dat is stap 1 dat iedereen welkom is bij God. Dus ontspan.

Vaak hebben we als Christenen een soort tegenzin om Deuteronomium te lezen, het boek van de vele, vele regels. En als we hier lezen ontdekken we ook dat er een soort prosperity wordt beloofd. We hebben immers van Paulus geleerd dat de wet anders werkt voor ons christenen. We hoeven die niet zo nauw te volgen. Al die regeltjes gelden niet voor ons. Het Jodendom dat is een regeltjesgodsdienst, zo zijn wij niet.
Toch is Deuteronomium deel van onze bijbel. Dus ik vermoed dat dat wat kort door de bocht is. Ook als christenen mogen we soms stilstaan bij de wet en bij de beloften die God ons doet.

De regels die ik u geef zijn niet te zwaar en niet te licht - jij kunt ze volbrengen.

Die zin gaat tegen de tobberigheid in die wij kunnen hebben. Wanneer doe ik het goed, wanneer heb ik genoeg gedaan? Ben ik een goed genoeg christen? Leef ik voldoende naar de maatstaven die ons zijn opgelegd?

Die vragen zijn schurende vragen. Want eigenlijk willen we zo niet geloven. Met een lijstje in ons hand waarop we kunnen afstrepen wanneer het goed genoeg is. Wij zijn wars van regeltjesgodsdienst. Dat doen ze in andere kerken maar, niet hier.
Maar wat zijn dan de geboden waaraan we ons wel willen houden. Waarop we wel aangesproken willen worden? Waar liggen onze grenzen als gelovigen? Vorige week had ik het over regels en regelmaat - hoe regels ook prettig kunnen zijn - de lijnen en grenzen duidelijk kunnen maken.
In Deuteronomium wordt deze tekst voorafgegaan door een reeks vervloekingen en zegeningen. Wij als lezers worden uitgenodigd om deze teksten te eerbiedigen en anders weg te blijven.

Hoe verstaan wij de wet - als we googelen op christenen en de wet kom je heel uiteenlopende dingen tegen en kun je ook wel angstig worden. Net zoals in het voorgaande deel in Deuteronomium hoge, hoge eisen worden gesteld aan de gelovige. Met als consequentie excommunicatie, of zegeningen.
Als we weer terugkeren naar die zin waar we mee begonnen - Het woord dat ik jou geef is niet te zwaar, niet te licht - jij kunt het volbrengen. Dat is een startpunt. Voor ons allemaal, jood of christen. Het zou de basis kunnen vormen van een gesprek over geloven en regels. Over wat mag je wel en wat mag je niet. En voor mij gaat het dan ook vaak om het waarom - waarom mag je iets wel of niet - wat zit erachter?
Want dan ga je ontdekken wie God is, wat zijn of haar rol is, wat de context is waarin geleefd wordt. Want we weten ook - met de bijbel in je hand kun je vele kanten op.
Het gesprek is belangrijk.
Maar kunnen we dan gewoon kiezen welke wetten we houden en welke niet?
Dan stuiten we weer op die ene regel die we steeds tegenkomen overal door de bijbel heen - het gaat erom dat we kiezen voor het leven - dat we God liefhebben en die liefde leren we kennen door elkaar lief te hebben.

Jezus zegt in het korte evangeliestuk dat wij vandaag lezen net zoiets. Mijn juk is zacht en mijn last is licht. Bij mij mag je komen als je vermoeid, overbelast bent.
Zo kan het voelen als we al die regels proberen te houden. Als we in ons leven alle ballen, van werk, prive, sociaal, zorgen voor kinderen en soms ook nog onze ouders, zorgen voor een partner, in de lucht proberen te houden. Dan kun je vermoeid raken.
Soms kun je zo druk zijn dat je niet meer ziet wat belangrijk is en wat niet.
Dat je door de bomen het bos niet meer ziet.
Kom maar bij mij zegt Jezus. Zoals hij zegt: Laat de kinderen tot mij komen.
En deze uitnodiging van Jezus is een zachte en liefdevolle uitnodiging.
Kom maar bij mij. Geloven in mij is niet ingewikkeld. Wat ik van je vraag is niet moeilijk.
Mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Het beeld van het juk doet natuurlijk allereerst denken aan dat liedje. Twee emmertjes water halen, twee emmertjes pompen. Dat meisje met een houten juk op haar schouders waardoor ze twee emmers iets gemakkelijker kan dragen. Haar handen vrij kan houden om de emmers te begeleiden als ze naar huis loopt.
Maar dat juk dat Jezus hier bedoelt is een ander. Zoals vele voorbeelden komt ook dit voorbeeld van Jezus uit de landbouw. Een juk werd gebruikt om twee lastdieren in te zetten zodat zij samen het land kunnen ploegen.
Vaak een jonge en een al wat oudere. Samen zoekend naar balans. Want alleen door samen te werken kunnen zij vooruitkomen. Als je twee jonge dieren erin spande zou het niet goedkomen, dan ging het te snel. Spande je twee oude dieren in het juk dan ging het te langzaam. Je had van beide wat nodig. Dat is de wijsheid die in dit beeld verscholen zit. Oud kan de snelheid van zo’n jong dier gebruiken en jong heeft de rust van een ouder dier nodig om de onstuimigheid wat in te dammen. Zo werd het land op de meest maximale manier omgewerkt.

Het is een juk dat staat voor samenwerking. Samen moe worden, samen delen in het werk. Zo wil Jezus met ons onderweg zijn.
Als laatste wil ik een afbeelding laten zien van een icoon.

preek 21 jul 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Deze icoon wordt de vriendschapsicoon genoemd. We zien twee mannen naast elkaar staan. Er staan woorden bijgeschreven.
Naast de figuur rechts staat Soter – wat verlosser betekent. Links staat Apa Menas. Vader Menas betekent dit. Soter – Verlosser. We zien een man met een baardje en hij houdt een boek vast - De bijbel. We zien het kruisaureool boven zijn hoofd. Het gaat hier om Jezus. Vader Menas die naast hem staat was waarschijnlijk een monnik, een kloosterling. Wat treft is de nabijheid, Jezus heeft zijn arm om deze monnik heengeslagen. Nabijheid, vriendelijkheid, vriendschap is wat de afbeelding, de icoon uitstraalt.
Ook deze icoon geeft uitleg aan het evangeliegedeelte. Het juk van Jezus is zacht. Het is het zachte juk van de vriendschap. Van Iemand die schouder aan schouder met je wil staan. Samen met jou de dingen aan wil gaan. Dat is wat Jezus bedoelt als hij zegt: Mijn juk is zacht mijn last is licht. Als je in Jezus gelooft ben je nooit alleen, maar mag je samen met Jezus de wereld intrekken. Dat mag rust geven. Dat geeft rust voor mijn werk. Dat geeft hopelijk rust voor het werk van de mensen in de kerkenraad. Op andere plekken in de gemeente. Het mag rust geven aan al die mensen die gebukt gaan onder de dingen die ze dragen die te zwaar zijn.
Je hoeft het niet alleen te doen.
Op de plaats van monnik Menas, daar mag je zelf gaan staan. Want Jezus zegt ‘kom naar mij allen die vermoeid zijn'.
Zo is Jezus er voor ons en loopt hij met ons op. Hij brengt balans in ons werk en in ons leven. Hij is aanwezig, staat als een vriend naast ons. En gaat met ons mee. Hij wil weten wie wij zijn en waar we ons druk over maken. Schouder aan schouder met ons staan.
En onze last helpen verlichten.

Moge het zo zijn, Amen.