Explosief- 17 november 2019- Ds. Eibert Kok

Explosief

Zondagmorgen 17 november, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: De brief aan Filemon

preek 17okt 1

Eén van de leuke dingen van een doopviering voor mij als predikant is het voorgesprek, het gesprek met de ouders over de vraag: Waarom laat je je kind dopen?
Soms komen dan antwoorden van de verschillende ouders die in elkaars verlengde liggen, soms komen er ook heel verschillende antwoorden.
Zo ook deze keer.
Jezus was natuurlijk een revolutionair, zei een van de ouders, belangrijk om dat te weten en ook om door te geven. Uiteindelijk gaat het om omzien naar elkaar. Het gaat om normen en waarden, reageerde een ander. Dat is de basis die ik wil meegeven. En gemeenschap vind ik dan heel belangrijk. Die vorm je samen met elkaar. Nou, zei een weer een ander, voor mij gaat het om houvast. Dat je weet dat er altijd iemand is bij wie je terecht kunt, die zich over je ontfermt. Waarop een volgende aanvulde: Het gaat om een manier van leven die je wilt doorgeven.
Revolutionair, omzien naar elkaar, normen en waarden, houvast, een manier van leven, het zijn allemaal elementen die samenkomen in de brief aan Filemon.
Het is een van de kleinste Bijbelboekjes, ik heb er nooit eerder over gepreekt, maar ik was verrast door de revolutionaire, explosieve kracht van deze korte brief van de apostel Paulus.
Hierboven een fragment uit een grotere striptekening waarin helder wordt uitgelegd wat de inhoud van deze brief is. Op internet is een filmpje te zien waarin de weg door deze strip gevolgd wordt: https://www.youtube.com/watch?v=aW9Q3Jt6Yvk&fbclid=IwAR3BKIDZOKj7hG_Is0qCa_1IRvvjco1gNJDBKQHM8mLr8z3zO3-C62_uT4Q.

Het is omstreeks het jaar 55 na Christus.
Paulus zit in de gevangenis. Waarschijnlijk in Efeze in het huidige Turkije. Dat is aan de westkust, een beetje tegenover het eiland Samos.
Hij zit in de gevangenis vanwege de boodschap die hij verkondigt. De vrijheid van meningsuiting was beperkt.
Hij schrijft aan een zekere Filemon. Die woonde in Kollosse, zo’n 200 km oostwaarts Turkije in.
Filemon was een welgesteld volgeling van Jezus in Kolosse. Bij hem aan huis kwam een gemeente bijeen, een gemeenschap, een huisgemeente, zoals er in die tijd in heel dat gebied veel meer waren: kerkjes-aan-huis van zo’n dertig, veertig mensen.
Deze Filemon had een jonge slaaf – slavernij was in die tijd heel gewoon -, Onesimus, maar die jongen is weggelopen of weggevlucht, omdat hij Filemon benadeeld heeft. Hij heeft iets uitgevreten. Geld gestolen misschien?
Paulus zegt dat Onesimus bij Filemon in de schuld staat.
Dat betekende dat Filemon, de baas, het recht had om zijn slaaf Onesimus te straffen, af te ranselen of wat dan ook.
Onesimus vluchtte naar Efeze en kwam daar op de een of andere manier in contact met Paulus.
Paulus zit in de gevangenis, maar het lijkt er op dat daar in de gevangenis ook een soort gemeenschap is van gelovigen die af en toe contact hebben met elkaar.
Het kan zomaar zijn dat die Onesimus gevangen gezet is als gevluchte slaaf.
Of misschien bezoekt hij Paulus in de gevangenis, is hij door iemand in dienst genomen om Paulus van eten en drinken te voorzien. We weten het niet precies.
Maar Onesimus is tot geloof gekomen, volgeling van Jezus geworden. Paulus heeft goed contact met hem.
In dat contact komt ook het verleden ter sprake. Dat Onesimus een slaaf geweest is, dat hij iets gedaan heeft wat niet door de beugel kan, dat hij vervolgens bij zijn meester is weggelopen.
Dan komt een pijnlijk punt aan de orde.
Paulus vindt dat Onesimus moet terugkeren naar zijn meester, of misschien wil Onesimus dat zelf wel, als slaaf naar zijn heer, als schuldige naar degene die hij schade heeft berokkend, naar Filemon. Dat moet weer goedgemaakt worden.
Als volgeling van Jezus kan Onesimus onmogelijk met een leugen door het leven gaan. Hij wil schoon schip maken. Dit kan niet aan hem blijven hangen.
Maar ja, wat zullen de gevolgen zijn?
Hoe zal zijn heer hem ontvangen? Slaat hem slaag te wachten – zo ging dat in die tijd? Komt hij daar nog een keer in een donker hok achter slot en grendel?
Paulus besluit Onesimus een brief mee te geven, waarin hij Filemon vraagt zijn slaaf weer in genade aan te nemen.
Dat is tricky, want je kunt niet van tevoren inschatten hoe Filemon zal reageren.
Hoe pakt Paulus dat aan?
Nou, hij begint met dat wat ze samen delen, de gemeenschappelijke basis, de normen en waarden waaruit ze allebei willen leven vanuit hun verbondenheid met Jezus.
Hij schrijft: ik hoor vaak over ‘de liefde en trouw, die je de Heer Jezus en alle heiligen toedraagt’.
Liefde, trouw…, naar Jezus toe, naar alle heiligen toe, d.w.z. naar alle gelovigen toe.
Wat Filemon nog niet weet is dat Onesimus nu ook een gelovige is geworden.
Paulus vervolgt: Ik vraag je om een gunst, het gaat om Onesimus, jouw slaaf. Hij is bij mij terecht gekomen. Ik heb me over hem ontfermd. Hij is me dierbaar geworden als een kind van mij. Ik stuur hem naar je terug, al zou ik hem graag bij me houden, want hij heeft hier in de gevangenis goed voor me gezorgd.
Ik geef hem aan je terug. Besef wel, Filemon, dat jij je slaaf op een geheel nieuwe voet terugkrijgt: niet meer als slaaf, maar als een broeder! Wil je hem daarom verwelkomen alsof ik het was…
Heel tricky wat Paulus doet. En tegelijk maakt het exact duidelijk waar het in het christelijk geloof om gaat.
Paulus zegt over Onesimus: ‘Hij is tijdens mijn gevangenschap mijn kind geworden’.
Dat is hele andere taal dan mijn slaaf.
Niet slaaf, maar kind, mijn kind. En jij, Filemon, benader hem niet als je slaaf, maar als je broeder, je broer.
Met een kind, met een broer ga je anders om dan met een slaaf.
Een kind, een broer heeft andere rechten dan een slaaf.
Onesimus heet die slaaf. Je schrikt als je weet wat dat betekent: bruikbaar betekent dat.
Alsof het om een werktuig gaat, een ding dat op jouw bevel moet doen wat jij vindt dat die moet doen.
Geen mens wordt gelukkig als die in een rol wordt geduwd van iets wat die moet doen of moet zijn, geen mens komt tot zijn recht als die niet mag zijn wat zou moeten zijn: broer, zus, kind, kind van God.
Een mens is geen ding, maar een mens, die mag zijn als een broer, als een kind.
Ergens wordt hier een bom gelegd onder heel de sociale verhoudingen van die tijd.
Zo is de jonge christenheid met het instituut van de slavernij omgegaan. De slavernij afschaffen was in die tijd geen optie, de hele economie draaide op de arbeid van slaven.
Maar in de gemeente van Jezus wordt de slavernij van binnen uitgehold, doordat vrijen en slaven als gelijken met elkaar omgaan. Dan ben je echt bruikbaar, nuttig voor elkaar.
Accepteer elkaar zoals Jezus ons mensen accepteert, kijk naar elkaar zoals God naar ons mensen kijkt, met ogen van liefde.
preek 17okt 2En het allerbelangrijkste: handel daarnaar! Laat jouw manier van leven zo zijn dat dat wat je gelooft, dat wat je ontvangt in je geloof, niet daar binnen blijft zitten, maar naar buiten komt.
Pas als geloof handen en voeten krijgt, als die normen en waarden zich vertalen in een manier van leven waarbij weer contact gemaakt wordt met de ander,
dan wordt het spannend, tricky misschien wel om te geloven.
preek 17okt 3Dat vraagt je om uit je comfortzone te komen,
om zoals God zijn hand uitsteekt naar ons, zelf ook de hand uit te steken naar de ander.
Bij mensen lijkt het bijna onuitroeibaar om, als een ander iets verkeerd gedaan heeft, hem of haar dat te blijven nadragen. Eens een dief altijd een dief.
Toen heb je me belazerd, ik vertrouw je nooit meer.
Zo gaat God niet met mensen om, en in het verlengde daarvan is het dat Paulus aan Filemon vraagt om zijn gewezen slaaf in de ogen te kijken als broer. Revolutionair!
We weten niet hoe het afgelopen is.
Dat is vaak zo met een tekst met een open einde: dat laat de vraag aan ons: wat doen wij met slavernij? Wat doen wij met mensen die in een rol geduwd worden waarin ze klem zitten, waarin ze gekleineerd worden, waarin ze niet als mens behandel worden, maar als ding, als een nummer, als een productiemiddel, alleen maar goed om geld te verdienen voor een ander?
Paulus staat daartegenop. Vanuit de liefde die hij in Jezus heeft leren kennen. Hij springt in de bres voor die ene die als vluchteling zijn heil zocht in Efeze.
Misschien is er wel iemand voor wie jij in de bres kunt springen. Tricky misschien, spannend, maar vaak de moeite waard.
Opstaan tegen slavernij, in wat voor vorm ook, die mensen kleineert, opstaan tegen seksisme, tegen racisme!
Als je mensen in hokjes stopt worden ze onbruikbaar, een ding, een nummer, een massa,
als je mensen in de ogen kijkt als een broer, als een zus, als kinderen van die ene hemelse vader,
met de ogen vol liefde van onze hemels vader dan ontstaat er gemeenschap,

preek-20191117-4.jpgdan kan er in muren van beton
een opening ontstaan,
een glimp van een nieuwe werkelijkheid.

Een houdbare brief-27okt-CWvdM

Overdenking op 27 oktober 2019 – Ontmoetingskerk
Lezingen: Jeremia 29: 10-14 en Romeinen 1: 1-7
Thema: Een houdbare brief

Gemeente van Jezus Christus,

Als u de website van onze kerk op internet opzoekt, waar kijkt u dan naar? Misschien wilt u weten bij welke wijk uw adres hoort. Of u kijkt naar het rooster van de kerkdiensten. Of u wilt iets weten over de bazar, die over een kleine twee weken losbarst. Maar kijkt u ook wel eens naar de tekst waar de website mee begint? De tekst waar met grote letters ‘Visie’ boven staat. Die tekst gaat over wie we willen zijn als kerk, over de verbondenheid die we voelen met God en met mensen, over de inspiratie die we daarin vinden, over de aandacht die we, zo geïnspireerd, willen geven aan mensen die op onze weg komen, of ze nu lid zijn van onze kerk of niet.
Op wat daar verder staat ga ik nu niet in. Dat kunt u thuis lezen. Het gaat me hier om de overeenkomst met de tekst waar we naar geluisterd hebben. Het eerste gedeelte van de brief van de apostel Paulus aan de christelijke gemeente in Rome. De brief van Paulus begint zoals onze website begint: Paulus noemt niet alleen zijn naam, hij maakt om te beginnen duidelijk waar hij voor staat, met wie de lezers van de brief te maken hebben, wat ze van hem kunnen verwachten.
Dat is een goed begin, want voor de christelijke gemeente in Rome was Paulus nog een onbekende. Hij had al heel wat afgereisd, en in veel plaatsen rond de Middellandse Zee het fundament gelegd voor een christelijke gemeente. Maar in Rome was hij nog nooit geweest. De gemeente in Rome is mogelijk gesticht door de apostel Petrus, één van de leerlingen van Jezus. Paulus kenden ze in Rome alleen van horen zeggen. Of van één van de brieven die Paulus geschreven had, en die steeds gekopieerd, gelezen en besproken werden.
Daar moet ik eerst maar eens iets over vertellen. Over het schrijven van brieven. Wie schrijft er tegenwoordig nog een brief? Het contact gaat tegenwoordig anders. We spreken elkaar via Skype of Facetime. We sturen mailtjes en appjes. De woorden zeggen het al: mailtjes en appjes. Het zijn verkleinwoorden. We communiceren met korte berichten. Vluchtig. En vaak oppervlakkig. Gisteren las ik in de krant een artikel over een historicus die een aardig boek heeft geschreven op basis van de brieven die mensen elkaar vroeger schreven. Dat zal voor historici in de toekomst niet goed meer mogelijk zijn, dacht hij. En dat vond hij jammer.
Nou moeten we de tijd van de brievenpost niet gaan idealiseren en onze tijd van digitale communicatie inktzwart afschilderen. Natuurlijk staat er op internet een hoop rommel en viezigheid. Twitter is het communicatiekanaal van de korte lontjes. En pesten via Facebook of Instagram is een groot kwaad dat we liever vandaag dan morgen uitgeroeid zouden zien. Maar in de tijd dat alles nog met pen en papier ging konden mensen er ook wat van. Mensen konden elkaar net zo goed pijn doen met lelijke scheldbrieven. Er kwam narigheid van anonieme brieven met verdachtmakingen. Elke tijd heeft z’n eigen goede en kwade kanten.
Maar wat we kwijt dreigen te raken is dat je er eens even goed voor gaat zitten. Een brief schrijf je niet in de tijd dat je een appje tikt. Voor het schrijven van een brief moet je de tijd nemen. En in die tijd kun je een ander uitleggen wat je ergens van denkt. Hoe je dingen ervaart die je meegemaakt hebt. En dat is toch iets minder oppervlakkig dan een opgestoken duim op Facebook.
Zo nam Paulus ook de tijd om anderen iets duidelijk te maken over het geloof in God, over de betekenis van het leven van Jezus, over leven en dood, over liefde en onenigheid, over vrede en conflict. Hij volgt daarmee het voorbeeld van een bekende profeet, de profeet Jeremia. We hebben een stukje gelezen van de brief die hij schreef aan de ballingen uit Juda. Hij schreef om ze een hart onder de riem te steken. Hij moedigde ze aan om het leven op te pakken en er iets van te maken. Om de hoop op de toekomst niet op te geven.
Zo schreef ook Paulus. Hij nam de tijd om een brief te schrijven. En die brieven werden door veel mensen gelezen. Want zo’n brief ging niet in een envelop met een postzegel er op. Zo’n brief werd niet door de post bezorgd. Zo’n brief werd meegenomen door een bekende van Paulus, die de lange reis maakte naar de plaats van bestemming. Daar was je niet in één dag. De bode moest onderweg een aantal keren overnachten. En overal waar hij onderdak kreeg werd die brief gelezen en besproken. Niet zelden werd de brief ’s nachts snel gekopieerd. Zo kregen de brieven van Paulus een groot verspreidingsgebied. Veel mensen waren blij met zijn brieven. Daarom werden ze bewaard. Mensen hadden er iets aan voor de opbouw van hun geloof. Tot op de dag van vandaag. Want ze zijn in de Bijbel terecht gekomen en we lezen zijn brieven nog altijd.
Paulus heeft in zijn brieven geprobeerd om conflicten in de jonge kerk te bezweren en het geloof af te schermen tegen mensen die door een uitvergroot ego anderen het zicht op God en Jezus benemen. Dat zie je aan het begin van de brief aan de christenen in Rome. Paulus maakt zich niet groot. Paulus maakt zich klein. Hij noemt zich ‘dienaar van Christus Jezus’. Eigenlijk staat er iets dat Paulus nog veel kleiner maakt. In het Grieks staat er dat hij zich ‘slaaf’ van Christus noemt. Een slaaf heeft geen leven voor zichzelf. Een slaaf leeft alleen voor zijn meester. Paulus vraagt geen aandacht voor zichzelf. Hij wil mensen alleen richten op het evangelie van God.
Want God heeft een goede boodschap voor alle mensen. En dat is niet sinds vandaag of gisteren, schrijft Paulus. De belofte dat God het goede voor heeft met alle mensen klinkt al uit de mond van de profeten. Het is een belofte die de hele geschiedenis door al klinkt en te lezen is in de heilige boeken. Daarmee bedoelt Paulus ongetwijfeld de boeken die in de synagogen gelezen worden, toen ook al. De heilige boeken uit de Joodse traditie. De traditie waar Jezus bij hoort. De traditie waar Paulus zelf bij hoort. En alle beloften uit die traditie, alle beloften over God die de mensen tegemoet komt, zijn waar geworden in het leven van Jezus Christus, een nakomeling van de grote koning David, die door zijn leven herkend is als het gezicht van God in deze wereld.
Dat is het goede nieuws dat Paulus aan iedereen verkondigd wil hebben. In Jezus laat God zich kennen. In een leven dat zoveel liefde bevat dat de dood er geen greep op heeft kunnen krijgen. Dat Paulus daar over mag vertellen, dat noemt hij genade. Hij mag iedereen die maar horen wil op het spoor zetten van de kracht van de liefde, een kracht die sterker is dan de dood in zal zijn gedaanten. Hij roept mensen op tot gehoorzaamheid en geloof. Letterlijk staat er: de gehoorzaamheid van het geloof. En dat is iets anders dan het volgen van religieuze wetten en regels. De gehoorzaamheid van het geloof is niets anders dan het volgen van Jezus.
Als wij over het geloof spreken hoeven we niet te vervallen in moeilijke dogma’s of het uitleggen van wat er van de kerk allemaal wel en niet mag. Dat is nou net waar Paulus in zijn brieven voor waarschuwt. Dat we het over regeltjes hebben die voor een groot deel door mensen bedacht zijn. In het geloof moet het in de eerste en de laatste plaats gaan over de liefde die Jezus ons voorgeleefd heeft. Het moet er over gaan dat alle mensen zich geliefden van God mogen weten.
Want wie haar of zijn leven in het licht van die liefde verstaat kan zich verweren tegen het duister dat het leven van ons mensen bedreigt: angst en heerszucht, egoïsme en hebzucht. Als je bang bent dat er niemand voor je zorgt, zorg je alleen nog maar voor jezelf en kun je voor een ander niets betekenen. Als je vertrouwt dat je geborgen bent in Gods liefde wordt je leven van angst bevrijd en durf je het leven met anderen te delen. Dan leef je anders. Dan leef je, zoals Paulus schrijft, ‘heilig’. Dat betekent niet dat je onfeilbaar bent en nooit struikelt. Dat betekent wel dat je op de goede weg bent.
En dat is in deze wereld heel wat. Het betekent dat er genade en vrede in je leven komt. Want zo besluit Paulus het eerste deel van zijn brief aan de Romeinen. Hij wenst zijn lezers genade en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus. Die woorden gebruiken we nog steeds, aan het begin van een kerkdienst. We mogen het elkaar toezeggen. Dat we vertrouwen dat ons leven met liefde begint. Dat bevrijdt ons van de kramp om te veroveren zodat we met elkaar in vrede kunnen leven. Dat verlost ons van de angst om tekort te komen - omdat we het belangrijkste in het leven niet hoeven te verdienen, maar gratis in de schoot geworpen krijgen. Dat is wat Paulus ons toewenst in zijn brief: genade en vrede. Een brief om goed te bewaren. En af en toe weer eens te lezen met elkaar. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Wie mag er zijn- 13 oktober 2019- ds. Eibert Kok

Wie mag er zijn?

Zondagmorgen 13 oktober 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Jesaja 56: 1-8 en Lucas 17: 11-19

preek 13 okt 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
Het is een heel indringende vraag die de lezingen van vanmorgen aan de orde stellen.
Vandaag gaan mensen in Polen naar de stembus.
Het is niet de vraag of de conservatieve regeringspartij de parlementsverkiezingen zal winnen, maar hoe groot de winst zal zijn.
Die regeringspartij heet, in het Nederlands vertaald ‘Recht en Rechtvaardigheid’, precies de woorden die we hoorden in het eerste vers van Jesaja 56: “Dit zegt de HEER: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht…”
Mooie woorden, recht en rechtvaardigheid.
Eén van de speerpunten van die partij is om zich sterk te maken tégen wat ze noemen ‘gevaarlijke homorelaties’.
Want die bedreigen de traditionele Poolse familiewaarden.
De partijleider Jaroslaw Kaczynski zegt het zo:
“Dit is de inzet van deze verkiezingen. Als we normale relaties willen hebben en niet twee papa's, of twee mama's, dan moeten wij deze verkiezingen winnen.”
Deze gedachte, zo las ik, wordt ook door de katholieke kerk in Polen gekoesterd en verkondigd.
Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
Maar we kunnen ook dichter bij huis blijven. In januari kwam de Nederlandse versie van de Nashvilleverklaring uit, gelanceerd door een heel aantal behoudende protestantse christenen, met vergelijkbare gedachtes, die ze zeggen te baseren op de Bijbel, met als conclusie dat een homorelatie niet kan en niet mag.
Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
Terecht is er ook in de kerken heel breed geprotesteerd tegen deze Nashvilleverklaring. Ook hier bij de Ontmoetingskerk hebben we toen, net als afgelopen vrijdag 11 oktober, Coming-Outdag, de regenboogvlag opgehangen, om te laten zien dat naar onze overtuiging er wel degelijk alle ruimte is voor andere relaties dan alleen de heterorelatie tussen man en vrouw, ook voor Gods aangezicht.
De lezingen van vanmorgen helpen me daarbij.
Het gaat in de lezing uit Jesaja 56 over de vraag wie er wel en wie er wel en wie er niet welkom is in de tempel: wie mag er wel zijn, en wie mag er niet zijn?
Dan worden daar twee categorieën mensen genoemd die volgens bepaalde Bijbelteksten niet welkom zijn in de tempel, die er niet mogen zijn,
en die volgens de tekst van Jesaja er wel degelijk mogen zijn, alsof de Bijbel zichzelf corrigeert:
de ruimte is veel groter en de veelkleurigheid mag veel groter zijn dan je in eerste instantie zou denken.
De Bijbel corrigeert zichzelf. Dat alleen al is een reden om voorzichtig te zijn om Bijbelteksten van toen zomaar op de situatie van nu te plakken. Zijn er misschien ook andere stemmen in de Schrift? Tegenstemmen? En hoe verhouden die zich tot elkaar? Welke geef je meer gewicht? En waarom?
Die twee categorieën mensen waar het hier om gaat, zijn deze: de vreemdeling en de eunuch.
Volgens verschillende Bijbelteksten mogen zij er niet zijn in het huis van God. Niet welkom.
Volgens deze Bijbeltekst uit Jesaja mogen zij er wel zijn.
Ik kan me voorstellen dat er ook destijds meer dan genoeg mensen waren die de vreemdeling, of de eunuch zagen als een bedreiging van de traditionele Israëlitische familiewaarden.
Maar God hanteert andere criteria voor wie wel en wie niet welkom bij hem is, wie er wel en wie er niet mag zijn.
In de lezing uit het NT zien we iets vergelijkbaars gebeuren.
Een vreemdeling, een Samaritaan, en ook nog eens iemand die melaats was, dus iemand die om twee redenen niet welkom was in het huis van God, iemand tot wie je volgens de voorschriften gepaste afstand moest houden, hij blijkt helemaal welkom te zijn, hij mag er zijn.
Zowel in Jesaja als bij Jezus worden oude voorschriften opengebroken om ruimte te maken voor mensen die anders zijn, ook zij horen er bij.
preek 13okt 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Als we kijken naar dit beeld: die ene staat los van de rest.
Wat doe je dan?
Dan kun je je best doen om die kloof in stand te houden, en die ander buiten de deur te houden, omdat die ander vreemd is, of voelt als een bedreiging voor dat wat jou vertrouwd is,
of je kunt proberen een stap in de richting van de ander te zetten, om die kloof misschien een klein beetje te overbruggen, om je hand uit te steken en die ander te ontmoeten.
Terug naar Jesaja. Wie is er welkom in het huis van God?
Niet iedereen voelt zich welkom in de tempel. Deuren gaan dicht voor de vreemdeling en de eunuch.
De vreemdeling. Hij voelt, merkt in alles: ik heb hier geen echt thuis. Terwijl hij wel bij God en zijn volk wil horen. Ik zie er anders uit. Ik heb andere gewoonten. Ik eet anders. Ik hoor er niet bij. De tempelgangers kijken hem scheef aan. Dan kun je zomaar gaan denken dat die God van die kerkgangers ook wel zo zijn. Dat horen we de vreemdeling ook zeggen: De HEER zondert mij zeker af van zijn volk.
Een tweede groep voelt zich ook niet welkom.
De eunuch. Een man die gecastreerd is. Met opzet. Omdat hij bijvoorbeeld in dienst was bij een baas en geen bedreiging mocht vormen voor de vrouwen in het huis. Moet je je eens indenken wat dat betekent. Je persoon, wie je bent, verandert. In het meest intieme. Ben je nog wel een man? Wie ben je nou? Je toekomst verandert. Nooit eigen kinderen. Je naam wordt niet doorgegeven. We horen hem zeggen: Ik ben maar een dorre boom. Niet vruchtbaar, zonder leven.
Mag ik er wel zijn? Ben ik wel welkom bij God?
Maar de HEER zegt:
“De eunuch … die keuzes maakt naar mijn wil, die vasthoudt aan mijn verbond … Ik geef hem een eeuwige naam (!)”
“En de vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden
om hem te dienen en zijn naam lief te hebben…
hem schenk ik vreugde in mijn huis van gebed; zijn offers zijn welkom (!) op mijn altaar.”
preek 13okt 3
Wat God betreft wordt de afstand overbrugd en reiken mensen elkaar de hand: welkom, je mag er zijn, in het huis van de HEER.
Ik wil nog even stilstaan bij die eunuch, omdat ik een boek aan het lezen ben over transgenderpersonen in de kerk.
Het boek heet: ‘Wondermooi, zoals U mij gemaakt hebt’, een citaat uit Psalm 139, met als ondertitel: ‘Handreiking voor gelovige transgender personen en werkers in de kerk’.
Daarin staat ook een hoofdstuk waarin de Jesajatekst van vanmorgen aan de orde komt, een hoofdstuk geschreven door een transman. Dus iemand die geboren is met een vrouwelijk lichaam, maar nu als man door het leven gaat.
Door zijn bril kijkt hij dan naar Bijbelteksten.
Voordat hij Jesaja 56 behandelt, noemt hij eerst Deuteronomium 23: 2, waar staat geschreven: Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, mogen niet deelnemen aan de dienst van de HEER.
Hij schrijft dan dat deze tekst wel wordt gebruikt om transpersonen die zich laten opereren de deelname aan de eredienst te ontzeggen en om die operatie dus te verwerpen.
Daarna behandelt hij dan de tekst van vanmorgen om te laten zien er ook een andere stem klinkt in de Bijbel die die eerste corrigeert.
Voor hem zijn deze teksten heel belangrijk omdat volgens hem de eunuch het meest passende Bijbelse equivalent is dat we hebben voor transpersonen.
Eunuchen ondergingen niet alleen lichamelijke aanpassing door castratie, hun maatschappelijke positie veranderde daarmee ook, niet meer passend in de nauwkeurig bepaalde mannelijke en vrouwelijke genderrollen, niet meer de mogelijkheid om kinderen te krijgen.
In deze passage verlegt God duidelijk de focus van de lichamelijke kant en afkomst van de gelovigen naar de vraag of zij vasthouden aan het verbond met God en keuzes maken naar Gods wil.
Anders gezegd: of zij recht en gerechtigheid betrachten, leven in de lijn van Gods bedoelingen.
Dus de nadruk ligt hier niet op de uitwendige, lichamelijke kant van mensen, maar op de getrouwheid van de persoon in alles wat hij doet, naar God toe, naar de mensen toe.
Zijn kijk op deze Bijbeltekst maakt deze woorden op een verrassende manier weer actueel.
Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
De lezingen van vandaag helpen ons om een antwoord te geven op die vraag.

Kwijt, gevonden!?- 25 augustus 2019- ds Eibert Kok

Kwijt, gevonden!?

Zondagmorgen 25 augustus 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Lucas 15: 1-10

preek25aug 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Het was in december dat de Nederlandse Spoorwegen weer ‘De week van de verloren knuffel’ organiseerden, met o.a. deze foto.
Het concept is simpel: de NS plaatst dan elke dag een foto op sociale media om zo in ieder geval een paar knuffels terug te bezorgen bij de eigenaar. Als de knuffel wordt herkend, kan het dier nog voor kerst worden thuisbezorgd.
Mooie actie, zeker zo vlak voor kerst. Het lijkt op een mooi kerstverhaal. Dat wat je kwijtgeraakt bent, maar voor jou onvervangbaar is, krijg je toch weer terug.
Iedereen die met kleine kinderen opgetrokken heeft, weet hoe belangrijk die ene knuffel voor dat kind kan zijn, en hoe intens verdrietig het kan zijn als het die knuffel kwijtraakt.
Mooie actie van de NS, die, zo begreep ik, bedoeld is om alle gevonden voorwerpen onder de aandacht te brengen.
Meestal zijn het niet knuffels die verloren zijn, maar pasjes, telefoons, rugzakken, portemonnees, sleutels.
Het kan knap vervelend zijn als je die kwijtgeraakt bent.
En als je in de trein iets kwijtraakt, ja, dan kun je ook niet meer zoeken, want voor je het in de gaten krijgt, is de trein vaak alweer vertrokken.
preek25aug 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Maar anders. Als je thuis iets kwijtraakt, of op je werk, of op vakantie op de camping of in het hotel, en het is écht belangrijk voor je, wat doe je dan?
Ik weet het wel: alles op z’n kop zetten om die pas of die sleutels terug te vinden, want anders hebt je een probleem.
De verhalen die Jezus vertelt zijn eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen, zeker de twee verhalen, de twee gelijkenissen van vanmorgen. Heel herkenbaar, ook 20 eeuwen later nog.
Iedereen is wel eens een keer iets kwijt en moet alles op z’n kop zetten om het terug te vinden.
Verhalen uit het leven gegrepen.
Een herder die een van zijn honderd schapen kwijt is en een vrouw die een van haar tien geldstukken kwijt is.
Allebei gaan ze op zoek, en allebei vinden ze het terug, heel herkenbaar. En ook heel herkenbaar, dat moment van blijdschap: Yes, ik heb het teruggevonden!
preek25aug 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


In het verhaal is het aanleiding voor koffie met gebak. De herder, en ook die vrouw van dat muntstuk, allebei zijn ze zo in hun sas dat ze vrienden en buren uitnodigen: Deel in mijn vreugde, want wat ik kwijt was, heb ik weer gevonden.
Toch zitten er vreemde elementen in deze op het eerste gezicht herkenbare verhaaltjes.
Is het niet vreemd om 99 schapen achter te laten, om die ene te zoeken?
Daar kun je natuurlijk van alles bij verzinnen, dat ze veilig in de schaapskooi zaten bijv., maar dat vertelt het verhaal niet.
Misschien is het wel gewoon midden in het veld. Is het wel verantwoord wat die herder doet? Is het bedrijfsmatig niet veel gangbaarder om dan je verlies te nemen? 1%. Jammer maar ook niet meer dan dat. Bedrijfsrisico. Afschrijven.
Is het vanuit dat oogpunt niet volstrekt onverantwoord om alleen voor die ene die 99 andere op het spel te zetten? In onze wereld van statistiek en kansberekening zouden wij waarschijnlijk een andere keus maken.
En is dat feestje na afloop niet wat overdreven? Misschien heeft dat die vrouw wel meer gekost dan dat ene muntstuk waard was.
Het zijn ook niet zomaar verhaaltjes, het zijn gelijkenissen van Jezus, verhalen die iets duidelijk willen maken, die aansluiten bij onze werkelijkheid,
maar ook altijd een ongewoon element in zich hebben, een nieuwe werkelijkheid openen.
Zo ook hier.
Jezus vertelt in Lucas 15 drie gelijkenissen, twee korte, die we vanmorgen gelezen hebben, en een langere, die volgende week aan de beurt is, de gelijkenis van de verloren zoon.
Die drie gelijkenissen horen bij elkaar. Dezelfde thematiek.
Er is iets kwijtgeraakt, en gelukkig, dat komt terug.
En alle drie keren eindigt het met grote vreugde!
Dat terugvinden van wat verloren is, is reden tot feest.
We zien opbouw: 1 van de 100, 1 van de 10, 1 van de 2.
In de eerste twee verhalen is het de eigenaar die al zijn energie steekt in het zoeken,
in de derde gelijkenis is het de verloren zoon zelf die de stap terug moet zetten.
Zijn vader staat hem met open armen op te wachten, maar zoeken doet die vader niet.
Zo komen verschillende elementen naar boven.
Dat in al die gelijkenissen de persoon die iets kwijt is in eerste instantie God is, ligt voor de hand. God die mensen zoekt, juist mensen die verloren zijn geraakt.
Tegelijk laat de gelijkenis van volgende week, die van de verloren zoon, een ander accent horen: het is ook aan de mens zelf om op zoek te gaan naar daar waar hij vandaan komt, naar de bron van het leven, naar God. Onze rol is niet alleen maar passief.
En alle drie gelijkenissen lopen dus uit op die vreugde. Dat is een verbindend element.
Het is ook belangrijk om te kijken in welke context deze gelijkenissen staan. We zien dan twee groepen mensen die niet zo makkelijk samengaan, zo lijkt het.
Tollenaars en zondaars – en farizeeën en schriftgeleerden.
Die tollenaars en zondaars komen naar Jezus toe om naar hem te luisteren. Dat zijn misschien ook wel de mensen die zich zullen herkennen in dat verloren schaap – zij horen er niet bij –, in dat verloren muntstuk, in die verloren zoon.
Tot hun verrassing horen ze dat er iemand is, dat God zo is, die niets anders wil dan dat zij er bij horen, en dat dat een enorme vreugde bij God opwekt, en dat hij niets anders wil dan dat andere mensen in die vreugde delen. Dat is de ene groep: tollenaars en zondaars.
Maar er is ook die andere groep die, zo lijkt het wel, het tegenbeeld is van de situatie aan het eind van de gelijkenissen, die situatie van vreugde en feest.
Zij zeggen morrend (!) tegen elkaar: Die man ontvangt zondaars en eet met hen. Je hoort de walging en de afkeuring erin doorklinken.
Die man, die vent, die papt maar een beetje aan met die lui daar. In hun ogen betekent dat dat hij niet deugt.
Jezus zit met Farizeeën en schriftgeleerden aan tafel. Dat hoorden we vorige week, maar hij zit ook met tollenaars en zondaars aan tafel. De farizeeën en schriftgeleerden kunnen dat niet rijmen met elkaar.
Maar deze drie gelijkenissen, zeker de laatste, die van de verloren zoon, zijn één grote uitnodiging om dat wel te doen.
Jezus vindt het heerlijk om met alle mensen aan tafel te zitten. En in de hemel is er meer vreugde over één zondaar die tot inkeer komt dan over 99 rechtvaardigen.
Gód vindt het heerlijk om met alle mensen verbinding te zoeken, om met hen aan tafel te zitten. Nooit zal hij iemand afschrijven.
Als we straks het avondmaal vieren, laten we dan daaraan denken, dat God blijer is met die vreemde snuiter die misschien wel voor het eerst meedoet, dan met al die brave kerkmensen die al veel vaker meegedaan hebben, en dat God ons dan uitnodigt om niet als de oudste zoon uit de gelijkenis daar een ontevreden, miskend gevoel van te krijgen,
maar om mee te gaan in die vreugde van God.
Laat je ergernis varen en geef je over aan de vreugde!
Voor God is het feest pas compleet als wie verloren was, er weer bij kan zijn! Laat je blij maken door wat God blij maakt.
preek25aug 4

 

 

 

 

 

 

 


Dit is een heel oud beeld, begin vierde eeuw.
Drieënhalf jaar geleden was het te zien in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Er was daar toen een tentoonstelling over de droom van keizer Constantijn. Een mooie tentoonstelling. Met veel trotse beelden.
En ook dit beeld. Prachtig beeld, dat we allemaal zullen herkennen.
Van de herder, de goede herder, die het verloren schaap op zijn schouders neemt en terugbrengt, het veilig thuis brengt.
Constantijn, de eerste christelijke keizer, dat zou zomaar kunnen.
Maar toen las ik daar dat dit helemaal geen christelijk beeld hoeft te zijn. Het zou kunnen, maar zeker is het niet.
Het is namelijk een beeld dat in de Romeinse wereld van toen veel breder gebruikt werd.
Het werd bijv. nog wel eens gebruikt bij een graf, niet alleen bij een christelijk graf.
Blijkbaar is dit een beeld dat veel mensen aanspreekt, juist ook bij de dood, de hoop dat er iets/iemand zal zijn die jou op zijn schouders neemt, die je dragen zal, die je veilig thuis zal brengen. Een hoop die blijkbaar veel breder is dan het christelijk geloof alleen.
Ik moet denken aan dat overbekende lied, een bewerking van Psalm 23, dat nogal eens gekozen wordt bij een uitvaart: De Heer is mijn herder… hij zal mij geleiden naar grazige weiden, hij voert mij al zachtkens aan waatren der rust.
Ontroerend mooi, God die ons dragen zal, ook over de grens van de dood heen.
Het is wel een van de eerste beelden die de kerk ging gebruiken voor Jezus. Eerst waren er helemaal geen beelden. Vanaf de derde/vierde eeuw zien we dan dit beeld komen, niet expliciet christelijk, maar het kreeg wel steeds meer en meer die betekenis.
Het is het beeld van de eerste gelijkenis van vandaag.
Wat doet het met ons? Dat is een vraag die we onszelf kunnen stellen.
Als ik voor mezelf spreek, dan roept het in de eerste plaats iets op van vertrouwen. Hij draagt ons leven dag aan dag.
Te midden van al die trotse beelden daar bij die tentoonstelling in Amsterdam riep het ook iets op van barmhartigheid en zachtmoedigheid.
Een tegengeluid in de harde werkelijkheid van alledag waar eigenbelang nogal eens voorop staat.
En, zeker in het licht van de gelijkenissen van vanmorgen, roept het de vraag bij mij wakker hoe herderlijk wij zelf in het leven staan, hoe herderlijk ik in het leven sta. Hoe zie ik om naar mensen om mij heen? Naar dat wat zomaar verloren kan gaan?
Wie zijn wij kwijtgeraakt? Ervaren we dat als een probleem?
Want dat is denk ik ook iets dat in dat beeld van de herder zit: ook wij worden geroepen om zo in het leven te staan, om om te zien naar de mensen om ons heen, om oog te krijgen voor die mensen die uit het oog raken. Zodat ook zij weer verbonden zullen raken, verbonden met de bron, verbonden met God. Dan pas zal voor God de puzzel compleet zijn.
“Deel in mijn vreugde, want ik heb … gevonden die ik kwijt was.”
De hemel viert feest als er één verloren ziel teruggevonden is. Dan bestellen de engelen: koffie met gebak.