Lockdown- 20 december 2020- Ds. Eibert Kok

Lockdown

Zondagmorgen 20 december, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Lucas 1: 57- 79

preek 20dec 1

 

 

 

 

 

 

 


Níet kunnen zingen, ik vind het vreselijk. Weer voluit kunnen zingen, het lijkt mij heerlijk!
Dat gevoel verbindt mij met de figuur van Zacharias uit het Bijbelverhaal van vandaag.
Maandenlang kon hij niet zingen, zelfs niet spreken. Het Bijbelverhaal spreekt over een verlamming van zijn tong.
Toen hij maanden geleden dienst had in de tempel en een engel hem verscheen met de boodschap dat hij, Zacharias, en zijn vrouw Elisabeth op hun oude dag nog een kind zouden krijgen, kon hij het niet geloven.
Dat gebrek aan vertrouwen werkte bij hem verlammend, zo vertelt het verhaal. Toen viel alles stil. Hij kon geen woord meer uitbrengen. Maanden in lockdown. Ondanks dat hoopvolle bericht.
preek 20dec 2


Het brengt me terug in het voorjaar toen ik op een maandagmiddag deze foto van het Wilhelminaplein maakte. Normaal gesproken allerlei bedrijvigheid. Zelfs in maart al mensen op terrasjes.
Maar toen viel alles stil, toen die boodschap kwam die eerst maar nauwelijks tot mij wilde doordringen, dat, zo was het als snel, tot Pinksteren kerkdiensten niet mogelijk zouden zijn.
En zingen, dat moesten we maar laten.
De boodschap kwam als een dreun binnen, nooit gedacht, net als bij Zacharias, maar dan omgekeerd: geen positieve boodschap als bij Zacharias, maar een negatieve.
En we gingen in lockdown. Op allerlei vlakken.
Juist dan is het oppassen, want dat kan zo gemakkelijk verlammend werken. En volgens mij heeft bijna iedereen wel van die periodes of van die periodes gehad dat alle energie uit je wegliep.
En na voorzichtige versoepelingen afgelopen zomer en wat ge-heen-en-weer tussen strenger en soepeler dit najaar, kwam afgelopen maandag opnieuw dat bericht van een lockdown.
En daar zitten we dan, in een kerk zonder mensen, en de kerkgangers thuis, gelukkig wel verbonden via internet.
Juist dan is het belangrijk om vol te houden,
om te blijven geloven en vertrouwen dat die benauwende beperking verbroken wordt, om door te gaan, misschien wel voor ons gevoel tegen de klippen op.
Juist daarom vind ik het ook zo vreselijk dat we niet kunnen zingen, want juist zingen helpt om het vol te houden en te blijven geloven tegen de klippen op.
Als ik leeg ben, en het lied komt bij mij binnen, dan word ik opgetild.
Zacharias zal zich in zijn lockdown net zo goed vreselijk gevoeld hebben. En dan níet kunnen zingen…
Stilgezet worden heeft als bijeffect dat je misschien de stem van je hart wel beter hoort dan anders. Anders gaat alles maar door, maar nu even niet. Tijd om na te denken, over wat echt essentieel is. Niet essentiële winkels zijn dicht. Het essentiële blijft over.
Het verhaal vertelt niet wat Zacharias gedacht heeft, maar je kunt er van alles bij bedenken.
Hij zal de buik van Elisabeth hebben zien groeien, want er mankeerde niets aan zijn ogen.
Hij zal haar vrolijkheid en blijdschap gezien hebben, en haar opgetogen stem vol verwachting, want er mankeerde niets aan zijn oren.
Ik vraag me dan af: Wat heeft er zich in die man opgehoopt?
Misschien was hij aanvankelijk wel angstig en bang dat het niet goed zou gaan.
Maar ik kan me ook voorstellen dat gaandeweg die beklemming die hij gevoeld moet hebben, die rem op zijn hoop en verwachting minder geworden was.
Dat is, denk ik, ook nu de hoop en verwachting van velen waarnaar we uitkijken, dat die beklemming van de lockdown gaat verdwijnen, dat we met z’n allen weer vrij kunnen ademhalen.
Daarmee begint dat het gedeelte van vandaag.
“Toen de dag van haar bevalling was aangebroken, bracht Elisabeth een zoon ter wereld. Haar buren en verwanten hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest…”
Daar horen we al de naam doorklinken die dat kind zal krijgen: Johannes, de Heer is barmhartig, genadig.
Zacharias staat op een tweede plan, want op de achtste dag, de dag van de besnijdenis, wat ook de dag van de naamgeving is, willen de omstanders het kind de naam Zacharias geven, naar zijn vader. Nee, zegt zijn moeder, Johannes zal hij heten.
Dat vinden ze raar, er is niemand in de familie die zo heet.
Als ze er dan in die verwarring niet uitkomen, komt Zacharias pas in beeld.
Er staat dan dat die omstanders Zacharias gebaarden hoe het kind moest heten.
Gebaarden. Alsof Zacharias doof is. Dat is pas raar.
Het is een mechanisme dat je wel vaker ziet. Dan wordt er aan de persoon achter de rolstoel gevraagd wat de persoon in de rolstoel wil. Alsof er niet alleen iets mis is met de benen van die persoon, maar ook met het hoofd.
Een lockdown maakt mensen ook weer creatief, dat zien we ook om ons heen gebeuren. Als het op de ene manier niet kan, dan doen we het op een andere manier. Zo ook Zacharias.
Hij heeft het schrijfbord weer ontdekt. En hij schrijft: Zijn naam is Johannes.
Waarom niet de naam van zijn vader? Daar wil de verteller iets mee zeggen: Hier begint God iets nieuws.
Niet het gewone van elke dag zal altijd maar doorgaan – er is niets nieuws onder de zon –, er is wèl iets nieuws onder de zon! God schept een nieuwe opening in een donker bestaan.
Johannes is zijn naam: De Heer is barmhartig, genadig. Dat is niet nieuw – de verteller doet juist enorm zijn best om Johannes, en ook Jezus trouwens, helemaal in te bedden in de traditie van Israël: besnijdenis op de achtste dag bijvoorbeeld. Maar het zal niet zo blijven als het altijd was: er zal iets nieuws geboren worden, een nieuwe toekomst!
Die Johannes zal de weg banen voor een groter licht.
preek 20dec 3a

 

 

 

 

 

 


Mooi om te zien trouwens hoe in de beeldende kunst de geboorte van Johannes wordt getekend.
Begin dit jaar was er in Gent die prachtige tentoonstelling: Van Eyck, een optische revolutie.
Jan van Eyck, dan zitten we zo 1400-1440, met een prachtige miniatuur in een boek met daarop afgebeeld de geboorte van Johannes de Doper. Als je goed kijkt, zie je van alles.
preek 20dec 4

 

 

 

 

 

 

 


In het midden een tafeltje in de stijl van het koorhek en de dekenstoel van de Naaldwijkse Oude Kerk.
preek 20dec 5

 

 

 

 

 

 

 


Aan de linkerkant een prachtig rood bed met daarin Elisabeth en haar pas geboren zoon Johannes.
Allemaal vrouwen. Waar is Zacharias?
preek 20dec 6

 

 

 

 

 

 

 

 

Die zit daar rechtsachter in een gangetje te lezen in een boek. Hij staat aan de kant.
Maar dan. Als hij die naam heeft uitgeschreven op dat schrijfbordje, is het alsof alle terughoudendheid en ongeloof van hem afvalt, en daarmee ook zijn verlamming doorbroken wordt.
Hij gaat zingen! Dit keer niet, zo lijkt het, omdat hij leeg is, maar omdat hij vol is, vol van blijdschap en hoop.
Alles wat er in hem opgehoopt is, stroomt er uit, alsof er een klep die onder hoge druk staat open gaat: golven van vreugde om dit kind, golven van vreugde over een God die omziet naar mensen.
Het lijkt wel een Psalm, een lied in de taal en traditie van Israël. Hij grijpt terug op de verhalen uit het Oude Testament, verhalen van God die meeleeft met zijn mensen, die bekommerd is om zijn volk, en ook een God die zijn volk heeft verlost.
Hij prijst de Heer voor de bevrijding alsof die al een feit is. Alsof het duister al volledig verdreven is.
Dat is niet zo. Maar toch: Er is licht aan het eind van de tunnel en dat licht straalt ons tegemoet. Op dat licht kunnen we ons focussen. Dat houdt ons op de been.
Heden, verleden en toekomst worden omspannen door de trouw van de Eeuwige aan mensen.
In dat lied van Zacharias gaat het over een reddende kracht uit het huis van David.
Daarin horen we iets van de beklemming van die tijd, van de bezetting door de Romeinen, van het onrecht en de onvrijheid die daarmee samenhangen, van het verlangen om daarvan bevrijd te worden. Dat klinkt politiek. Bevrijd worden uit de greep van onze vijanden. Dat is het ook, maar toch weer anders dan gedacht. Jezus zal in zijn leven laten zien dat die bevrijding toch iets anders is dan een nationaal-politieke bevrijding. Het gaat om een levensstijl, in vrijheid.
“Dat wij” ik citeer nu “hem zonder angst zouden dienen, toegewijd en oprecht, altijd levend in zijn nabijheid.” Dat vind ik mooi. Leven in verbondenheid met de bron van ons leven.
Vervolgens richt Zacharias zich tot zijn zoon: En jij, kind… Jij zult de weg voor Heer gereed maken.
Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende uit de hemel over ons opgaan en verschijnen aan allen die leven in duisternis en verkeren in de schaduw van de dood
- dat lijkt Jesaja 9 wel, het gedeelte van vorige week –
zodat, daar eindigt het lied dan mee: zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.
Wij…
ónze voeten…
op de weg van de vrede, de weg die Jezus ons gewezen heeft.
Laten we dat doen, ook als we even niet kunnen zingen,
laten we niet toegeven aan de verlamming,
maar geïnspireerd door het licht dat naar ons toekomt,
onze voeten zetten op de weg van de vrede,
en zo een licht voor elkaar zijn.
Het lied van Zacharias is als het zingen van een vogel die in de vroege morgen, als het nog donker is, de nieuwe dag aankondigt.

 

Zit er muziek in?-1 november 2020 Oude Kerk-ds. Eibert Kok

Zit er muziek in?

Zondagmorgen 1 november 2020, Oude Kerk, Cantatedienst, ds. Eibert Kok

Via deze link is de cantatedienst terug te kijken: https://www.youtube.com/watch?v=OxadyNqLcp8

Cantate “Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe”, BWV 167, J.S. Bach

Lezingen: Jesaja 40: 1-8 en Lucas 1: 57-68

“Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.”
Dat zijn de woorden waar de cantate mee begint.
Prachtig op muziek gezet door Bach. Muziek om bij weg te dromen.
Tegelijk geven die woorden mij een ongemakkelijk gevoel,
want de sfeer in de samenleving is helemaal niet om bij weg te dromen.
We zitten, zoals dat genoemd wordt, in de tweede golf van het coronavirus, een golf die omhoogkomt, en die over ons heen komt.
Sommige deskundigen uit de medische wereld noemen het zelfs een tsunami.
Bij dat woord slaat de schrik mij om het hart. Bij een tsunami denk ik aan de zee die zich even terugtrekt om daarna met een nog grotere golf te komen.
Niet bepaald een beeld om bij weg te dromen, eerder om op te schrikken.
Ik merk bij mezelf en bij mensen om me heen dat het bij tijd en wijle moeite kost om de moed er in te houden.
‘Ik mis gewoon een beetje de drive’, hoorde ik iemand zeggen, normaal heb ik er geen moeite mee, maar in deze periode.
Ook al is het niet zo dat het lijkt alsof alles stilgevallen is zoals in het voorjaar, de muziek is er wel een beetje uit.
“Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.” Is de tijd er wel naar?
En dan werden we afgelopen week ook nog opgeschrikt door die vreselijk moord op drie mensen in een kerk in Nice.
Mensen die in een gebedshuis zijn om een kaars aan te steken, een klein lichtje in het donker, om te bidden om kracht en licht, en dan worden ze door een moslimextremist vermoord.
Wat moet je dan met zo’n opening “Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid”?
Als God liefde is…
Nou, dat is een uitspraak die veel vragen en tegenwerpingen oproept in het licht van alle narigheid die over ons mensen heen komt.
Hadden we deze cantatedienst niet gewoon moeten cancelen zoals zoveel niet doorgaat? Zonde van al die kosten en moeite voor maar dertig mensen. Ik heb het om me heen horen zeggen.
Toch ben ik erg blij dat deze cantatedienst wél doorgaat.
Niet alleen omdat de muzikanten dan ook wat te doen hebben in deze ook voor hen barre tijd. Zij verdienen beter.
Maar ook omdat het een oude traditie in de kerk is, een traditie die we geleerd hebben van Israël, dat de lofzang, de lofzang op God, op Gods liefde en goedheid, altijd doorgaat.
Omdat we het geloof hooghouden dat Gods liefde en goedheid never en nooit in lockdown gaat. Die bezingen we keer op keer. Niet omdat we daar zo vol van zijn, maar juist omdat het zo leeg kan zijn van binnen.
Willem Barnard schrijft over zingen in de kerk:
“Zingen, dat doe je niet uit volle borst, -
je zingt inademend, omdat je leeg bent,
tegen de eenzaamheid (ellende) in zing je, tegen
het ‘nee’, je zingt zoals je drinkt: van dorst.
Het lied is daar wanneer ik nergens ben,
komt naar mij toe, als een gezant van verre,
het neemt me op in het gezang der sterren,
het spreekt een taal, die ik van-zelf niet ken…”
De zang en muziek nemen me mee, tillen me op, tillen mij op boven mijn zorgen en vragen uit, en geven mij zo ook weer moed en inspiratie om het vol te houden, om verder te gaan.
Dan vind ik het ook weer mooi dat we vandaag deze cantate op het programma hebben, de cantate die eigenlijk hoort bij de geboortedag van Johannes de Doper.
Volgens de kerkelijke kalender zitten we dan helemaal fout,
want dan zouden we deze cantate op of rond 24 juni moeten doen. Dat is volgens de traditie zijn geboortedag. Hij zou precies een half jaar vóór Jezus geboren zijn.
Die datering is nergens op gebaseerd, maar het is wel mooi dat voor Johannes de Doper zijn geboortedag zijn feestdag geworden is, niet zoals bij bijna alle andere heiligen zijn sterfdag. Een geboorte is een teken van hoop, van een nieuw begin, een nieuw leven.
Net als de geboorte van Jezus wordt de geboortedag van Johannes gevierd als een buitengewoon teken van hoop.
De geboorte van Johannes is een bijzonder verhaal.
Het begint bij zijn ouders Zacharias en Elisabeth die oud en kinderloos zijn.
Dat wordt bijna terloops vermeld, maar daar zit natuurlijk een heel verhaal achter, een levensverhaal van verlangen en verdriet. Wie peilt het verdriet van mensen met een kinderwens die niet in vervulling is gegaan? Wie heeft er oor en oog voor hun verhaal?
Daar komt nog bij dat in de beleving van die tijd iemand zonder kinderen iemand zonder toekomst is.
Heel praktisch: Wie zorgt er voor jou als je oud en behoeftig geworden bent?
Maar misschien nog wel belangrijker: jouw naam wordt niet doorgegeven, die lijn loopt dood.
Heel die ervaringswereld speelt mee.
Kortom, er zit weinig muziek meer in hun leven. Het lijkt wel alsof alles stilgevallen is.
Een kleine opkikker: Zacharias wordt ingeloot om eenmalig als priester het reukoffer in de tempel in Jeruzalem te brengen.
Als hij daarmee bezig is, verschijnt hem een engel, zo gaat het verhaal, die hem vertelt dat hij een zoon zal krijgen met een bijzondere opdracht.
Maar omdat hij en zijn vrouw als op leeftijd zijn, hecht Zacharias er geen geloof aan.
Met als gevolg dat hij niet meer zal kunnen spreken, zo zegt de engel, tot de dag waarop dat in vervulling gaat.
Dat gebeurt in het Bijbelgedeelte dat we vandaag gelezen hebben: er wordt een zoon geboren. Oftewel, er komt weer muziek in het leven, er gloort weer toekomst.
En dan, heel wonderlijk, op de achtste dag, de dag van zijn besnijdenis, moet dat pasgeboren kind een naam krijgen,
en ze willen hem Zacharias noemen naar zijn vader. Zo hoort dat, zo blijft die naam bestaan. Belangrijk.
Maar nee, het moet niet bij het oude blijven, er begint iets nieuws: Johannes zal hij heten. God is genadig betekent dat.
De stomme Zacharias geeft het op een briefje. Iedereen is stomverbaasd. Meteen is ook de verlamming van de mond en de tong van Zacharias verdwenen. Hij kan weer spreken, hij gaat zingen, bekend geworden als de lofzang van Zacharias.
Bach gebruikt eeuwen later allerlei flarden uit die lofzang voor zijn cantate.
“Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.”
Nu denkt iemand wellicht: Dat is passend in zijn situatie, maar waarom zouden wij ons daarin laten meenemen?
Dan denk ik aan het leven van Johannes zelf.
Wat voor figuur is Johannes de Doper geweest?
We noemen hem meestal de wegbereider, de aankondiger van de persoon van Jezus, de aanwijzer. We hebben daarvan vandaag verder niets gelezen, maar de evangelieverhalen vertellen ons wel het een en ander over zijn leven.
Volgens die verhalen is wat we vandaag gelezen hebben in Jesaja 40, de eerste lezing, een soort profielschets van Johannes.
Een stem. Johannes zal een stem zijn, een stem die klinkt, een stem die drie dingen zal laten horen.
Allereerst zal het een stem zijn die mensen troost en moed inspreekt.
In de tweede plaats zal die stem oproepen om een weg te banen door de woestijn.
In de derde plaats zal die stem mensen herinneren aan hun kwetsbaarheid… en tegelijk aan de belofte dat God zijn woord houdt.
Alle drie elementen die naar mijn idee heel erg actueel zijn in deze tijd, waarin we een stem nodig hebben die ons troost en moed inspreekt en hoop, een tijd waarin we ons meer nog dan anders bewust zijn van de kwetsbaarheid van het leven.
Zo’n gek virus waart rond dat mensen en samenleving lam slaat.
Dan ook nog de opdracht om in de wildernis, in de woestijn van deze tijd een pad te banen.
“Laat ruig land vlak worden en rotsige hellingen rustige dalen.”
Ruig land, rotsige hellingen, geen doorkomen aan zonder je te bezeren. Hoe maak je dat tot een begaanbare weg?
Een pad banen door de woestijn, hoe doe je dat in deze tijd?
Dat is de vraag die het bij mij oproept.
Hoe reageer je op al de narigheid die op je af komt,
op alle ellende die de coronacrisis met zich meebrengt?
Hoe reageren we op zo’n barbaarse aanslag als in Nice?
Hoe maak je ruig land, rotsige hellingen tot een weg om te gaan?
Kan wantouwen wantrouwen verdrijven, haat haat, geweld geweld?
Johannes de Doper deed het door te wijzen op Jezus,
ook al kreeg Johannes zelf al gaande zijn leven daar steeds meer moeite mee.
Johannes werd vanwege zijn mening over zaken die de overheid niet bevielen.
Vertwijfeld vraagt hij zich daar af: Is Jezus het wel? Is het geen vergissing?
Tot overmaat van ramp eindigt zijn leven van vrije meningsuiting door een barbaarse onthoofding. Het is van alle tijden, helaas.
Johannes is in het bijbelse verhaal de figuur van: verwachten, in de woestijn uitkijken naar verandering, en daarmee de man van de hoop. Tegelijk is hij de man van de frustratie, de desillusie, de man van de vervlogen droom en een tragisch einde.
Een stem in de woestijn, een figuur die verwijst, die verwijst naar Jezus.
Hun levens lijken op een bepaalde manier op elkaar.
Beide met een missie van Godswege om mensen van hoop en vertrouwen te zijn, om zo mensen toekomst te geven.
Allebei gestorven door barbaars geweld.
En toch, en dat is het vreemde verhaal dat we in geloof hooghouden, toch is dat niet het laatste woord, het laatste woord is aan Gods liefde en goedheid.
Pasen. “Nu rijst uit elke nacht uw morgen”. Dat houdt ons op de been. Dat vertrouwen zingen we ons te binnen. “Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.”
God heeft daarbij – afgelopen week hoorde ik het weer zeggen: God heeft geen andere handen dan die van ons.
Het is aan ons die lofzang gaande te houden van Gods liefde en goedheid, die droom van een wereld waar liefde het laatste woord heeft,
waar mensen elkaar de ruimte gunnen en de ruimte geven om te leven, om te leven in verbondenheid met elkaar, en met God, de bron van ons leven,
om ons daarvoor open te stellen,
om die liefde handen en voeten te geven
als wegbereiders in de woestijn,
in het van hen die ons zijn voorgegaan.

Scheepje-27sep-CWvdM

Overdenking op 27 september 2020 – Ontmoetingskerk
Lezingen: Psalm 107: 23-32, Mattheus 8: 23-27 (hoofdlezing)
Thema: Scheepje

Gemeente van Jezus Christus,

Een scheepje. Waar staat dat symbool voor? Ouderen kennen het wellicht uit het oude lied Scheepje onder Jezus’ hoede. Misschien kennen we het symbool dat we op het scherm zien ook als het logo van de Wereldraad van Kerken. De kerk heeft wereldwijd gekozen voor het beeld van een scheepje om iets te laten zien van het beeld dat de kerk van zichzelf heeft. Een scheepje op de golven. De golven van de tijd. Alles wat er in de loop van de eeuwen aan woeste bewegingen is geweest. Zoveel momenten dat de kerk in die woeste bewegingen ten onder leek te gaan. Bedolven onder de golven van eeuwen. Maar de kerk is er nog. Wij zijn er nog. Niets als een oceaanstomer. Niet als een pantserkruiser of een vliegdekschip. Maar als een klein, kwetsbaar scheepje dat behouden blijft op de wereldzee, door alle eeuwen heen. Behouden, omdat er Eén aan boord is die garant staat voor het behoud van wie Hem willen volgen.
Volgen, navolging, dat is waar het evangelieverhaal over gaat waar we vanmorgen naar luisteren, geloof ik. Geloven is niet alleen luisteren naar de woorden die Jezus spreekt. Geloven betekent ook dat je Jezus volgt op de weg die Hij gaat. Dat maakt de evangelist Mattheus in zijn Evangelie heel duidelijk. We hebben in de voorgaande hoofdstukken een heleboel woorden gehoord. Hoofdstuk 5, 6 en 7 van dit Evangelie vormen één lange toespraak van Jezus. De Bergrede. Maar dan vertelt Mattheus, aan het begin van hoofdstuk 8, dat Jezus van de berg afdaalt. Grote mensenmassa’s volgden Hem, horen we. En ze zien hoe Jezus de daad bij het woord voegt. Mattheus vertelt over een hele reeks genezingen. Mensen die ziek zijn, die gemeden worden. Jezus verbindt zich met hen, Hij geneest hen. En als Hij aan het eind van die reeks genezingen om zich heen kijkt ziet Hij de mensenmassa om zich heen. En dan geeft Hij bevel naar de overkant te varen.
Wie Jezus willen volgen moeten met Hem mee naar de overkant. Wat zou er met die overkant bedoeld worden? Ik denk niet dat er alleen mee bedoeld wordt: de andere kant van het meer van Galilea. Dit gedeelte van het verhaal speelt zich wel af in de streek Galilea, maar het meer is nog niet één keer genoemd. Ik denk dat de overkant verwijst naar iets heel anders. De overkant verwijst naar een andere manier van leven. Wie Jezus wil volgen kiest voor die andere manier van leven. En dat is niet iets dat een mens zomaar even doet. Het is geen makkelijke stap.
Dat hoor je Jezus zelf zeggen. Er komt een schriftgeleerde die zegt: ‘Meester, ik zal u volgen waarheen u ook gaat’. ’De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen’, zegt Jezus. Wie Jezus volgt zal niet altijd een gespreid bedje vinden. De schriftgeleerde gaat niet mee aan boord, op weg naar de overkant. Dat geldt ook voor de man die zegt Jezus te willen volgen, maar die vraagt of hij eerst zijn vader kan begraven. ’Volg mij en laat de doden hun doden begraven’, zegt Jezus. Dat moeten we niet letterlijk nemen. Het betekent dat je al het oude achter je moet laten wanneer je Jezus wilt volgen. En ook die man gaat niet mee aan boord op weg naar de overkant. Niet iedereen wil het schip in met Jezus. Alleen de leerlingen van Jezus volgen Hem wanneer hij in de boot stapt.
En het is meteen raak. Het meer begint enorm te kolken, horen we in de vertaling. In het Grieks staat het er nog een beetje heftiger. Er staat dat er een grote aardbeving in de zee is. Dat Griekse woord komen we ook tegen op een paar andere plaatsen in het Evangelie naar Mattheus. We horen erover wanneer Mattheus vertelt dat Jezus sterft aan het kruis. De aarde beeft dan, de rotsen scheuren. En de Romeinse hoofdman en zijn soldaten zien die aardbeving en zeggen: ‘Werkelijk, Hij was de zoon van God’. En een hoofdstuk verder horen we weer over een grote aardbeving, wanneer een engel uit de hemel neerdaalt en de steen voor het graf van Jezus weg rolt. Mattheus vertelt dus niet over zomaar een storm op zee. Hij vertelt over een gebeurtenis die het hele leven overhoop gooit. Een gebeurtenis waardoor het leven op z’n grondvesten staat te schudden. Een gebeurtenis waarbij het gaat over leven of dood. De boot wordt bijna door de golven verzwolgen, vertelt Mattheus. Het scheepje lijkt te vergaan.
‘Maar Jezus sliep’, horen we. Dat is natuurlijk geen onverschilligheid. Het is rust. Het is de rust van vertrouwen. Vertrouwen dat er een kracht is die het leven gaande houdt door alle golven van de tijd heen. Vertrouwen dat het scheepje niet ten onder zal gaan. Het is op weg naar de overkant. De mensen die Jezus volgen zijn op weg naar een andere manier van leven. Een leven dat Jezus getekend heeft in de woorden van de Bergrede. Een leven dat door liefde geregeerd wordt. En dat is een kracht die nooit ten onder zal gaan. Een scheepje dat op die koers vaart zal niet vergaan. Wat er ook gebeurt.
Dat kun je nou wel zeggen. Maar intussen slaat de schrik je toch om het hart. Al ben je honderd keer leerling van Jezus, al heb je bewust besloten om met Hem op weg te gaan naar de overkant, al wil je niets anders dan die andere manier van leven, waar Jezus ons het uitzicht op geeft, de angst overvalt je. ’Red ons toch, we vergaan’, roepen de leerlingen van Jezus. Ze maakten Hem wakker omdat hun angst groter was dan zijn rust. De leerlingen zijn ook maar mensen, net als wij. Er gebeuren dingen rond het scheepje van de kerk, door de eeuwen heen, die maken dat we ons hart vasthouden.
Dat is door de eeuwen heen nooit anders geweest. De eerste generaties christenen hebben hun hart vastgehouden toen de vervolging losbrak en veel christenen werden verbannen of geëxecuteerd. Er was angst toen strijdlustige Germaanse stammen West-Europa binnen vielen aan het begin van de Middeleeuwen. Een volksverhuizing. Zou de kerk dat overleven? Er was angst voor het voortbestaan van de kerk toen macht en corruptie de kerk verziekten en pausen vaker in een harnas dan in een habijt te zien waren. Er sloegen golven over het scheepje heen toen de inquisitie te keer ging en de brandstapels opflakkerden in Europa. Er was angst toen de wereld werd geteisterd door de storm van het nazisme en het fascisme en de kerk niet altijd sterke knieën bleek te hebben. We zien in onze tijd de ontkerkelijking en vragen ons bezorgd af of de kerk dat overleeft. En vandaag de dag wordt er heel wat afgepiekerd over de toekomst van de kerk nu de golven van het coronavirus over het scheepje heen slaan. ‘Red ons toch, we vergaan’, roepen we met z’n allen.
‘Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen?’ Dat is de reactie van Jezus. Dat zijn geen bestraffende woorden. Het zijn bemoedigende woorden. Het zijn woorden die de bron van levensmoed in ons willen ontsluiten. Een bron die door angst wordt dicht gestopt. Angst sluit alles af. Angst vervreemdt ons van het leven, van elkaar, van God. Wees toch niet zo bang. Er is reden om meer te vertrouwen. Vertrouwen te hebben in het leven. Vertrouwen te hebben in de liefde. Vertrouwen te hebben in Jezus, in wie we Gods aanwezigheid in ons leven mogen herkennen. God die alle machten te boven gaat. God die garant staat voor de macht van de liefde die zich door geen storm omver laat blazen, die zich door geen golven weg laat spoelen. God die in Jezus met ons meegaat op weg naar de overkant, naar een leven waar liefde regeert. In de taal, de cultuur en de belevingswereld van die tijd horen we hoe Jezus laat zien hoe groot de macht van de liefde is. Hij sprak tot de wind en het water, de machten van de chaos, en het meer kwam geheel tot rust. Er is een macht die groter is dan elke storm. Er is een macht die ons gaande houdt, wanneer we Jezus willen volgen op weg naar de overkant. Er is een macht die ons leven draagt wanneer we op zoek blijven naar het land waar de liefde regeert.
Daar kijken we altijd weer verwonderd van op. Want er is zoveel in de geschiedenis, zoveel in de wereld om ons heen dat een andere kant op wijst. Het lijkt er zo vaak op dat het recht van de sterkste het pleit beslecht. Trump, Poetin en Xi Jing Pin roepen om het hardst dat zij al een vaccin hebben tegen het coronavirus. Om maar een voorbeeld te noemen. Ze proberen de hele wereld naar hun hand te zetten. Maar hun geroep is als het geloei van de storm. Ze hebben niets in handen. Ze hebben alleen gebalde vuisten. Uiteindelijk bereiken ze niets. Ze zinken weg in de golven van de tijd. Maar altijd weer zien we door de eeuwen heen de mensen die Jezus willen volgen. Zij hebben geen gebalde vuisten. Soms zijn ze bang. Maar ze voeden hun vertrouwen door het goede nieuws in het Evangelie. Ze zien wat Jezus doet. Ze verwonderen zich. ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water hem gehoorzamen?’
Wat is dit voor iemand die zoveel liefde uitstraalt? Wat is dit voor iemand die alles over heeft voor wie Hem willen volgen? In hun verwondering openen ze hun handen die ze van angst krampachtig gesloten hielden. Ze durven hun handen te openen en naar anderen uit te steken. Ze verbinden mensen met elkaar door de kracht van de liefde. En zo zijn ze op weg naar de overkant. In het scheepje waar de leerlingen van Jezus aan boord zijn gegaan. Het scheepje dat niet zal vergaan. Daar mogen we op vertrouwen. Omdat Jezus als eerste aan boord is gegaan. En wij Hem mogen volgen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Januskop ? - 13 september 2020 - Ds. Eibert Kok

Januskop?

Zondagmorgen 13 september 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: 1 Koningen 18: 21-39

Preek 13 sept 1

 

 

 

 

 

 

 


Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
Dat is een vraag die regelmatig bij mij opkomt.
Wat willen we nou eigenlijk, als samenleving, waar staan we voor, welke keuzes maken we? En als kerk. Persoonlijk, in mijn eigen leven.
Of maken we geen keuzes? Ook dat is een keus.
In Rotterdam Crooswijk, bij de begraafplaats daar staat een beeld: een gezicht op een zuil.
Als je beter kijkt, dan zie je dat het een beeld is met twee gezichten.
Het ene gezicht kijkt de ene kant op, het andere gezicht de andere. Een januskop.
In de Romeinse mythologie was Janus de god die afgebeeld werd met de twee gezichten, de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten.
De maand januari is naar hem genoemd.
Als ik dit beeld met twee gezichten zie, dan denk ik: Wat willen we nou eigenlijk? Zijn wij mensen in sommige gevallen, of misschien wel vaak, niet mensen met twee gezichten?
Mensen die soms de ene kant opkijken, het ene willen en daarnaar handelen, en een andere keer de andere kant opkijken, dat andere willen, en daarnaar handelen, tegenovergesteld aan dat eerste, mensen die niet consequent keuzes durven maken, mensen die van twee walletjes eten, mensen die hinken op twee gedachten.
Ja, natuurlijk willen we goed zijn voor het milieu, maar als dat dan betekent dat we minder hard moeten rijden op de snelweg of minder kleding moeten kopen of minder vlees moeten eten, doen we dat dan ook?
Ja, zeker willen we een humaan land zijn en moeten we vluchtelingen een plek bieden, maar als dan 100 vluchtelingen méér opgenomen moeten worden, dan komt dat natuurlijk wel in mindering op het aantal van volgend jaar.
Wat willen we nou?
Twee gezichten. Een januskop. Hinken op twee gedachten.
Preek 13 sept 2

 

 

 

 

 

 

 


Die uitdrukking ‘hinken op twee gedachten’ komt rechtstreeks uit het Bijbelverhaal dat we vandaag gelezen hebben.
Ik vond het vroeger als kind een prachtig verhaal, vol spanning en dramatiek. Elia die het in z’n eentje opneemt tegen koning Achab en zijn 450 profeten van Baäl.
Een battle, een concurrentieslag, een soort godsdienstig armpje drukken. Die 450 profeten lukt niks, en Elia, die maakt zijn brandstapel kletsnat, dan gaat hij bidden, en poef, vuur uit de hemel dat alles verteert. Onze God heeft gewonnen. Baäl is een loser.
Ik vind het nog steeds een prachtig verhaal, maar ik hoop, aan de andere kant, dat dit niet echt gebeurd is, want het is vreselijk hoe hier met mensen wordt omgegaan.
Als je namelijk ietsje verder leest dan horen we dat Elia al die profeten ter dood laat brengen.
Dat doet me denken aan fanatiek religieus geweld, aan onthoofdingfilmpjes van IS.
Tegenstanders die jouw religie in de weg staan, laten we die uit de weg ruimen.
Dat kan toch niet de bedoeling zijn!?
Zelf ben ik opgegroeid met de gedachte dat er maar één goede God is en dat is de God van de bijbel, de God van Israël, dat is de God van het christendom.
Alle andere goden die er waren bestonden eigenlijk niet, of mochten niet bestaan, dat waren afgoden, en de mensen die daarbij hoorden dat waren heidenen.
Slechts één God is goed. Helder standpunt.
Maar daarbij nooit de gedachte dat mensen die anders of niet geloofden uit de weg geruimd zouden moeten worden.
Als ik trouwens vandaag de dag die vraag zou stellen: Is er maar één ware God?, grote kans dat ik dan een heel ander verhaal krijg.
We hebben afgeleerd ons eigen geloof als het enige ware te claimen. Niet meer de arrogantie van het eigen gelijk.
Je moet ieder in z’n waarde laten, elke godsdienst in z’n waarde laten.
Daar zit een winstpunt in, nl. dat je de ander open tegemoet kunt treden.
Zeker, er zijn ook mensen die beweren dat het geloof van moslims achterlijk en achterhaald is,
net zo goed als er mensen zijn die dat beweren van het geloof van joden of christenen.
Dat is weer een andere vorm van arrogantie van het eigen gelijk. En dat slaat elke vorm van ontmoeting dood.
De veelgehoorde gedachte is: Geloof, dat moet ieder voor zichzelf weten.
Wat me dan wel opvalt is dat er dan vaak een bepaalde onverschilligheid meeklinkt. Ach, wat maakt het nou eigenlijk uit wat je nou wel of niet gelooft?
Volgens mij maakt het wel degelijk uit wat je wel en wat je niet gelooft.
Iedereen in z’n waarde laten, helemaal akkoord.
Maar het maakt wel degelijk uit wát je gelooft, omdat geloof ook te maken heeft met de keuzes die je maakt in je leven.
Als je a gelooft, en in de praktijk van alledag doe je b, en a en b gaan eigenlijk niet samen, dan gaat er volgens mij iets mis. Een soort januskop.
Als je gelooft dat God streng is bijv., dan zul je misschien ook zo in het leven staan, als je gelooft dat God liefde is, dan zal dat ook te merken zijn aan je manier van leven. Toch?
Terug naar het Bijbelverhaal.
Wat Elia daar laat doen, het afslachten van de Baälpriesters, zegt dat iets over zijn God, hoe God is? Ik hoop het niet.
Ruim een maand geleden barste bij het programma ‘De slimste mens’ het jurylid Maarten van Rossem los: Het Oude Testament is een totaal krankjorum, gewelddadig en idioot boek.
Hij heeft wel een punt. Maar daarmee is niet alles gezegd.
Kijk, de gedachte erachter in de Bijbel is, dat, als je tegen het kwade vecht, tegen datgene wat niet goed is, je geen genoegen kunt nemen met halve maatregelen. Het kwaad moet met wortel en tak worden uitgeroeid.
Dat is de gedachte achter bijvoorbeeld het verhaal van de uittocht uit Egypte, waar het volk Israël veilig door het water van de Schelfzee wordt geleid, maar de Egyptische legers met man en paard verdrinken in het water.
Dat lijkt ook de gedachte hier te zijn. Daar Egypte, symbool van het kwade, van de slavernij, van de onderdrukking; hier Baäl, net zo goed symbool van het kwade, van de onderdrukking, met wortel en tak moet het verdwijnen.
Maar laat het duidelijk zijn: Niemand verlangt van ons dat we instemmen met deze brute, gewelddadige moord.
We moeten, denk ik, gewoon eerlijk zeggen, dat wij zoveel jaar later daar anders naar kijken en anders over denken.
Sterker nog, je vindt in de Bijbel zelf een ontwikkeling van teksten en verhalen vol geweld, waarin God zelf de regisseur lijkt van religieus geweld, naar teksten en verhalen die een heel ander toon aanslaan.
We gaan ook in de Bijbel van zwaarden naar ploegscharen.
Niet door kracht of door geweld, maar door mijn Geest, zegt de profeet Zacharia bijvoorbeeld.
‘Steek je zwaard terug op zijn plaats’, zegt Jezus tegen zijn leerling die bij de arrestatie van Jezus zijn zwaard wil trekken, ‘Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen’.
En volgens een oude uitleg uit de joodse traditie van het verhaal van de doortocht door de Schelfzee, toen het volk feestvierde op de kant omdat ze bevrijd waren, huilde God in de hemel bij al die verdronken Egyptenaren op het strand. Dat waren ook zijn kinderen.
En eigenlijk kunnen we het verhaal van vandaag niet los van het volgende hoofdstuk lezen,
waar Elia, opnieuw in zijn eentje, een andere berg op moet, niet de berg Karmel, de berg van het geweld, maar de Horeb, de berg waar hij God zal ervaren, niet in het vuur, niet in het geweld, maar in de stilte (!).
Terug naar de vraag waarmee ik begon: Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
De volksgenoten die Elia daar bij elkaar gekregen heeft, zijn mensen die hinken op twee gedachten, die van twee walletjes willen eten: een beetje van de HEER en een beetje van Baäl.
Elia lijkt er een soort referendum van te willen maken: wie is nu de ware God: a of b.
Nu hebben referenda de bijwerking dat ze snel polariserend werken. Het is òf a òf b, een andere keus heb je niet, je bent voor of tegen.
Preek 13 sept 3

 

 

 

 

 

 

 


We merken het in onze samenleving, dat de polarisatie toegenomen is, in de politiek.
Het is of of geworden, zo lijkt het wel.
Alsof dingen niet kunnen samengaan. Je móet kiezen: of of.
Maar met polarisatie bouw je geen samenleving.
Ik lees het verhaal van Elia dan ook liever als een verhaal om de verbinding te
herstellen, de verbinding tussen zijn volksgenoten en God, én de verbinding van zijn volksgenoten onderling.
Koning Achab heeft door zijn huwelijk met Izebel de god Baäl geïntroduceerd in Israël, de profeet Elia is de vertegenwoordiger van de HEER, ik ben die ik ben, ik ben er , ik zal met je zijn.
In de visie van de Bijbelschrijver zijn dat twee polen die tegenpolen van elkaar zijn, die niet sporen met elkaar. Baal is de god van de vruchtbaarheid, de god die het voedsel op het land moet laten groeien.
M.a.w. Baal is de god van de productie, van de economische groei, van meer en meer, van: alles moet wijken voor de belangen van de economie.
In het gedeelte voorafgaand aan dat van vandaag kunnen we lezen dat Achab zijn knecht er op uit stuurt om eten te zoeken voor zijn paarden en dat zijn vrouw Izebel zorgt dat de profeten van de Baal goed te eten hebben.
M.a.w. voor het leger, want daar waren die paarden voor, en voor de cultus van de productiegod werd goed gezorgd, terwijl het gewone volk omkwam van de honger.
Daar komen we al iets op het spoor: wat mis is aan de Baal is dat mensen eraan kapotgaan.
Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken?
In dit theaterstuk wordt die vraag aan het publiek gesteld, aan het volk, en via dit verhaal ook aan ons.
Twee stieren, twee offerplaatsen.
De god die antwoord met vuur is de ware God.
De profeten van Baal mogen beginnen.
En dat duurt maar en duurt maar.
Ze springen en dansen en schreeuwen met hun grote mond.
Ze gaan zichzelf verwonden, tot bloedens toe.
Maar geen reactie.
Dan Elia. In z’n eentje.
Wat Elia doet is God eraan herinneren dat Hij een God van mensen is, van Abraham, Izaäk en Jakob, een God die aandacht voor mensen heeft.
God is de god van de menselijkheid, van bevrijding, die er wil zijn voor mensen.
Alleen het gebed, dat is alles wat hij in de strijd gooit. Totale afhankelijkheid, vertrouwen.
Elia en de Baalprofeten, twee tegenovergestelde werelden.
Baal, de god van de productie, maar een god die meer vraagt dan geeft, een god die mensen laat bloeden, de god die neemt.
Daartegenover Elia, als profeet van de God van Israël,
niet met macht en geweld, maar in gebed en afhankelijkheid, zich richtend tot God die geeft, die zichzelf geeft, die verbinding zoekt, aandacht geeft.
Preek 13 sep 4

 

 

 

 

 

 

 


Als je bij die God wilt horen, dan kun je niet meedoen met dat wat mensen uit elkaar drijft, met dat wat mensen knecht of onderdrukt. Als je bij de God van de bevrijding wilt horen, dan doe je niet mee met het schema van de wereld, waarin alleen telt wat macht heeft, geld, kracht, potentie. Waar iemand meetelt om wat hij of zij presteert, niet om wat hij of zij is. Waar gerechtigheid een leeg begrip is, waar het recht van de sterkste heerst in plaats van de zorg om de naaste, waar de gebalde vuist staat tegenover de geopende hand…
Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
Dit Bijbelverhaal roept mij op te kiezen voor deze God, echt te kiezen, voor God die zijn hand naar ons uitsteekt, en ons vraagt zijn handlangers te zijn.