Protestanse Gemeente Naaldwijk

Omkeren- 12 augustus 2018- ds. Carel van der Meij

Overdenking op 12 augustus 2018 - Ontmoetingskerk
Lezingen: Jona 3 en Mattheus 12: 35-41
Thema: Omkeren
Overdenking
Gemeente van Jezus Christus,
Hoeveel ruimte is er in ons geloof en in onze manier van denken voor de gedachte dat God in liefde betrokken is op het leven van álle mensen - niet alleen de mensen die braaf zijn lof zingen, iedere zondag, maar ook de mensen die zich van God noch gebod iets aantrekken. Ik weet het antwoord op die vraag niet, ik stel de vraag alleen maar. En ik doe dat omdat de vertaling van hoofdstuk 3 van het boek Jona, dat we net gelezen hebben, weinig van die ruimte laat zien. ‘Nineve was een reusachtige stad’, horen we. Maar dat staat er niet. Er staat letterlijk: ’Nineve was een grote stad voor God’. Er zijn maar een paar vertalingen die het aandurfden die woorden zo te vertalen. In de oude Statenvertaling staat het zo: ’een grote stad Gods’. De Joodse filosoof en taalgeleerde Martin Buber vertaalde het zo: ’een grote stad voor God’. Bijna alle andere vertalingen hebben er iets anders van gemaakt. Ze hebben in de vertaling Nineve heel groot gemaakt. Reusachtig. Maar ze hebben God weggepoetst. Hoe kan God nou iets met die grote goddeloze stad te maken hebben?
Daarom stel ik de vraag hoe wij daarover denken. En weer kijken we bij het lezen van het boek Jona in een spiegel. Als we Jona zien, zien we onszelf. En mogen we ons afvragen hoe wij als gelovige mensen in het leven staan, hoe we onszelf en andere mensen in verhouding tot God zien staan. Jona had van de mensen in Nineve in ieder geval geen hoge pet op. Hij had weinig voor hen over. Dat laat de verteller van het boek Jona op een subtiele manier weten. Nineve was een grote stad voor God, vertelt hij, je had drie dagreizen nodig om er doorheen te komen. En meteen in de volgende regel komen we het woord dagreis weer tegen. Maar nu is er maar sprake van één enkele dagreis. Jona gaat één dagreis de stad in. Dat vindt hij blijkbaar meer dan genoeg. Ze vertellen het maar door aan elkaar in die grote stad. Daar heeft Jona verder geen boodschap aan.
Daar kun je natuurlijk over zeggen dat dat niet zo vreemd is. De stad Nineve stond voor Joodse mensen symbool voor de grootste vijand, de veroveraar, de overheerser. Moeten we daar zoveel moeite voor doen? Het is heel gemakkelijk om daar met ‘nee’ op te antwoorden. Maar het weerbarstige van het boek Jona is nou eenmaal dat God de opdracht geeft om die moeite wél te doen. Jona zou Nineve het liefst links laten liggen. Maar hij krijgt de opdracht om er te gaan preken. En wat er in hoofdstuk 1 en 2 wordt verteld maakt duidelijk dat hij niet om die opdracht heen kan. Dus wanneer het woord van God opnieuw tot Jona komt, en hem oproept om op te staan en naar Nineve te gaan, dan gaat Jona ook naar Nineve, zoals God hem heeft opgedragen. Blijkbaar heeft de periode van bezinning en berouw, de benauwde periode die wordt beschreven als een verblijf in het ingewand van die grote vis, toch wel iets in Jona veranderd. Het heeft hem gehóórzamer gemaakt. Hij hoort beter.
Maar dat wil nog niet zeggen dat hij God in alles gehoorzaam is en niet langer eigenwijs z’n eigen gang gaat. Dat wordt wel duidelijk wanneer je luistert naar wat Jona in Nineve preekt. Hij maakt niet te veel woorden aan die heidenen vuil. In het Hebreeuws zijn het precies vijf woorden. In de Nederlandse vertaling zeven. Ook een mooi getal. Maar Jona is er gauw klaar mee. Over veertig dagen einde verhaal, preekt hij. En blijkbaar maakt hij daarna ook meteen dat hij wegkomt, want we zien hem in hoofdstuk 3 niet meer terug. Hij heeft z’n onheilspreek afgestoken en verder zoeken ze het in Nineve maar uit.
Heeft Jona dan niet keurig gedaan wat hem door God was opgedragen? Dat is voor mij nog maar de vraag. Wie goed luistert heeft in de voorgaande hoofdstukken niets gehoord over een opdracht om te preken dat Nineve weggevaagd zou worden. In het begin van hoofdstuk 1 horen we Gods opdracht: ’Sta op, ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen, want het kwaad dat ze daar doen is ten hemel schreiend’. Nou gaat die vertaling al te ver, want er staat niet dat Jona Nineve aan moet klagen, er staat dat Jona in Nineve moet roepen, preken, dat het kwaad dat daar gedaan wordt ten hemel schreiend is. Maar er staat niet dat Jona moet preken dat Nineve weggevaagd moet worden. Het kwaad moet weg. Dat wil niet zeggen dat heel die grote stad Nineve van de aardbodem moet verdwijnen.
Ook bij de herhaling van Jona’s opdracht krijgen we dat niet te horen. Aan het begin van hoofdstuk 3 horen we dat Jona de opdracht krijgt om de woorden te preken die God hem geeft. Verder staat er niets. Blijkbaar wordt er van Jona, en ook van ons, gevraagd om te bedenken wat God ons vraagt door te geven aan anderen. Het woord dat Jona zelf gehoord heeft, heeft duidelijk geklonken in de eerste twee hoofdstukken van dit boek. God laat Jona niet los, ook al wil hij van God weg vluchten. Hij laat Jona niet stikken, hoe diep hij ook is gezonken. Hij geeft Jona weer grond onder de voeten, een weg om te gaan.
Dat is het woord dat God voor mensen bestemd heeft. God is geen bron van onheil die er op uit is om leven te vernietigen. God is de schepper van het leven. God wil de mensen vooruit helpen. Dat heeft hij bij Jona gedaan. Waarom zou Hij dat bij de inwoners van Nineve niet willen? God wil het kwaad de wereld uit. Hij wil niet de mensen de wereld uit. Maar dat is een onderscheid dat zijn vrome kinderen niet altijd mee kunnen maken. Jona kiest ervoor zijn boodschap iets minder genuanceerd over te brengen. Nineve zal worden weggevaagd. Punt. Over veertig dagen. Maar die veelzeggende periode van veertig dagen, die we in de Bijbel vaak tegenkomen als een tijd van vasten en bezinning, een tijd die vooraf gaat aan omkeer en bekering, die periode van veertig dagen krijgt bij Jona geen inhoud. Hij geeft geen ruimte voor omkeer. Hij geeft alleen ruimte voor veertig dagen van angstig afwachten tot een onherroepelijk einde.
Maar wie goed luistert hoort dat zelfs de woorden van Jona een ander geluid laten horen. Dat is de humor van de verteller. Hij laat Jona iets zeggen dat hij zelf helemaal niet in de gaten heeft. In de vertaling staat dat Jona preekt dat de stad Nineve weggevaagd zal worden. Het werkwoord dat daar in het Hebreeuws staat betekent iets anders. Het betekent letterlijk: ’omkeren’.  En de grap van dat werkwoord is dat het twee dingen kan betekenen. Iets kan letterlijk omgekeerd worden, op z’n kop gezet. Maar het kan ook betekenen dat iemand omkeert, een andere kant uitgaat. Het kan betekenen dat iemand zich bekeert. Jona roept dat het met Nineve een andere kant uit moet. Zijns ondanks. Want hij zal zich beter thuis gevoeld hebben bij de letterlijke betekenis: zet de zaak maar op z’n kop.
Maar dat gebeurt niet. Want de heidenen in Nineve blijken veel beter naar het woord van God te luisteren dan de vrome Jona. Ze hebben aan die paar woorden van Jona al genoeg. De inwoners van Nineve beginnen meteen met vasten en doen rouwkleding aan als teken van boetedoening. Wat je in de verzen daarna leest is weer een aardig staaltje subtiele humor. Het woord bereikt de koning. Ik weet niet of daarmee het woord van Jona, het woord van God bedoeld wordt. Of dat de koning te horen krijgt wat er aan de hand is. Maar hij geeft bevel dat de mensen moeten vasten en een boetekleed aan moeten trekken. Hij geeft bevel om iets te doen dat de mensen uit zichzelf al lang gedaan hebben. Hij doet het zelf ook. Hij denkt misschien dat hij het voorbeeld geeft. Maar in feite volgt hij het voorbeeld van zijn onderdanen. Blijkbaar zien we eerder iets van God laag bij de grond dan bij de mensen die het hoog in de bol hebben. Maar de koning krijgt nog wel een paar veelzeggende woorden in de mond gelegd. ‘Wie weet’, zegt de koning, ‘wie weet keert God om en heeft hij ontferming, keert hij om van zijn woede en gaan wij niet ten onder’. Twee keer hoor je daar hetzelfde werkwoord: ‘omkeren’. Jona had gepreekt: Nineve wordt omgekeerd. De koning hoopt dat God zich omkeert. En in vers 10 horen we dat God ziet dat de inwoners van Nineve zich hebben omgekeerd en God krijgt berouw over het kwaad dat Hij Nineve had aangezegd. En Hij doet het niet.
Het boek Jona is dus geen boek over een onontkoombaar oordeel dat het vrome volk de heidenen aan moet zeggen. Het is een boek dat laat zien hoe veel ruimte God de mensen, zijn kinderen, wil geven. God keert de zaken maar wat graag om. Het beeld van God is heel wat dynamischer dan het starre beeld dat we door de eeuwen heen vaak van het geloof te zien hebben gekregen. God zou onbewogen zijn, is er door de eeuwen heen vaak beweerd. Onbewogen zijn vooral de dogma’s waarin generaties lang het geloof door mensen bevroren is weggezet. Het beeld van God dat we in het boek Jona te zien krijgen is totaal anders. God is een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. Maar met die woorden loop ik op de zaken vooruit. Want dat is wat Jona zelf zegt in hoofdstuk 4. Alleen wordt hij er niet blij van, maar boos.
God is een God die om kan keren. En juist daarom kunnen ook mensen zich omkeren. Wie had durven dromen dat de inwoners van die grote stad Nineve zich om zouden keren, voor een andere manier van leven zouden kiezen? Mensen dragen die mogelijkheid dus in zich. Het kan anders. Dat vind ik hoopgevend. Ook voor onze tijd en ons leven. We zitten niet in een trein die alleen maar door kan denderen. We kunnen ook uitstappen en een andere route kiezen. We hoeven niet te denken dat we gedwongen zijn om de aarde op te stoken tot het bittere einde, zal ik maar zeggen. We kunnen van het gas af. We kunnen anders leven. God geeft ons de mogelijkheid om ons leven om te keren. Ik hoop dat we leren van het voorbeeld van de heidenen in Nineve. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Weer aan land- 5 augustus 2018- ds. Carel van der Meij

Overdenking op 5 augustus 2018
Lezingen: Jona 2 (hoofdlezing) en Lukas 18: 1-8
Thema: Weer aan land
Overdenking
Gemeente van Jezus Christus,
Er is een grap van de cabaretier Fons Janssen, zaliger nagedachtenis, waarin hij vertelt dat een groep Amerikaanse toeristen wordt rondgeleid in het Heilige Land. Eén van de attracties van de rondleiding is de herberg waar de barmhartige Samaritaan zorg en onderdak had geregeld voor de man die hij halfdood had opgeraapt langs de kant van de weg. Een grapje van de gids. Maar je zou er zomaar in kunnen trappen. Wanneer je vergeet dat die herberg nooit bestaan heeft. Omdat het verhaal dat Jezus vertelt een gelijkenis is. Een verhaal dat niet in een geschiedenisboek te vinden is. Maar in het levensboek waarin God ons mensen openbaart wat het geheim van geloof en leven is. In een gelijkenis gaat het niet om dingen die vroeger gebeurd zijn. Het gaat om de mensen die wij nu zijn. De weg die wij nu gaan. In de hele Bijbel zijn keer op keer gelijkenissen te vinden, zoals ook Jezus die vertelde. Gelijkenissen die ons helpen de vraag te stellen wie wij zijn als mens. Wat er deugt in ons leven. En wat er niet deugt.
Het hele boek Jona kun je lezen als zo’n gelijkenis. Geen boek met een historische inhoud. Maar een boek met een profetische boodschap. Een boek dat ons waarschuwt tegen de neiging onszelf in een beter daglicht te zien dan mensen die anders zijn dan wij. Mensen die anders leven. Mensen die anders geloven. In de Bijbel kom je boeken tegen waar die mentaliteit uit spreekt. Het zijn boeken die vertellen over de periode dat het Joodse volk terugkeert uit de ballingschap in Babylonië. Terug in Jeruzalem proberen ze de stad en de tempel weer op te bouwen. We lezen er over in boeken als Ezra en Nehemia. Maar zoals altijd dreigen mensen in hun goede bedoelingen soms door te schieten. De Samaritanen, een verwant maar niet zuiver Joods volk, mogen niet helpen bij de wederopbouw. Er wordt gewaarschuwd tegen gemengde huwelijken. Maar gelukkig klinken er stemmen die tegenwicht bieden tegen die doorgeschoten vroomheid. Je hoort die stemmen in een boek als Prediker. En zeker hoor je die stemmen in het boek Jona, dat hoogstwaarschijnlijk in diezelfde tijd geschreven is, na de terugkeer uit de ballingschap van het Joodse volk. De heidenen komen in dit boek een stuk sympathieker over dan de vrome Jona.
Al betekent dat natuurlijk niet dat de naam van Jona wordt geschrapt in het boek met de namen van Gods kinderen. Maar Jona wordt wel een tijdje apart gezet om eens goed na te denken over de weg die hij gekozen heeft. Het is niet voor niets dat het boek Jona in de Joodse traditie een plek gekregen heeft in de lezingen op de Grote Verzoendag. De woorden van het boek Jona roepen ons op tot bezinning en berouw over wat we gedaan hebben. God laat Jona niet aan zijn lot over wanneer hij overboord wordt gegooid. God laat hem niet los. Maar hij zet hem wel op z’n plek. Een plek die Jona dwingt zich te bezinnen. Een plek waar hij niet zomaar weg kan. Drie dagen en drie nachten zit hij daar, vol van gedachten over schuld en onheil. Op een plek waar een mens niet thuishoort.
Ook in de christelijke traditie heeft het boek Jona een bijzondere plek gekregen, zeker dit tweede hoofdstuk. Het wordt vaak gelezen in de nachtelijke viering van de Paaswake, wanneer we horen dat Jezus drie dagen in een graf lag, neergedaald naar de hel, zoals het in de Apostolische Geloofsbelijdenis staat. En opgestaan, op de derde dag.
Maar dat opstaan is nu juist wat Jona niet gedaan heeft. God heeft hem opgewekt om op te staan. Maar Jona is alleen maar afgedaald. Hij is afgedaald naar de laaggelegen havenstad Joppe, hij is afgedaald in het schip, zo wordt het verteld, en hij is afgedaald in het ruim van het schip. En tenslotte is hij afgedaald in de diepte. Daar zit ‘ie. Vervuld van besef hoe hij daar gekomen is. En doordrongen van het feit dat hij daar op eigen kracht niet uit komt. De schrijver van het boek Jona heeft er voor gekozen om dat duidelijk te maken met het beeld van een grote vis, die Jona heeft opgeslokt. In de tijd dat het boek geschreven werd zal niemand daar veel moeite mee gehad hebben. De diepzee was voor de mensen toen een nog veel groter mysterie dan voor ons nu. Maar het gaat in dit boek niet om de vis, hoe groot die ook is. Het gaat om schuld en berouw. En het gaat om verlangen en redding. Dat is wat ons wordt voorgehouden in het boek Jona. Die vis wordt ons niet voorgehouden. Die hoeven we niet te slikken. Al staat het iedereen vrij om dat beeld letterlijk te nemen. Als we maar vasthouden dat het niet om die vis gaat, maar om de ruimte waarin Jona tot bezinning komt.
In die ruimte wordt ons in Jona het beeld getoond van de ware gelovige. Hij moest stevig door elkaar geschud worden voor het zover kwam, maar hier, in het tweede hoofdstuk, in het gebed van Jona, worden ons twee belangrijke thema’s van het geloof voorgehouden. Jona laat zien dat hij besef heeft van schuld. En Jona houdt vast aan zijn verlangen naar God, naar de plek waar hij zich door God gezien weet. Jona verstopt zich niet langer voor het tekort in zijn leven. Maar hij houdt ook vast aan zijn vertrouwen in God die zijn pappenheimers, die ook zijn kinderen zijn, kent. En juist daarom niet los laat. Het vertrouwen overwint de angst. Genade en liefde bevrijden een mens van de last van de schuld.
Het gebed van Jona laat zien dat hij schuldbewust is. Hij is op de vlucht gegaan voor zijn opdracht. Hij wilde weg van God. In het eerste hoofdstuk wordt dat een paar keer herhaald: weg van God. Daar is hij nu. En hij is er treurig aan toe. Diep gezonken. Het water staat tot aan zijn lippen. Misschien wordt zijn situatie nog het best getekend door wat er in vers 6 staat. De vertaling luidt: muren van water storten op mij neer. In het Hebreeuws staat er: de oervloed omringt mij. De oervloed. Dat woord komen we ook tegen in het begin van het scheppingsverhaal. Waar we horen over duisternis en chaos. Over de oervloed die alles bedekt en leven onmogelijk maakt. De oervloed van voor de schepping. Voordat God licht en leven en liefde door liet breken. Jona wilde weg van God. Daar is hij nu. En hij beklaagt zijn lot. Maar hij geeft God niet de schuld. Het is zijn eigen keuze geweest om af te dalen in plaats van op te staan. Het gebed van Jona is een belijdenis van schuld.
En tegelijk is zijn gebed meer. Want geloof in God blijft niet steken in schuld. Wie altijd met het hoofd naar beneden gebogen loopt heeft vergeten dat God verder met ons meegaat dan we vaak durven denken. In het gebed van Jona klinkt ook verlangen door en vertrouwen. Juist nu zijn levensadem hem verlaat komt Jona er toe om te bidden. Juist in het uur van de dood grijpt hij zich vast aan de God van het leven. Hij vertrouwt dat het rijk van de dood niet de plaats is waar een mens thuishoort. Hij hoort thuis in de heilige tempel, in het huis van God. Hij vertrouwt dat God antwoord geeft, juist aan mensen die om hulp schreeuwen. God kent ons, God weet wie wij zijn en hoe wij zijn. God is anders dan de armzalige afgoden, waar Jona niets van moet hebben. Met God valt niet te marchanderen. Hij is niet geïnteresseerd in de schamele verdiensten waarmee mensen hun leven proberen te rechtvaardigen. God is een God van liefde en genade. Hij trekt ons omhoog uit het dodenrijk. Niet om wie wij zijn. Maar om wie Hij is. God is liefde. En daar geeft Jona zich aan over. Dat is het enige dat hem overblijft in de diepte. Dat is ook het enige dat ons leven kan redden.
Voor ons is de vraag of wij Jona dat gebed na kunnen zeggen. Schuld is geen populair thema in de gesprekken die wij voeren. Dat is misschien maar goed ook. Voor je het weet nemen we elkaar de maat en gaan we schuld vergelijken. Een ander is altijd schuldiger dan wij zelf. Als we onze schuld maar niet proberen te verbergen wanneer we contact zoeken met God, in ons gebed. En dan hoop ik dat we het voorbeeld van Jona durven volgen. Jona die eerlijk is en geen lijstje armzalige verdiensten begint op te sommen. Maar die belijdt dat zijn leven staat of valt met de liefde van God, die ons uit de diepte omhoog haalt. Die vertrouwt dat God dat ook doen zal. Die zijn laatste adem gebruikt om God te danken. Dat maakt Jona, die eerst meer dood dan levend leek, nu meer levend dan dood.
Dat betekent niet dat Jona opeens een modelmens wordt. We blijven, zoals de kerkhervormer Maarten Luther ooit gezegd heeft, tegelijkertijd zondaar en gerechtvaardigde. Ook in het vervolg van het verhaal zien we een kant van Jona die niet zo positief is. Net een mens, zal ik maar zeggen. We zien het aan de reactie van de vis. Die spuugt Jona uit. In dat werkwoord zit een betekenis verborgen die met walging te maken heeft. De vis was Jona goed zat. Hij was blij dat z’n klus erop zat. Maar Jona zet weer voet aan wal. Hij krijgt vaste grond onder de voeten. Het droge land dat God geschapen heeft toen hij de oervloed bedwong. Jona mag verder, met vallen en opstaan. Zoveel houdt God van de mensen, zijn kinderen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Overboord- 29 juli 2018- ds. Carel van der Meij

Overdenking op 29 juli 2018
Lezingen: Jona 2 (hoofdlezing) en Marcus 6: 45-52
Thema: Overboord
Gemeente van Jezus Christus,
Er is iemand die het boek Jona een keer vergeleken heeft met een lachspiegel. Het lijkt misschien een vreemde gedachte, om een Bijbelboek te vergelijken met een lachspiegel, maar het lijkt mij goed om die gedachte toch niet te snel los te laten. Want de verhalen uit de Bijbel hebben vaak de functie van een spiegel. We zien in die verhalen niet alleen hoe anderen op weg zijn in hun leven, hoe andere mensen hun weg zoeken, met of zonder God. We zien in die verhalen vaak ook ons eigen leven weerspiegeld. Bijbelverhalen helpen ons naar ons eigen leven te kijken, leren ons de vraag te stellen wie we zijn, hoe we onderweg zijn, hoe ons leven in verband staat met de andere mensen, met God.
Die functie heeft het boek Jona zeker, denk ik. En daar komt dan bij dat het boek Jona vol humor zit. Het is geen dijenkletser, maar het boek Jona zit vol met fijnzinnige humor. Humor die de vrome gelovige keer op keer te kijk zet. Een beetje belachelijk maakt ook, soms. Het boek Jona helpt ons om onszelf als gelovige niet al te serieus te nemen. Daarom heeft dit boekje ook een plaats gekregen tussen de boeken van de profeten. Een profeet is iemand die ons iets te zeggen heeft, namens God. Het woord profeet is afgeleid van een werkwoord dat betekent: spreken in plaats van. Een profeet spreekt namens God. Een profeet heeft een opdracht. Een profeet spreekt over de weg die God ons mensen wijst, en roept ons steeds weer op naar die weg terug te keren. En een profeet spreekt namens mensen die geen stem krijgen in deze wereld. Mensen die vergeten en onderdrukt worden. En die zo het teken zijn van alle goddeloosheid die soms in deze wereld, en in ons eigen leven kan heersen.
Het boek over de profeet Jona bepaalt ons bij de werkelijkheid van Gods recht en Gods liefde. Want mensen nemen vaak het recht in eigen hand en daarbij wordt de liefde nogal eens vergeten. Het boek Jona wijst ons op de valkuil waar gelovigen door de eeuwen heen vaak in gestapt zijn. De valkuil van de gedachte dat zij de ware gelovigen zijn. En dat alle andere mensen het bij het verkeerde eind hebben en dus ver van God verwijderd zijn. In het boek Jona horen we dat God betrokken is bij het leven van álle mensen. Dat God voor alle mensen het goede wil. En dat niemand moet denken een treetje hoger te staan voor het aangezicht van God. Is er dan geen uitverkoren volk? Zeker is dat er. Het Joodse volk is het door God uitverkoren volk. En waar de apostel Paulus de christelijke gemeente het nieuwe Israël noemt zou je die gedachte ook voor de christelijke kerk kunnen gebruiken. Maar uitverkoren zijn betekent niet je dat voorgetrokken wordt. Uitverkoren zijn betekent dat je bedoeld bent als een licht voor de volken. Geen steen waar mensen over struikelen. Maar een baken van hoop en redding.
Die roeping is door de eeuwen heen niet altijd even goed verstaan. Niet door het volk Israël. En zeker niet door de christelijke kerk. De kerk is door de eeuwen heen eerder bekend geworden door de priemende wijsvinger dan door de geopende armen. Als de kerk van die kwaal wil genezen zullen we de ziekte eerst bij de naam moeten noemen. En het boek Jona is in mijn ogen een goed geneesmiddel tegen die kwaal. Zo is het ook in de verzameling heilige boeken van de Joodse traditie gekomen, en langs die weg in de Bijbel. Als een geneesmiddel tegen de kwaal van de vrome zelfgenoegzaamheid. Als een waarschuwing tegen het gemakkelijke oordeel van mensen die zichzelf zien als uitverkoren door God, en de rest van de mensheid als brandhout voor de hel. Jona is zo’n vrome, die genoeg heeft aan zichzelf. En hij wordt in dit boek in al zijn vroomheid te kijk gezet. Zo kunnen we het boek Jona lezen. Niet als een historisch verslag. Maar als een gelijkenis die ons helpt ons leven te zien zoals het echt is, met de juiste verhouding tot God en tot elkaar.
Is er dan geen grote tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen? Het boek begint toch met een opdracht van God aan de profeet Jona om de ongelovigen eens flink de oren te wassen? Hij moet naar Ninevé, die grote stad. Het woord ‘groot’ gaat niet alleen over de omvang van de stad. Het zegt ook iets over wat de naam van die stad bij mensen opriep. Ninevé was in die tijd het symbool voor de grootste vijand van het volk Israël. Het was de hoofdstad van het rijk van Assyrië. Een rijk van wrede veroveraars en onderdrukkers. Jona wordt geroepen om dat onrecht aan te klagen. Het onrecht van zelfoverschatting. Het onrecht van de aanbidding van grenzeloze macht. Wat dat betreft zijn de geluiden, die we horen uit de mond van de grote machthebbers van onze tijd, niet nieuw. En de opdracht van God is om die machten tot de orde te roepen. Dat betekent niet dat Ninevé plat gegooid moet worden. De opdracht is een aanklacht te laten horen, niet een vernietigend oordeel uit te spreken. De stad moet tot de orde worden geroepen, anders gaat Ninevé aan haar zelfoverschatting te gronde.
Misschien is dat wel wat Jona, in al zijn vroomheid, doet besluiten om geen boodschap aan de opdracht van God te hebben. Er zijn veel mensen die denken dat Jona op de vlucht ging omdat hij er voor terugschrok om in Ninevé een aanklacht te laten horen. Het lot van een profeet is vaak hetzelfde als het lot van een klokkenluider. Ze worden verguisd en zwart gemaakt. Het leven wordt ze onmogelijk gemaakt. Maar het is de vraag of angst voor dat lot Jona ertoe brengt om op de vlucht te gaan. Jona, zijn naam betekent ‘duif’. Maar hij zou liever een havik zijn. Hij krijgt de opdracht om Ninevé tot inkeer en omkeer te brengen. Maar hij laat de stad liever doormodderen in het spoor van onrecht. Zodat het spoor van Ninevé tenslotte doodloopt. Jona weet maar al te goed dat God een God van genade is. Daar ziet hij geen profijt in, deze profeet. Hij gaat niet naar Ninevé, hij gaat precies de andere kant uit, naar Tarsis. Hij is niet bang voor de macht van Ninevé, hij wil weg van de Heer. Dat wordt niet voor niets een paar keer herhaald. Het zijn blijkbaar juist de vromen die in de praktijk soms niets van Gods wegen willen weten.
Maar ja, weg van God, dat kan niet. Als we denken voor God weg te kunnen lopen zou het wel eens kunnen gaan stormen in ons leven. Je kunt wel krampachtig proberen God niet aan boord te laten, maar je kunt niet om Gods aanwezigheid heen. Het schip waarin Jona denkt te kunnen vluchten komt niet vooruit, het dreigt te breken. En de bemanning valt ten prooi aan angst. De zeelieden roepen allemaal tot hun eigen God om hulp. Ze hebben allemaal hun eigen god, maar dat is geen reddende god. Het is de keerzijde van hun kwade geweten. Nood leert bidden. Maar angst doet mensen schreeuwen. En dat is wat de zeelieden doen.
Jona, intussen, weet van niets. Hij was in het ruim van het schip gaan liggen en was in een diepe slaap gevallen. Dat kan natuurlijk helemaal niet. Een schip dat slingert en stampt in een zware storm is geen plek waar een mens kan slapen. Die slaap van Jona is symbool voor de manier waarop hij zich afsluit voor de werkelijkheid. Hij sluit zijn ogen voor de zorg en de angst van mensen om zich heen. Dat doet me denken aan een Joods verhaal over een vrome jonge man, die verdiept is in de heilige schrift. In de kamer, waar hij studeert, ligt ook zijn zoontje. Het kind huilt, maar hij trekt zich er niets van aan. Tot zijn vader binnenkomt en hem een draai om z’n oren geeft. ‘Hoor je niet dat je kind huilt?’ ‘Vader, ik was verdiept in de heilige schrift’. ‘Wie de heilige schrift begrijpt, hoort zelfs een vlieg die over de muur kruipt, laat staan een kind dat huilt’.
De vrome Jona krijgt een draai om de oren van de heidense kapitein. De kapitein herhaalt de oproep van het begin: ‘sta op’. Jona was alleen maar afgedaald: naar Jafo, in het schip, in het ruim. Maar hij ontkomt niet aan zijn opdracht, al moet die hier door een heiden uitgesproken worden. Niet dat Jona tot zijn god gaat bidden. Dat komt later pas, in hoofdstuk 2. Nu wordt eerst alleen zichtbaar dat de schepelingen door de vrome in hun midden alleen maar last en ellende te verduren krijgen. Ze werpen het lot om te begrijpen waar ze al die ellende door gekregen hebben. En het lot valt op Jona.
Maar hij wordt niet onmiddellijk over boord gegooid. Blijkbaar zijn de heidenen menselijker dan de vromen vaak denken. Jona moet duidelijk maken wie hij is, waar hij voor staat. En dan komt hij voor het eerst ergens voor uit. Hij vereert God die de hemel gemaakt heeft, die de zee en het land gemaakt heeft. Onze hulp is in de naam van God, die hemel en aarde gemaakt heeft, dat is wat hij daar eigenlijk zegt. Het is een brug te ver om meteen vertrouwen te wekken. De schepelingen worden doodsbang, horen we. Als je die God vereert, hoe heb je dan kunnen doen wat je gedaan hebt, vragen ze. Hoe haal je het in je hoofd om die God tegen te werken? En wat moeten wij nu doen?
Jona geeft een antwoord vol vrome zelfopoffering. Gooi mij maar overboord. Hij erkent in ieder geval dat hij de oorzaak is van alle narigheid. Maar de heidense zeelieden gaan niet zomaar met die vrome gedachte mee. Ze doen eerst wat ze kunnen doen. Ze nemen hun verantwoordelijkheid voor hun medemens serieus. Tot de laatste gram. Doen wat je kunt. Roeien. Maar het gat van het kwaad is niet altijd met onze goede bedoelingen te dichten. Uiteindelijk kan het offer kan niet vermeden worden. In dat opzicht is het boek Jona ten diepste ook een messiaans boek. Hier schijnt al iets door van het offer dat Jezus zal brengen. Het diepste geheim van het leven is het offer. Eén moet op de bres staan voor anderen. Anders komen we er niet uit.
Dat durven de heidense zeelieden nauwelijks te aanvaarden. Maar ze moeten wel. Ze willen niet als goeden onder een kwade lijden. Maar ze zijn ook bang om bloed te vergieten. Wie zal zeggen wie schuldig of onschuldig is? Ze laten het over aan God, die doet wat Hij wil.
Jona gaat overboord. Hij wordt toevertrouwd aan het water waar God de baas over is. En de storm stilt. Dat doet iets met de schepelingen. Er is geen sprake meer van blinde angst, van mensen die naar elke willekeurige god schreeuwen. Er is sprake van ontzag. Zij weten zich gered, op een onbegrijpelijke manier. Hun leven behoort niet meer aan henzelf, hun leven behoort aan die God. Ze binden zich aan die God met beloften. Ze leggen hun leven in zijn handen. Het eerste hoofdstuk van het boek Jona eindigt ermee dat de heidenen het goede voorbeeld geven. Een voorbeeld om te volgen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Topontmoeting- 22 juli 2018- ds. Eibert Kok

Topontmoeting?

Zondagmorgen 22 juli 2018, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Marcus 6: 17-44

 Preek 22 juli 1

Wie ook maar een klein beetje het nieuws gevolgd heeft, zal het niet ontgaan zijn: de president van Amerika was op bezoek in Europa. Twaalf dagen geleden kwam hij aan.

Nadat hij eerst ontmoetingen had gehad met bondgenoten en naar al die bondgenoten had uitgehaald met ongezouten kritiek en hen zo figuurlijk een dreun had verkocht, reisde hij nu een week geleden door naar Helsinki om daar een ontmoeting te hebben met de president van Rusland.

En daar stonden ze dan, de twee wereldleider. Tenminste, zo zien ze zichzelf graag.

Twee mannen die, zo lijkt het, niets liever doen dan alle ruimte voor zichzelf opeisen, twee hele grote ego’s die meedogenloos anderen neermaaien als die hen in de weg staan.

Die niet willen weten van erkennen van fouten.

Natuurlijk hebben zij gelijk, linksom of rechtsom.

Eén met bloed aan zijn handen.

Afgelopen week werd ook herdacht dat vier jaar geleden het vliegtuig de MH17 uit de lucht werd geschoten.

Maar bij de ander klonk geen tegengeluid.

Twee mannen van het soort van Herodes.

Met veel bravoure en vlagvertoon verdedigers van het grote eigen gelijk, ten koste van anderen.

Vandaag hebben we het gruwelijke bijbelverhaal gelezen van de dood van Johannes de Doper.

Het is een bijbelgedeelte dat in de leesroosters wordt overgeslagen.

Na het gedeelte van vorige week – de twaalf leerlingen worden eropuit gestuurd, twee aan twee, niets mogen ze meenemen voor onderweg, alleen een stok, zo worden ze eropuit gestuurd om het goede nieuws te brengen – is vandaag het bekende gedeelte aan de beurt van de vijf broden en de twee vissen, een mooi verhaal dat iedereen een goed gevoel geeft,

een mooie opdracht ook om zo in het leven te staan als mensen die het brood delen met elkaar, zodat er voor iedereen genoeg is.

Maar het verhaal ertussen, van de dood van Johannes de Doper, wordt in het zondagse leesrooster overgeslagen.

Dat snap ik ook wel. Wat moeten we in hemelsnaam daarmee?

Fascinerend is trouwens dat in de beeldende kunst dit bijbelverhaal níet overgeslagen is.

Als je gaat zoeken, kun je verschillende afbeeldingen vinden.

Preek 22 juli 2

Om een voorbeeld te noemen, in de eregalerij van het Rijksmuseum hangt het schilderij, van de grootmeester Rembrandt: De dochter van Herodias ontvangt het hoofd van Johannes de Doper.

Een prachtig schilderij, maar een gruwelijk tafereel.

Dit wil je eigenlijk niet zien, maar liever overslaan.

Het leesrooster slaat het over.

Er zijn zelfs uitleggers van het Marcusevangelie die tot de conclusie komen dat dit verhaal ook helemaal niet past in het geheel van Marcus.

De Bijbel bevat vier bijbelboeken die ieder voor zich het verhaal van het leven van Jezus vertellen. Marcus is daarbij de kortste van de vier, en in het Marcusevangelie zit ook iets van een bepaalde haast. ‘Terstond’ stond er dan in de oude vertaling, ‘meteen’ in de nieuwe. Jezus zegt iets, en ‘meteen’ gebeurde het… Dat woordje komen we bovengemiddeld veel tegen in Marcus. Kort, snel. Het evangelie voor de Westlander, zal ik maar zeggen, niet uitweiden, recht op je doel af. Dat is Marcus.

Vanuit die gedachte past volgens sommigen die uitweiding over de dood van Johannes niet zo goed.

Aan de andere kant zijn er genoeg aanwijzingen die erop duiden dat Marcus dit verhaal heel bewust hier vertelt.

In het gedeelte hiervoor werden de twaalf leerlingen eropuit gestuurd om het goede nieuws te brengen.

Jezus waarschuwt dan dat ze soms níet welkom zullen zijn.

Het verhaal dat volgt, van de dood van Johannes, laat zien wat dat in extreme gevallen kan betekenen als jouw inbreng met dat goede nieuws níet welkom is.

Het gáán voor de goede zaak, gáán voor het koninkrijk van God, vóór rechtvaardigheid en tegen onrecht, kan weerstand oproepen, zál weerstand oproepen, kan in extreme situaties betekenen dat jou jouw vrijheid ontnomen wordt, kan zelfs de dood betekenen.

Het lijkt alsof Marcus dit verhaal hier vertelt om wie dit hoort of leest ervan te doordringen dat leven op de manier van Johannes en Jezus verstrekkende gevolgen kan hebben, ook voor mensen die hen in dat spoor willen volgen.

Gaan in het spoor van Jezus, staan voor de goede zaak is niet zonder risico.

En er zijn meer dan genoeg mensen op deze wereld die dat ook vandaag de dag aan den lijve ondervinden, zeker in landen waar Herodesachtige figuren aan de macht zijn.

Mensenrechten worden geschonden, godsdienstvrijheid ingeperkt, en wie zijn stem daartegen verheft wordt monddood gemaakt.

Dat is, denk ik, de link met het voorgaande bijbelgedeelte.

Maar de link met het verhaal hierná, van de vijf broden en twee vissen, is misschien nog wel sterker,

en daarom hebben we vandaag behalve dat verhaal ook het verhaal van de dood van Johannes gelezen.

Het ene verhaal is het tegenbeeld van het andere.

Waar gaat het over? Een belangrijk aspect hier is: leiderschap, wanneer is iemand een goede leider?

Eerst zien we een leider die vooral zichzelf wil handhaven, desnoods ten koste van een ander, iemand die zijn eigen ruimte opeist en een ander zijn ruimte om te leven ontneemt.

Vervolgens zien we een leider die niet leeft ten koste van een ander, maar ten bate van een ander, voor wie het niet zijn levensdoel is zijn eigen positie veilig te stellen, maar om een ander het leven te gunnen en te geven.

Kortgezegd: leven nemen tegenover leven geven.

Een goede leider is niet de cowboy op een paard die zich al schietend een weg baant, maar de herder die oog en hart heeft voor zijn schapen en alles voor zijn schepen overheeft,

niet iemand die neemt, zodat er voor hemzelf genoeg is, méér dan genoeg,

maar iemand die deelt, en die leert om te delen, zodat er voor iedereen genoeg is, méér dan genoeg,

iemand die van het kleine dat voorhanden is, vijf broden en twee vissen, in vertrouwen iets groots weet te maken voor iedereen.

Herodes en Jezus, twee totaal verschillende stijlen van leiderschap, tegenovergesteld aan elkaar, een wereld van verschil.

Nemen en vooral voor jezelf leven, of geven en vooral voor anderen leven.

Het verhaal van de dood van Johannes is behalve een gruwelijk ook een heel herkenbaar verhaal,

misschien zijn mensen wel eerder geneigd om zo te leven, dan te leven op de manier van het tweede verhaal, van geven en delen.

Herkenbaar misschien ook wel vanwege alle relatieperikelen die we tegenkomen en de eigen dynamiek die dat met zich meebrengt, vanwege de machtsspelletjes die er gespeeld worden, zoete wraak. Het zou zomaar in een doorsnee tv-serie passen.

Herodes was getrouwd, maar hij gaat een relatie aan met de vrouw van zijn broer Filippus.

Kan die dat wel maken? Nou, sommige mensen denken dat ze alles kunnen maken.

Johannes vindt dat die dat níet kan maken en verkondigt dat blijkbaar openlijk, met als gevolg dat hij in het gevang terechtkomt en zo monddood wordt gemaakt.

Herodes heeft op de een of andere manier nog wel ontzag voor Johannes, toch wel een goed mens in zijn ogen, een beetje in de sfeer van Pilatus die later over Jezus zal zeggen: ik vind geen schuld in deze man, een dissident met aantrekkingskracht.

Maar Herodes’ nieuwe partner kan Johannes’ bloed wel drinken.

Er is trouwens nog een verband tussen de twee bijbelverhalen die we vanmorgen gelezen hebben, in beide wordt er gegeten, in beide gaat het over een maaltijd.

Maar de vraag is dan – en daarin zijn de twee verhalen weer elkaars tegenbeeld – wie krijgt er te eten, naar wie gaat de uitnodiging?

Voor mensen als Herodes is dat duidelijk, die uitnodiging gaat naar een kleine bovenlaag: hovelingen, hoge militairen, voorname burgers, mensen die zelf al genoeg hebben.

In het tweede verhaal zijn het de gewone mensen die komen eten, de menigte, vijfduizend, mensen die geen eten hebben.

Op het feestmaal van Herodes wordt gedanst door de dochter van Herodes’ nieuwe partner. Een schot in de roos, iedereen enthousiast.

Herodes komt met grootspraak, of misschien wel beter gezegd dronkenmanstaal.

Hij zegt tegen het meisje dat hij haar geweldig belonen zal: Zeg maar wat je wilt, al is het de helft van mijn koninkrijk.

Dat is natuurlijk lege retoriek, zoals grote leiders, en ook kleine leiders, wel vaker holle woorden uitslaan om indruk te maken op anderen.

Maar het is grootspraak waarmee hij zichzelf in problemen brengt.

Want na gesmoesd te hebben met haar moeder antwoord het meisje dat ze het hoofd van Johannes de Doper wil, op een schaal, en nu ‘meteen’. Daar hebben we dat woordje weer dat in Marcus zo vaak voorkomt.

Tja, en wat doe je als je jezelf in de problemen hebt gekletst met je veel te grote woorden?

Een mogelijkheid zou zijn je eigen misstap te erkennen.

Maar dat doe je natuurlijk niet, je wilt geen gezichtsverlies, en je wilt jezelf en je eigen positie natuurlijk handhaven.

Met als gevolg dat die ander het slachtoffer wordt van jouw manier van doen.

Zo gaat Herodes te werk. En het is niet ver weg.

Die manier van doen, in het groot en in het klein, met letterlijk slachtoffers of figuurlijk slachtoffers, hoe vaak komen we het niet tegen?

Of misschien maken we ons er zelf wel schuldig aan.

Jezelf handhaven, ten koste van de ander.

Jezelf ergens uitdraaien, op een manier die absoluut geen schoonheidsprijs verdient. De stijl van Herodes.

Preek 22 juli 3

Daartegenover de stijl van Jezus.

In de Bijbel is een goede leider altijd een herder.

De aartsvaders waren herders. De grote koning David begon ooit als herder zijn loopbaan.

Dat is niet voor niets. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.

Die verwijzing naar het herderschap zit heel duidelijk in het verhaal van de vijf broden en de twee vissen.

Jezus wil eigenlijk even rust. Hij is met zijn leerlingen per boot vertrokken naar een stille plek. Om op adem te komen.

Maar de mensen stromen naar hem toe.

Dan lezen we: Toen hij uit de boot stapte, zag hij een grote menigte en voelde hij medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder. Daar heb je het beeld van de herder.

En even verderop. Dan moeten de mensen gaan zitten ‘in het groene gras’. Onbeduidend detail zou je zeggen, maar nee.

Wie thuis is in de Schriften weet: als het gaat over groen gras dan gaat het over de herder van Psalm 23: De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij rusten in groene (!) weiden en voert mij naar vredig water.

Jezus ook hier als de goede herder, die geeft, die deelt van wat voorhanden is, aan iedereen.

Preek 22 juli 4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ga afronden. Waarom moeilijk doen, als het samen kan, vraagt Loesje ons.

In het bijbelverhaal gaat het over twee totaal verschillende manieren van leven, en van allebei hebben wij misschien wel iets in ons.

Maar welke geven we de ruimte?

Preek 22 juli 5

Jezus houdt ons voor om te delen van wat voorhanden is.

Wat heb je zélf te geven? Ga eens kijken.

Vijf, en twee vissen. Dat is wat ze zelf bij zich hebben.

Niet veel misschien. Maar het is voldoende.

Dit verhaal gaat over de enorme kracht van het geven, om niet.

Een andere wereldorde dan de orde van: voor wat hoort wat, van de grote mond en het recht van de sterkste.

Geven is afzien van het recht om iets terug te vragen.

Wie geeft, verwacht geen gelijkwaardige tegenprestatie van de persoon aan wie hij gegeven heeft.

“Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel (!), sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen…”

Gericht op God, én op de ander. In vertrouwen.