Zit er muziek in?-1 november 2020 Oude Kerk-ds. Eibert Kok

Zit er muziek in?

Zondagmorgen 1 november 2020, Oude Kerk, Cantatedienst, ds. Eibert Kok

Via deze link is de cantatedienst terug te kijken: https://www.youtube.com/watch?v=OxadyNqLcp8

Cantate “Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe”, BWV 167, J.S. Bach

Lezingen: Jesaja 40: 1-8 en Lucas 1: 57-68

“Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.”
Dat zijn de woorden waar de cantate mee begint.
Prachtig op muziek gezet door Bach. Muziek om bij weg te dromen.
Tegelijk geven die woorden mij een ongemakkelijk gevoel,
want de sfeer in de samenleving is helemaal niet om bij weg te dromen.
We zitten, zoals dat genoemd wordt, in de tweede golf van het coronavirus, een golf die omhoogkomt, en die over ons heen komt.
Sommige deskundigen uit de medische wereld noemen het zelfs een tsunami.
Bij dat woord slaat de schrik mij om het hart. Bij een tsunami denk ik aan de zee die zich even terugtrekt om daarna met een nog grotere golf te komen.
Niet bepaald een beeld om bij weg te dromen, eerder om op te schrikken.
Ik merk bij mezelf en bij mensen om me heen dat het bij tijd en wijle moeite kost om de moed er in te houden.
‘Ik mis gewoon een beetje de drive’, hoorde ik iemand zeggen, normaal heb ik er geen moeite mee, maar in deze periode.
Ook al is het niet zo dat het lijkt alsof alles stilgevallen is zoals in het voorjaar, de muziek is er wel een beetje uit.
“Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.” Is de tijd er wel naar?
En dan werden we afgelopen week ook nog opgeschrikt door die vreselijk moord op drie mensen in een kerk in Nice.
Mensen die in een gebedshuis zijn om een kaars aan te steken, een klein lichtje in het donker, om te bidden om kracht en licht, en dan worden ze door een moslimextremist vermoord.
Wat moet je dan met zo’n opening “Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid”?
Als God liefde is…
Nou, dat is een uitspraak die veel vragen en tegenwerpingen oproept in het licht van alle narigheid die over ons mensen heen komt.
Hadden we deze cantatedienst niet gewoon moeten cancelen zoals zoveel niet doorgaat? Zonde van al die kosten en moeite voor maar dertig mensen. Ik heb het om me heen horen zeggen.
Toch ben ik erg blij dat deze cantatedienst wél doorgaat.
Niet alleen omdat de muzikanten dan ook wat te doen hebben in deze ook voor hen barre tijd. Zij verdienen beter.
Maar ook omdat het een oude traditie in de kerk is, een traditie die we geleerd hebben van Israël, dat de lofzang, de lofzang op God, op Gods liefde en goedheid, altijd doorgaat.
Omdat we het geloof hooghouden dat Gods liefde en goedheid never en nooit in lockdown gaat. Die bezingen we keer op keer. Niet omdat we daar zo vol van zijn, maar juist omdat het zo leeg kan zijn van binnen.
Willem Barnard schrijft over zingen in de kerk:
“Zingen, dat doe je niet uit volle borst, -
je zingt inademend, omdat je leeg bent,
tegen de eenzaamheid (ellende) in zing je, tegen
het ‘nee’, je zingt zoals je drinkt: van dorst.
Het lied is daar wanneer ik nergens ben,
komt naar mij toe, als een gezant van verre,
het neemt me op in het gezang der sterren,
het spreekt een taal, die ik van-zelf niet ken…”
De zang en muziek nemen me mee, tillen me op, tillen mij op boven mijn zorgen en vragen uit, en geven mij zo ook weer moed en inspiratie om het vol te houden, om verder te gaan.
Dan vind ik het ook weer mooi dat we vandaag deze cantate op het programma hebben, de cantate die eigenlijk hoort bij de geboortedag van Johannes de Doper.
Volgens de kerkelijke kalender zitten we dan helemaal fout,
want dan zouden we deze cantate op of rond 24 juni moeten doen. Dat is volgens de traditie zijn geboortedag. Hij zou precies een half jaar vóór Jezus geboren zijn.
Die datering is nergens op gebaseerd, maar het is wel mooi dat voor Johannes de Doper zijn geboortedag zijn feestdag geworden is, niet zoals bij bijna alle andere heiligen zijn sterfdag. Een geboorte is een teken van hoop, van een nieuw begin, een nieuw leven.
Net als de geboorte van Jezus wordt de geboortedag van Johannes gevierd als een buitengewoon teken van hoop.
De geboorte van Johannes is een bijzonder verhaal.
Het begint bij zijn ouders Zacharias en Elisabeth die oud en kinderloos zijn.
Dat wordt bijna terloops vermeld, maar daar zit natuurlijk een heel verhaal achter, een levensverhaal van verlangen en verdriet. Wie peilt het verdriet van mensen met een kinderwens die niet in vervulling is gegaan? Wie heeft er oor en oog voor hun verhaal?
Daar komt nog bij dat in de beleving van die tijd iemand zonder kinderen iemand zonder toekomst is.
Heel praktisch: Wie zorgt er voor jou als je oud en behoeftig geworden bent?
Maar misschien nog wel belangrijker: jouw naam wordt niet doorgegeven, die lijn loopt dood.
Heel die ervaringswereld speelt mee.
Kortom, er zit weinig muziek meer in hun leven. Het lijkt wel alsof alles stilgevallen is.
Een kleine opkikker: Zacharias wordt ingeloot om eenmalig als priester het reukoffer in de tempel in Jeruzalem te brengen.
Als hij daarmee bezig is, verschijnt hem een engel, zo gaat het verhaal, die hem vertelt dat hij een zoon zal krijgen met een bijzondere opdracht.
Maar omdat hij en zijn vrouw als op leeftijd zijn, hecht Zacharias er geen geloof aan.
Met als gevolg dat hij niet meer zal kunnen spreken, zo zegt de engel, tot de dag waarop dat in vervulling gaat.
Dat gebeurt in het Bijbelgedeelte dat we vandaag gelezen hebben: er wordt een zoon geboren. Oftewel, er komt weer muziek in het leven, er gloort weer toekomst.
En dan, heel wonderlijk, op de achtste dag, de dag van zijn besnijdenis, moet dat pasgeboren kind een naam krijgen,
en ze willen hem Zacharias noemen naar zijn vader. Zo hoort dat, zo blijft die naam bestaan. Belangrijk.
Maar nee, het moet niet bij het oude blijven, er begint iets nieuws: Johannes zal hij heten. God is genadig betekent dat.
De stomme Zacharias geeft het op een briefje. Iedereen is stomverbaasd. Meteen is ook de verlamming van de mond en de tong van Zacharias verdwenen. Hij kan weer spreken, hij gaat zingen, bekend geworden als de lofzang van Zacharias.
Bach gebruikt eeuwen later allerlei flarden uit die lofzang voor zijn cantate.
“Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.”
Nu denkt iemand wellicht: Dat is passend in zijn situatie, maar waarom zouden wij ons daarin laten meenemen?
Dan denk ik aan het leven van Johannes zelf.
Wat voor figuur is Johannes de Doper geweest?
We noemen hem meestal de wegbereider, de aankondiger van de persoon van Jezus, de aanwijzer. We hebben daarvan vandaag verder niets gelezen, maar de evangelieverhalen vertellen ons wel het een en ander over zijn leven.
Volgens die verhalen is wat we vandaag gelezen hebben in Jesaja 40, de eerste lezing, een soort profielschets van Johannes.
Een stem. Johannes zal een stem zijn, een stem die klinkt, een stem die drie dingen zal laten horen.
Allereerst zal het een stem zijn die mensen troost en moed inspreekt.
In de tweede plaats zal die stem oproepen om een weg te banen door de woestijn.
In de derde plaats zal die stem mensen herinneren aan hun kwetsbaarheid… en tegelijk aan de belofte dat God zijn woord houdt.
Alle drie elementen die naar mijn idee heel erg actueel zijn in deze tijd, waarin we een stem nodig hebben die ons troost en moed inspreekt en hoop, een tijd waarin we ons meer nog dan anders bewust zijn van de kwetsbaarheid van het leven.
Zo’n gek virus waart rond dat mensen en samenleving lam slaat.
Dan ook nog de opdracht om in de wildernis, in de woestijn van deze tijd een pad te banen.
“Laat ruig land vlak worden en rotsige hellingen rustige dalen.”
Ruig land, rotsige hellingen, geen doorkomen aan zonder je te bezeren. Hoe maak je dat tot een begaanbare weg?
Een pad banen door de woestijn, hoe doe je dat in deze tijd?
Dat is de vraag die het bij mij oproept.
Hoe reageer je op al de narigheid die op je af komt,
op alle ellende die de coronacrisis met zich meebrengt?
Hoe reageren we op zo’n barbaarse aanslag als in Nice?
Hoe maak je ruig land, rotsige hellingen tot een weg om te gaan?
Kan wantouwen wantrouwen verdrijven, haat haat, geweld geweld?
Johannes de Doper deed het door te wijzen op Jezus,
ook al kreeg Johannes zelf al gaande zijn leven daar steeds meer moeite mee.
Johannes werd vanwege zijn mening over zaken die de overheid niet bevielen.
Vertwijfeld vraagt hij zich daar af: Is Jezus het wel? Is het geen vergissing?
Tot overmaat van ramp eindigt zijn leven van vrije meningsuiting door een barbaarse onthoofding. Het is van alle tijden, helaas.
Johannes is in het bijbelse verhaal de figuur van: verwachten, in de woestijn uitkijken naar verandering, en daarmee de man van de hoop. Tegelijk is hij de man van de frustratie, de desillusie, de man van de vervlogen droom en een tragisch einde.
Een stem in de woestijn, een figuur die verwijst, die verwijst naar Jezus.
Hun levens lijken op een bepaalde manier op elkaar.
Beide met een missie van Godswege om mensen van hoop en vertrouwen te zijn, om zo mensen toekomst te geven.
Allebei gestorven door barbaars geweld.
En toch, en dat is het vreemde verhaal dat we in geloof hooghouden, toch is dat niet het laatste woord, het laatste woord is aan Gods liefde en goedheid.
Pasen. “Nu rijst uit elke nacht uw morgen”. Dat houdt ons op de been. Dat vertrouwen zingen we ons te binnen. “Roem Gods liefde en prijs zijn goedheid.”
God heeft daarbij – afgelopen week hoorde ik het weer zeggen: God heeft geen andere handen dan die van ons.
Het is aan ons die lofzang gaande te houden van Gods liefde en goedheid, die droom van een wereld waar liefde het laatste woord heeft,
waar mensen elkaar de ruimte gunnen en de ruimte geven om te leven, om te leven in verbondenheid met elkaar, en met God, de bron van ons leven,
om ons daarvoor open te stellen,
om die liefde handen en voeten te geven
als wegbereiders in de woestijn,
in het van hen die ons zijn voorgegaan.

Scheepje-27sep-CWvdM

Overdenking op 27 september 2020 – Ontmoetingskerk
Lezingen: Psalm 107: 23-32, Mattheus 8: 23-27 (hoofdlezing)
Thema: Scheepje

Gemeente van Jezus Christus,

Een scheepje. Waar staat dat symbool voor? Ouderen kennen het wellicht uit het oude lied Scheepje onder Jezus’ hoede. Misschien kennen we het symbool dat we op het scherm zien ook als het logo van de Wereldraad van Kerken. De kerk heeft wereldwijd gekozen voor het beeld van een scheepje om iets te laten zien van het beeld dat de kerk van zichzelf heeft. Een scheepje op de golven. De golven van de tijd. Alles wat er in de loop van de eeuwen aan woeste bewegingen is geweest. Zoveel momenten dat de kerk in die woeste bewegingen ten onder leek te gaan. Bedolven onder de golven van eeuwen. Maar de kerk is er nog. Wij zijn er nog. Niets als een oceaanstomer. Niet als een pantserkruiser of een vliegdekschip. Maar als een klein, kwetsbaar scheepje dat behouden blijft op de wereldzee, door alle eeuwen heen. Behouden, omdat er Eén aan boord is die garant staat voor het behoud van wie Hem willen volgen.
Volgen, navolging, dat is waar het evangelieverhaal over gaat waar we vanmorgen naar luisteren, geloof ik. Geloven is niet alleen luisteren naar de woorden die Jezus spreekt. Geloven betekent ook dat je Jezus volgt op de weg die Hij gaat. Dat maakt de evangelist Mattheus in zijn Evangelie heel duidelijk. We hebben in de voorgaande hoofdstukken een heleboel woorden gehoord. Hoofdstuk 5, 6 en 7 van dit Evangelie vormen één lange toespraak van Jezus. De Bergrede. Maar dan vertelt Mattheus, aan het begin van hoofdstuk 8, dat Jezus van de berg afdaalt. Grote mensenmassa’s volgden Hem, horen we. En ze zien hoe Jezus de daad bij het woord voegt. Mattheus vertelt over een hele reeks genezingen. Mensen die ziek zijn, die gemeden worden. Jezus verbindt zich met hen, Hij geneest hen. En als Hij aan het eind van die reeks genezingen om zich heen kijkt ziet Hij de mensenmassa om zich heen. En dan geeft Hij bevel naar de overkant te varen.
Wie Jezus willen volgen moeten met Hem mee naar de overkant. Wat zou er met die overkant bedoeld worden? Ik denk niet dat er alleen mee bedoeld wordt: de andere kant van het meer van Galilea. Dit gedeelte van het verhaal speelt zich wel af in de streek Galilea, maar het meer is nog niet één keer genoemd. Ik denk dat de overkant verwijst naar iets heel anders. De overkant verwijst naar een andere manier van leven. Wie Jezus wil volgen kiest voor die andere manier van leven. En dat is niet iets dat een mens zomaar even doet. Het is geen makkelijke stap.
Dat hoor je Jezus zelf zeggen. Er komt een schriftgeleerde die zegt: ‘Meester, ik zal u volgen waarheen u ook gaat’. ’De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen’, zegt Jezus. Wie Jezus volgt zal niet altijd een gespreid bedje vinden. De schriftgeleerde gaat niet mee aan boord, op weg naar de overkant. Dat geldt ook voor de man die zegt Jezus te willen volgen, maar die vraagt of hij eerst zijn vader kan begraven. ’Volg mij en laat de doden hun doden begraven’, zegt Jezus. Dat moeten we niet letterlijk nemen. Het betekent dat je al het oude achter je moet laten wanneer je Jezus wilt volgen. En ook die man gaat niet mee aan boord op weg naar de overkant. Niet iedereen wil het schip in met Jezus. Alleen de leerlingen van Jezus volgen Hem wanneer hij in de boot stapt.
En het is meteen raak. Het meer begint enorm te kolken, horen we in de vertaling. In het Grieks staat het er nog een beetje heftiger. Er staat dat er een grote aardbeving in de zee is. Dat Griekse woord komen we ook tegen op een paar andere plaatsen in het Evangelie naar Mattheus. We horen erover wanneer Mattheus vertelt dat Jezus sterft aan het kruis. De aarde beeft dan, de rotsen scheuren. En de Romeinse hoofdman en zijn soldaten zien die aardbeving en zeggen: ‘Werkelijk, Hij was de zoon van God’. En een hoofdstuk verder horen we weer over een grote aardbeving, wanneer een engel uit de hemel neerdaalt en de steen voor het graf van Jezus weg rolt. Mattheus vertelt dus niet over zomaar een storm op zee. Hij vertelt over een gebeurtenis die het hele leven overhoop gooit. Een gebeurtenis waardoor het leven op z’n grondvesten staat te schudden. Een gebeurtenis waarbij het gaat over leven of dood. De boot wordt bijna door de golven verzwolgen, vertelt Mattheus. Het scheepje lijkt te vergaan.
‘Maar Jezus sliep’, horen we. Dat is natuurlijk geen onverschilligheid. Het is rust. Het is de rust van vertrouwen. Vertrouwen dat er een kracht is die het leven gaande houdt door alle golven van de tijd heen. Vertrouwen dat het scheepje niet ten onder zal gaan. Het is op weg naar de overkant. De mensen die Jezus volgen zijn op weg naar een andere manier van leven. Een leven dat Jezus getekend heeft in de woorden van de Bergrede. Een leven dat door liefde geregeerd wordt. En dat is een kracht die nooit ten onder zal gaan. Een scheepje dat op die koers vaart zal niet vergaan. Wat er ook gebeurt.
Dat kun je nou wel zeggen. Maar intussen slaat de schrik je toch om het hart. Al ben je honderd keer leerling van Jezus, al heb je bewust besloten om met Hem op weg te gaan naar de overkant, al wil je niets anders dan die andere manier van leven, waar Jezus ons het uitzicht op geeft, de angst overvalt je. ’Red ons toch, we vergaan’, roepen de leerlingen van Jezus. Ze maakten Hem wakker omdat hun angst groter was dan zijn rust. De leerlingen zijn ook maar mensen, net als wij. Er gebeuren dingen rond het scheepje van de kerk, door de eeuwen heen, die maken dat we ons hart vasthouden.
Dat is door de eeuwen heen nooit anders geweest. De eerste generaties christenen hebben hun hart vastgehouden toen de vervolging losbrak en veel christenen werden verbannen of geëxecuteerd. Er was angst toen strijdlustige Germaanse stammen West-Europa binnen vielen aan het begin van de Middeleeuwen. Een volksverhuizing. Zou de kerk dat overleven? Er was angst voor het voortbestaan van de kerk toen macht en corruptie de kerk verziekten en pausen vaker in een harnas dan in een habijt te zien waren. Er sloegen golven over het scheepje heen toen de inquisitie te keer ging en de brandstapels opflakkerden in Europa. Er was angst toen de wereld werd geteisterd door de storm van het nazisme en het fascisme en de kerk niet altijd sterke knieën bleek te hebben. We zien in onze tijd de ontkerkelijking en vragen ons bezorgd af of de kerk dat overleeft. En vandaag de dag wordt er heel wat afgepiekerd over de toekomst van de kerk nu de golven van het coronavirus over het scheepje heen slaan. ‘Red ons toch, we vergaan’, roepen we met z’n allen.
‘Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen?’ Dat is de reactie van Jezus. Dat zijn geen bestraffende woorden. Het zijn bemoedigende woorden. Het zijn woorden die de bron van levensmoed in ons willen ontsluiten. Een bron die door angst wordt dicht gestopt. Angst sluit alles af. Angst vervreemdt ons van het leven, van elkaar, van God. Wees toch niet zo bang. Er is reden om meer te vertrouwen. Vertrouwen te hebben in het leven. Vertrouwen te hebben in de liefde. Vertrouwen te hebben in Jezus, in wie we Gods aanwezigheid in ons leven mogen herkennen. God die alle machten te boven gaat. God die garant staat voor de macht van de liefde die zich door geen storm omver laat blazen, die zich door geen golven weg laat spoelen. God die in Jezus met ons meegaat op weg naar de overkant, naar een leven waar liefde regeert. In de taal, de cultuur en de belevingswereld van die tijd horen we hoe Jezus laat zien hoe groot de macht van de liefde is. Hij sprak tot de wind en het water, de machten van de chaos, en het meer kwam geheel tot rust. Er is een macht die groter is dan elke storm. Er is een macht die ons gaande houdt, wanneer we Jezus willen volgen op weg naar de overkant. Er is een macht die ons leven draagt wanneer we op zoek blijven naar het land waar de liefde regeert.
Daar kijken we altijd weer verwonderd van op. Want er is zoveel in de geschiedenis, zoveel in de wereld om ons heen dat een andere kant op wijst. Het lijkt er zo vaak op dat het recht van de sterkste het pleit beslecht. Trump, Poetin en Xi Jing Pin roepen om het hardst dat zij al een vaccin hebben tegen het coronavirus. Om maar een voorbeeld te noemen. Ze proberen de hele wereld naar hun hand te zetten. Maar hun geroep is als het geloei van de storm. Ze hebben niets in handen. Ze hebben alleen gebalde vuisten. Uiteindelijk bereiken ze niets. Ze zinken weg in de golven van de tijd. Maar altijd weer zien we door de eeuwen heen de mensen die Jezus willen volgen. Zij hebben geen gebalde vuisten. Soms zijn ze bang. Maar ze voeden hun vertrouwen door het goede nieuws in het Evangelie. Ze zien wat Jezus doet. Ze verwonderen zich. ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water hem gehoorzamen?’
Wat is dit voor iemand die zoveel liefde uitstraalt? Wat is dit voor iemand die alles over heeft voor wie Hem willen volgen? In hun verwondering openen ze hun handen die ze van angst krampachtig gesloten hielden. Ze durven hun handen te openen en naar anderen uit te steken. Ze verbinden mensen met elkaar door de kracht van de liefde. En zo zijn ze op weg naar de overkant. In het scheepje waar de leerlingen van Jezus aan boord zijn gegaan. Het scheepje dat niet zal vergaan. Daar mogen we op vertrouwen. Omdat Jezus als eerste aan boord is gegaan. En wij Hem mogen volgen. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Januskop ? - 13 september 2020 - Ds. Eibert Kok

Januskop?

Zondagmorgen 13 september 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: 1 Koningen 18: 21-39

Preek 13 sept 1

 

 

 

 

 

 

 


Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
Dat is een vraag die regelmatig bij mij opkomt.
Wat willen we nou eigenlijk, als samenleving, waar staan we voor, welke keuzes maken we? En als kerk. Persoonlijk, in mijn eigen leven.
Of maken we geen keuzes? Ook dat is een keus.
In Rotterdam Crooswijk, bij de begraafplaats daar staat een beeld: een gezicht op een zuil.
Als je beter kijkt, dan zie je dat het een beeld is met twee gezichten.
Het ene gezicht kijkt de ene kant op, het andere gezicht de andere. Een januskop.
In de Romeinse mythologie was Janus de god die afgebeeld werd met de twee gezichten, de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten.
De maand januari is naar hem genoemd.
Als ik dit beeld met twee gezichten zie, dan denk ik: Wat willen we nou eigenlijk? Zijn wij mensen in sommige gevallen, of misschien wel vaak, niet mensen met twee gezichten?
Mensen die soms de ene kant opkijken, het ene willen en daarnaar handelen, en een andere keer de andere kant opkijken, dat andere willen, en daarnaar handelen, tegenovergesteld aan dat eerste, mensen die niet consequent keuzes durven maken, mensen die van twee walletjes eten, mensen die hinken op twee gedachten.
Ja, natuurlijk willen we goed zijn voor het milieu, maar als dat dan betekent dat we minder hard moeten rijden op de snelweg of minder kleding moeten kopen of minder vlees moeten eten, doen we dat dan ook?
Ja, zeker willen we een humaan land zijn en moeten we vluchtelingen een plek bieden, maar als dan 100 vluchtelingen méér opgenomen moeten worden, dan komt dat natuurlijk wel in mindering op het aantal van volgend jaar.
Wat willen we nou?
Twee gezichten. Een januskop. Hinken op twee gedachten.
Preek 13 sept 2

 

 

 

 

 

 

 


Die uitdrukking ‘hinken op twee gedachten’ komt rechtstreeks uit het Bijbelverhaal dat we vandaag gelezen hebben.
Ik vond het vroeger als kind een prachtig verhaal, vol spanning en dramatiek. Elia die het in z’n eentje opneemt tegen koning Achab en zijn 450 profeten van Baäl.
Een battle, een concurrentieslag, een soort godsdienstig armpje drukken. Die 450 profeten lukt niks, en Elia, die maakt zijn brandstapel kletsnat, dan gaat hij bidden, en poef, vuur uit de hemel dat alles verteert. Onze God heeft gewonnen. Baäl is een loser.
Ik vind het nog steeds een prachtig verhaal, maar ik hoop, aan de andere kant, dat dit niet echt gebeurd is, want het is vreselijk hoe hier met mensen wordt omgegaan.
Als je namelijk ietsje verder leest dan horen we dat Elia al die profeten ter dood laat brengen.
Dat doet me denken aan fanatiek religieus geweld, aan onthoofdingfilmpjes van IS.
Tegenstanders die jouw religie in de weg staan, laten we die uit de weg ruimen.
Dat kan toch niet de bedoeling zijn!?
Zelf ben ik opgegroeid met de gedachte dat er maar één goede God is en dat is de God van de bijbel, de God van Israël, dat is de God van het christendom.
Alle andere goden die er waren bestonden eigenlijk niet, of mochten niet bestaan, dat waren afgoden, en de mensen die daarbij hoorden dat waren heidenen.
Slechts één God is goed. Helder standpunt.
Maar daarbij nooit de gedachte dat mensen die anders of niet geloofden uit de weg geruimd zouden moeten worden.
Als ik trouwens vandaag de dag die vraag zou stellen: Is er maar één ware God?, grote kans dat ik dan een heel ander verhaal krijg.
We hebben afgeleerd ons eigen geloof als het enige ware te claimen. Niet meer de arrogantie van het eigen gelijk.
Je moet ieder in z’n waarde laten, elke godsdienst in z’n waarde laten.
Daar zit een winstpunt in, nl. dat je de ander open tegemoet kunt treden.
Zeker, er zijn ook mensen die beweren dat het geloof van moslims achterlijk en achterhaald is,
net zo goed als er mensen zijn die dat beweren van het geloof van joden of christenen.
Dat is weer een andere vorm van arrogantie van het eigen gelijk. En dat slaat elke vorm van ontmoeting dood.
De veelgehoorde gedachte is: Geloof, dat moet ieder voor zichzelf weten.
Wat me dan wel opvalt is dat er dan vaak een bepaalde onverschilligheid meeklinkt. Ach, wat maakt het nou eigenlijk uit wat je nou wel of niet gelooft?
Volgens mij maakt het wel degelijk uit wat je wel en wat je niet gelooft.
Iedereen in z’n waarde laten, helemaal akkoord.
Maar het maakt wel degelijk uit wát je gelooft, omdat geloof ook te maken heeft met de keuzes die je maakt in je leven.
Als je a gelooft, en in de praktijk van alledag doe je b, en a en b gaan eigenlijk niet samen, dan gaat er volgens mij iets mis. Een soort januskop.
Als je gelooft dat God streng is bijv., dan zul je misschien ook zo in het leven staan, als je gelooft dat God liefde is, dan zal dat ook te merken zijn aan je manier van leven. Toch?
Terug naar het Bijbelverhaal.
Wat Elia daar laat doen, het afslachten van de Baälpriesters, zegt dat iets over zijn God, hoe God is? Ik hoop het niet.
Ruim een maand geleden barste bij het programma ‘De slimste mens’ het jurylid Maarten van Rossem los: Het Oude Testament is een totaal krankjorum, gewelddadig en idioot boek.
Hij heeft wel een punt. Maar daarmee is niet alles gezegd.
Kijk, de gedachte erachter in de Bijbel is, dat, als je tegen het kwade vecht, tegen datgene wat niet goed is, je geen genoegen kunt nemen met halve maatregelen. Het kwaad moet met wortel en tak worden uitgeroeid.
Dat is de gedachte achter bijvoorbeeld het verhaal van de uittocht uit Egypte, waar het volk Israël veilig door het water van de Schelfzee wordt geleid, maar de Egyptische legers met man en paard verdrinken in het water.
Dat lijkt ook de gedachte hier te zijn. Daar Egypte, symbool van het kwade, van de slavernij, van de onderdrukking; hier Baäl, net zo goed symbool van het kwade, van de onderdrukking, met wortel en tak moet het verdwijnen.
Maar laat het duidelijk zijn: Niemand verlangt van ons dat we instemmen met deze brute, gewelddadige moord.
We moeten, denk ik, gewoon eerlijk zeggen, dat wij zoveel jaar later daar anders naar kijken en anders over denken.
Sterker nog, je vindt in de Bijbel zelf een ontwikkeling van teksten en verhalen vol geweld, waarin God zelf de regisseur lijkt van religieus geweld, naar teksten en verhalen die een heel ander toon aanslaan.
We gaan ook in de Bijbel van zwaarden naar ploegscharen.
Niet door kracht of door geweld, maar door mijn Geest, zegt de profeet Zacharia bijvoorbeeld.
‘Steek je zwaard terug op zijn plaats’, zegt Jezus tegen zijn leerling die bij de arrestatie van Jezus zijn zwaard wil trekken, ‘Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen’.
En volgens een oude uitleg uit de joodse traditie van het verhaal van de doortocht door de Schelfzee, toen het volk feestvierde op de kant omdat ze bevrijd waren, huilde God in de hemel bij al die verdronken Egyptenaren op het strand. Dat waren ook zijn kinderen.
En eigenlijk kunnen we het verhaal van vandaag niet los van het volgende hoofdstuk lezen,
waar Elia, opnieuw in zijn eentje, een andere berg op moet, niet de berg Karmel, de berg van het geweld, maar de Horeb, de berg waar hij God zal ervaren, niet in het vuur, niet in het geweld, maar in de stilte (!).
Terug naar de vraag waarmee ik begon: Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
De volksgenoten die Elia daar bij elkaar gekregen heeft, zijn mensen die hinken op twee gedachten, die van twee walletjes willen eten: een beetje van de HEER en een beetje van Baäl.
Elia lijkt er een soort referendum van te willen maken: wie is nu de ware God: a of b.
Nu hebben referenda de bijwerking dat ze snel polariserend werken. Het is òf a òf b, een andere keus heb je niet, je bent voor of tegen.
Preek 13 sept 3

 

 

 

 

 

 

 


We merken het in onze samenleving, dat de polarisatie toegenomen is, in de politiek.
Het is of of geworden, zo lijkt het wel.
Alsof dingen niet kunnen samengaan. Je móet kiezen: of of.
Maar met polarisatie bouw je geen samenleving.
Ik lees het verhaal van Elia dan ook liever als een verhaal om de verbinding te
herstellen, de verbinding tussen zijn volksgenoten en God, én de verbinding van zijn volksgenoten onderling.
Koning Achab heeft door zijn huwelijk met Izebel de god Baäl geïntroduceerd in Israël, de profeet Elia is de vertegenwoordiger van de HEER, ik ben die ik ben, ik ben er , ik zal met je zijn.
In de visie van de Bijbelschrijver zijn dat twee polen die tegenpolen van elkaar zijn, die niet sporen met elkaar. Baal is de god van de vruchtbaarheid, de god die het voedsel op het land moet laten groeien.
M.a.w. Baal is de god van de productie, van de economische groei, van meer en meer, van: alles moet wijken voor de belangen van de economie.
In het gedeelte voorafgaand aan dat van vandaag kunnen we lezen dat Achab zijn knecht er op uit stuurt om eten te zoeken voor zijn paarden en dat zijn vrouw Izebel zorgt dat de profeten van de Baal goed te eten hebben.
M.a.w. voor het leger, want daar waren die paarden voor, en voor de cultus van de productiegod werd goed gezorgd, terwijl het gewone volk omkwam van de honger.
Daar komen we al iets op het spoor: wat mis is aan de Baal is dat mensen eraan kapotgaan.
Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken?
In dit theaterstuk wordt die vraag aan het publiek gesteld, aan het volk, en via dit verhaal ook aan ons.
Twee stieren, twee offerplaatsen.
De god die antwoord met vuur is de ware God.
De profeten van Baal mogen beginnen.
En dat duurt maar en duurt maar.
Ze springen en dansen en schreeuwen met hun grote mond.
Ze gaan zichzelf verwonden, tot bloedens toe.
Maar geen reactie.
Dan Elia. In z’n eentje.
Wat Elia doet is God eraan herinneren dat Hij een God van mensen is, van Abraham, Izaäk en Jakob, een God die aandacht voor mensen heeft.
God is de god van de menselijkheid, van bevrijding, die er wil zijn voor mensen.
Alleen het gebed, dat is alles wat hij in de strijd gooit. Totale afhankelijkheid, vertrouwen.
Elia en de Baalprofeten, twee tegenovergestelde werelden.
Baal, de god van de productie, maar een god die meer vraagt dan geeft, een god die mensen laat bloeden, de god die neemt.
Daartegenover Elia, als profeet van de God van Israël,
niet met macht en geweld, maar in gebed en afhankelijkheid, zich richtend tot God die geeft, die zichzelf geeft, die verbinding zoekt, aandacht geeft.
Preek 13 sep 4

 

 

 

 

 

 

 


Als je bij die God wilt horen, dan kun je niet meedoen met dat wat mensen uit elkaar drijft, met dat wat mensen knecht of onderdrukt. Als je bij de God van de bevrijding wilt horen, dan doe je niet mee met het schema van de wereld, waarin alleen telt wat macht heeft, geld, kracht, potentie. Waar iemand meetelt om wat hij of zij presteert, niet om wat hij of zij is. Waar gerechtigheid een leeg begrip is, waar het recht van de sterkste heerst in plaats van de zorg om de naaste, waar de gebalde vuist staat tegenover de geopende hand…
Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
Dit Bijbelverhaal roept mij op te kiezen voor deze God, echt te kiezen, voor God die zijn hand naar ons uitsteekt, en ons vraagt zijn handlangers te zijn.

Het is een wonder-6sep-CWvdM

Overdenking op zondag 6 september 2020 – Ontmoetingskerk Naaldwijk
Lezingen: 1 Koningen 17: 1-16 (hoofdlezing) en Marcus 12: 38-44
Thema: Het is een wonder

Gemeente van Jezus Christus,

Hier in het Westen van het land valt het nog wel mee. Maar in het Oosten van Nederland is sprake van droogte. Hier en daar staat de natuur op omvallen, las ik vorige week in de krant. Het is immers al het derde jaar dat er een tekort aan neerslag is in ons land. Dat hadden we toch nooit kunnen denken. Een tekort aan water in wat bekend staat als een waterland. We zijn al eeuwen bezig het water in bedwang te houden. En nu komen we water tekort.
We lezen in de krant ook wat de oorzaken zijn. Niet alleen een tekort aan regen. Maar, nog veel belangrijker, de manier waarop wij mensen water verbruiken. De grondwaterstand die kunstmatig laag gehouden wordt om agrarische belangen te dienen. De zwembadjes in de tuinen. En nog zo wat meer.
Ik heb nog niemand horen zeggen dat de droogte in Nederland een straf van God is. Dat horen we wel in het Bijbelverhaal dat vanmorgen gelezen is. De regering van koning Achab is een toonbeeld van onrechtvaardigheid en goddeloosheid. En dat heeft gevolgen. Drie jaar lang zal er geen regen of dauw zijn in het land. Dat is het woord van God dat de profeet Elia aan de koning over moet brengen.
Is droogte een straf van God? Het antwoord op die vraag hangt samen met de manier waarop wij de werkelijkheid om ons heen ervaren. In de tijd dat de profeet Elia leefde hadden mensen geen zicht op ontwikkelingen rond het klimaat. Ze hadden maar één antwoord op vragen over ziekte of rampen: daar moest een mens de hand van God in zien.
Het is ook nog niet zo heel lang geleden dat dezelfde antwoorden in ons deel van de wereld klonken. Een pestepidemie of een choleraepidemie werd in ons land tot in de negentiende eeuw ook als een straf van God gezien. Tot we begrepen dat meer hygiëne een eind maakte aan die ziektes. En van hoeveel kansels zal geroepen zijn dat de watersnoodramp in 1953 een straf van God was?
Dat zult u vanmorgen van deze kansel niet horen. Wij hebben andere antwoorden op zulke vragen. We hebben een ander beeld van God. We geloven immers ook niet meer dat de aarde plat is, zoals iedereen dacht in de tijd dat de profeet Elia leefde. We hebben een andere ervaring van de werkelijkheid om ons heen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat we in die andere werkelijkheid niets meer van God kunnen ervaren. Het verhaal waar we vanmorgen naar luisteren heeft ook ons, in onze ervaring van de werkelijkheid, meer dan genoeg te bieden, denk ik.
Dan moeten we ons alleen niet laten verleiden tot heftige gesprekken die niet verder komen dan de vraag: Is dit letterlijk precies zo gebeurd of niet? Soms zijn de meest inspirerende, de meest prachtige verhalen uit de Bijbel de bron geweest voor de meest verschrikkelijke gesprekken over het geloof in God. Gesprekken waarin mensen tegenover elkaar staan met rode hoofden. Gesprekken waarin het gaat over gelijk hebben, en of iets wel of niet echt gebeurd is.
Dat die vraag opgeroepen wordt is niet zo vreemd bij een bijbelgedeelte waarin verteld wordt over bijzondere dingen. We horen over meel en olie die niet opraken. Dat zijn niet bepaald dingen die vanzelfsprekend zijn. Misschien moet dat ook als eerste gezegd worden in een woordenstrijd over wonderen: dat ze niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is niet letterlijk zo gebeurd. Er gebeuren dingen die niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet ook gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is letterlijk zo gebeurd. Een wonder, daar moet je niet over praten alsof het zo vanzelfsprekend is als een recept voor appeltaart.
En dat moeten we zeker vanmorgen niet doen. Want we hebben gehoord over het wonder van het meel en de olie die niet opraken. Maar ik geloof dat ons vanmorgen veel meer wonderen verteld worden dan dat ene. Het is maar net of je het wilt zien, het wonder in ons leven. Mensen zijn daarin heel verschillend, mogen dat, denk ik, ook zijn. En wat ons vanmorgen geopenbaard wordt is, geloof ik, vol wonderen. Ik luister met verwondering. Ik luister met verwondering naar de opdracht die de profeet Elia krijgt van God.
Hij krijgt om te beginnen de opdracht om naar de overkant van de Jordaan te gaan. Daar zal hij een plek vinden waar het leven nog leefbaar is. Daar licht iets op van een ander beeld van God dan een god die vanuit de hemel, op grote afstand, de mensen en de wereld met harde hand bestuurt. Daar licht het beeld op van God die voor mensen zorgt. God die de vlam van de hoop in mensen levend houdt. God die mensen de moed geeft om vol te houden. God die mensen inspiratie geeft om onverwachte wegen te vinden die hen in het leven verder helpen. En de natuur helpt een handje mee. Dat kan ons er aan herinneren dat we ons leven niet los moeten zien van de natuur. Ik moet denken aan de enorme terugval van het aantal insecten in ons land. Geen insecten betekent geen bevruchting van bloemen, planten, gewassen. Zonder hulp van de natuur loopt het leven gevaar. Met hulp van de natuur gaat het leven van Elia verder.
Maar daar stopt het verhaal niet. Hij moet verder. Hij moet naar het plaatsje Sarefat. Dat ligt vlak onder de grote, machtige stad Sidon. Sidon, de stad waar Izebel vandaan komt, de koningin die haar man Achab op weg stuurt in een godsdienst die het recht van de sterkste belijdt. Elia moet naar het hart van het land waar zij vandaan komt. Is dat veilig? Is dat verstandig? Wat moet hij in dat land? Wat moet hij met die mensen? Zulke vragen duiden aan in welke valkuil wij mensen, geloof ik, wel vaker trappen. De valkuil van algemene praatjes en vooroordelen. We praten over landen, en volken, en hele groepen mensen in het algemeen. We hebben het over Marokkanen, en over Turken, en over vluchtelingen. En in alle woorden wordt hoorbaar: blijf er maar ver vandaan. In de Bijbel klinkt de stem van God tot Elia: ga naar Sarefat, dat tot Sidon behoort. Want daar zul je iemand ontmoeten die een mens naar mijn hart is.
Dat vind ik ook zal zo'n wonder: dat je mensen tegenkomt die voor een ander willen zorgen. "Ik heb daar een weduwe geboden u te verzorgen", zo horen we de stem van God. Dat nodigt ons natuurlijk niet uit om over God te denken als een sergeant voor het gelid van de troepen, die een vrijwilliger aanwijst. Nee, maar God maakt liefde en betrokkenheid in mensen wakker, God maakt dat mensen hun portemonnee trekken, hun deur open zetten. God maakt dat mensen hun leven met elkaar willen delen. Niet omdat ze zoveel bezitten. Nee, alleen omdat ze willen delen. Zo hoor je oude Amsterdammers met weemoed vertellen over de Jordaan, voor de oorlog. Nee, ze hadden het vreselijk arm - er was nauwelijks wat te eten. Maar het was zo gezellig - mensen deelden het weinige dat ze bezaten, mensen deelden hun leven met elkaar. Een wonder, in onze tijd van individualisme. Mensen zijn bereid te delen wat ze bezitten, zelfs al lijkt er helemaal niets meer te zijn. In Beiroet, in Libanon, gebeurt dat wonder dagelijks, denk ik.
En dan gebeurt er weer iets waar ik met verwondering naar luister. Niets heeft de weduwe meer. Ze maakt haar laatste broodkoek klaar. En dan zit er voor haar en haar zoon niets anders op dan te wachten op de dood. Ze brengt haar zorgen en haar angst onder woorden. Ze deelt zelfs haar machteloosheid met een ander mens. Dat moet in onze ogen, mensen van een tijd waarin het gaat over grenzeloze mogelijkheden en "alles moet kunnen" toch wel haast een wonder zijn: dat mensen hun machteloosheid met elkaar delen. En juist daar, waar het leven dat wonder laat zien, zie je ook dat God nieuwe wegen wijst. In dit verhaal wordt dat ons geopenbaard door het beeld van het meel dat niet opraakt, de olie die niet ontbreekt.
Dat kun je zo opvatten dat je zegt: het verhaal laat ons zien dat je met heel weinig heel ver komt, als je maar bereid bent om te delen. Ik heb ook eens iemand horen zeggen: mensen waren zo onder de indruk dat die weduwe nog gastvrij kon zijn in haar armoede, dat ze het aan meel en olie niet lieten ontbreken. Het werd aan huis bezorgd. Je kunt ook zeggen: er gebeuren wonderen, dingen die onze zintuigen en ons verstand te boven gaan, maar ze gebeuren, dus waarom zou dit niet letterlijk zo gebeurd kunnen zijn? Als we dit maar vast houden: de Bijbel openbaart ons het wonder van Gods liefde, die voor het leven van de mensen, zijn kinderen, wil zorgen.
De Bijbel openbaart ons het wonder van Gods zorg, die ons leven op nieuwe wegen brengt, wegen waarop de verwondering doorgaat. De verwondering over het vertrouwen waarmee de weduwe leeft. Want als de profeet haar zegt dat ze eerst iets voor hem klaar moet maken, en daarna iets voor haar zoon, dan gebeurt het ook zo. Ze wordt niet geleid door de angst of er voor haar dan nog wel genoeg overblijft. Ze vertrouwt dat God voor haar leven zal zorgen, en ze doet wat haar hand vindt om te doen. Net als die andere weduwe, over wie we horen in het Evangelie naar Marcus. Ze geeft alles wat ze heeft. Letterlijk staat er: ze geeft heel haar leven. Ze vertrouwt haar leven toe aan de zorg van God.
Zo leert de Bijbel ons te geloven, tegen allerlei andere vormen van geloof in. De Bijbel verkondigt ons geen geloof van regeltjes en dogma's, van angst en doem. De Bijbel verkondigt ons het geloof in God die woorden spreekt van nieuw leven, die ons leven nieuwe wegen wijst, die voor ons zorgen wil. Dat is het perspectief van ons leven. Moge het grote wonder van Gods liefde en zorg de inspiratie voor ons leven zijn. In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.