Got Talent-28jun-EBK

Got Talent

Zondagmorgen 28 juni 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Matteüs 25: 14-30

 Preek 20200628 1Aan het begin was deze afbeelding al te zien, een mooi glas-in-loodraam, waarop de gelijkenis van vanmorgen is afgebeeld.
“Of het” -en daarmee zal het koninkrijk van God bedoeld zijn- “zal zijn als met een man die op reis ging, zich dienaren bij zich riep en het geld dat hij bezat aan hen in beheer gaf…”
Ik was op zoek naar afbeeldingen bij deze gelijkenis en vond deze – je gelooft je oren niet – bij een Engelstalig artikel over investeren, investeren met geld, investeren met kapitaal.
Dit was een van de favoriete Bijbelverhalen van de schrijver uit de tijd dat hij op de christelijke basisschool zat.
Die ene dienaar die zijn geld begroef speelde op zeker, en op zeker spelen betekent dat je niet zult groeien in welvaart. Dat was de les die hij daaruit trok.
Alleen als je risico durft te nemen en je kapitaal durft te investeren, dan zul je groeien in welvaart. Dat was de diepe les van deze gelijkenis voor deze financieel adviseur, dé manier om de stapel bankbiljetten te laten groeien.
Nu mag ieder van mij iedereen de gelijkenis toepassen op zijn eigen situatie, maar laat één ding duidelijk zijn: in de context van het Matteüsevangelie gaat het niet over geld.
En het gaat volgens mij ook niet over een bepaald arbeidsethos, dat het jouw roeping zou zijn om altijd hard te werken, om, zoals dan wel gezegd wordt, te woekeren met de talenten die je gekregen hebt, en dat het kwalijk zou zijn als je niet werkt.
Daarover gaat het niet.
Waarover dan wel? Zou dit het zijn?
Preek 20200628 2
Misschien kennen we het programma wel: Holland’s Got Talent.
Een talentenjacht. Er wordt gezocht naar een nieuw uniek talent. Het talent van een deelnemer mag van alles zijn: zang, dans, cabaret en acrobatiek. Waar het om gaat is dat je boven de rest uitstijgt, een uniek talent waarin niemand of bijna niemand net zo goed is als jij.
Maar nee, dat is het hier ook niet, het gaat hier niet over iets waarin je beter bent dan de rest, waarin je uitblinkt.
In deze gelijkenis gaat het volgens mij over de ‘valuta van het Koninkrijk van God’,
dat wat in het licht van het Koninkrijk van God van waarde is, en dat is niet geld, en dat is ook niet iets waarin jij uitblinkt.
Wat is van waarde in het licht van het Koninkrijk van God?
Dan moet ik veel meer denken aan waardes als liefde, vrede, gerechtigheid.
Dat is wat de heer uitdeelt aan zijn mensen en bij hen in beheer geeft.
En de vraag is dan wat zij er mee gaan doen.
Die waardes – liefde, vrede, gerechtigheid – zijn eigenlijk ook niet goed te kwantificeren, zijn niet goed in hoeveelheden uit te drukken: de één krijgt vijf zakken vrede, de ander twee, en de derde één. Zo werkt dat niet, zo spreek je daar niet over.
Toch gaat het in de gelijkenis wel om hoeveelheden, 5, 2, 1, en ik vind het dan weer jammer dat het net de persoon is die het minste krijgt, die er niets mee doet,
zo van: ik heb veel minder gekregen dan de anderen, dat van mij stelt toch niet zoveel voor, wat zou ik voor moeite doen?
Het zou misschien makkelijker geweest zijn als één van die andere twee dienaren z’n talenten onder de grond gestopt had.
Want ook als je weinig gekregen hebt, kun je daar heel veel mee doen, dat is de teneur die ik in heel veel Bijbelverhalen aantref. Ook met weinig kun je veel doen.
Laten we ons niet blindstaren op de aantallen. Dat is in het licht van het Koninkrijk altijd net weer anders dan de manier waarop wij gewend zijn om te tellen.
In de gelijkenissen over het Koninkrijk staat de heer steeds voor God.
God geeft ons zijn valuta in handen: liefde, vrede, recht.
Aan ons is het om dat kapitaal te beheren.
Wat doen we ermee? Gaan we ermee aan de slag of doen we er niets mee?
Nu geeft deze gelijkenis me wel een ongemakkelijk gevoel.
Er lijkt hier sprake van een afrekencultuur.
We zien het in de samenleving om ons heen gebeuren.
Als je het goed doet en gemaakt hebt, word je de hemel in geprezen,
als je niet doet wat van je verwacht wordt, word je afgebrand.
Er lijkt geen genade te zijn voor mensen die het niet goed doen.
Dat strijdt toch met alles waar de Bijbelse boodschap voor staat!?
Het laatste zinnetje uit de gelijkenis van vandaag zou zomaar dat idee van een afrekencultuur kunnen voeden: die nutteloze dienaar, gooi die eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.
Dit doet denken aan oude hel- en verdoemenispreken.
Dan kan angst voor de mislukking het leven gaan beheersen.
Net als die ene man, er staat dat hij bang was en dat hij daarom zijn talent begroef. Angst kan mensen verlammen.
Als ik de gelijkenis lees, krijg ik de indruk dat dat juist níet de bedoeling is.
Er is maar één man die het heeft over een strenge heer, die met het ene talent: “heer, ik wist dat u streng bent… uit angst besloot ik uw talent te begraven…”
Deze ene man lijkt iemand te zijn met een gebrek aan vertrouwen, met een gebrek aan geloof,
misschien wel bang om fouten te maken, bang om het niet goed te doen. Zonde van zijn leven.
Hij leeft in de wereld van de argwaan, niet in de wereld van het vertrouwen.
Dat koninkrijk van liefde, vrede, recht, dat gaat ’m echt niet worden.
Hij begraaft het, hecht geen waarde aan die waardes die zijn heer hem geeft, leeft liever bij de bikkelharde werkelijkheid dat het altijd zal blijven zoals het is.
Zijn levenshouding blijkt te maken te hebben met zijn Godsbeeld.
In zijn ogen is zijn heer een hardvochtig heer, een strenge boekhouder, die geen fouten tolereert. Voor deze heer is hij bang. Hij durft niet.
Zo wordt het selffulfilling prophecy.
Maar zo is de Heer, zo is God helemaal niet.
Wat deze gelijkenis wil doen is mensen juist oproepen die angst te laten varen,
oproepen tot moed, vertrouwen, geloof.
Het gaat om de beweging van datgene waar Jezus voor stond.
De eerste twee dienaren bewegen mee, en dat blijkt te werken.
De derde dienaar stapt er als het ware uit
en laat alles tot stilstand komen.
Als je uit de beweging van Gods koninkrijk stapt, de beweging van recht, genade en liefde, dan is de buitenste duisternis al in je binnenste aanwezig.
Toch nog even die getallen: 5, 2 en 1.
Waarom niet ieder even veel?
De gelijkenis zegt er dit over: Ieder naar wat hij aankon.
Meer in handen krijgen, betekent meer verantwoordelijkheid.
Ieder krijgt naar wat die dragen kan, niemand wordt overvraagd. En het één is niet meer waard dan het ander.
Waar het om gaat is dat elk mens een kapitaal geschonken krijgt, onderschat dat niet!
en de bedoeling is om daar iets mee te dóen!
Je kunt er alleen mee aan de slag als je lef hebt en moed en vertrouwen en geloof.
De dienaren beginnen zonder eigen vermogen, met hun toevertrouwd kapitaal.
Dat is een grondregel van het geloof: alles wat je hebt heb je gekregen, is je toevertrouwd.
Je hoeft niet eerst iets van jezelf in te brengen, om zo voor de Heer iets te kunnen betekenen, je krijgt het beginkapitaal uit zijn hand geschonken.
Dat is een grondregel, denk ik: geloof is gave, je krijgt het als een geschenk uit de hemel.
Je kunt erin meebewegen, je kunt je ervoor afsluiten, bewust of onbewust, maar je kunt het niet bij jezelf teweeg brengen: geloof, vertrouwen.
Het wordt je geschonken, als een prachtig kapitaal, geloof, hoop en liefde, onbetaalbaar.
En de verwachting van de Heer is dat wij mensen er iets mee doen, dat onze handen zijn handen zullen zijn.

De laatsten en de eersten-14jun-CWvdM

Overdenking op 14 juni 2020 - Ontmoetingskerk
Lezingen: Deuteronomium 15: 7-11 en Mattheus 20: 1-16
Thema: De laatsten en de eersten

Gemeente van Jezus Christus,

Ooit heb ik eens iemand een pleidooi horen houden voor de invoering van een basisinkomen. En dat pleidooi ondersteunde hij met de gelijkenis die we vanmorgen met elkaar lezen. De gelijkenis over de arbeiders in de wijngaard. Die kregen immers ook allemaal hetzelfde loon! Nou sta ik persoonlijk niet onsympathiek tegenover de gedachte aan een basisinkomen. Maar om deze gelijkenis daar zomaar bij te slepen vind ik toch een beetje kort door de bocht. Waar de mensen in de tijd dat Jezus leefde ook mee bezig waren, dat was in ieder geval niet een thema als het basisinkomen. Dus met het oog daarop heeft Jezus deze gelijkenis vast niet verteld.
Waar gaat de gelijkenis dan wel over? Bij elke gelijkenis die Jezus vertelt is een belangrijke vraag waar die gelijkenis een antwoord op is. Wat is de situatie op het moment dat Jezus met een gelijkenis komt? Met wie is Jezus op dat moment in gesprek? Wat heeft zich voorgedaan dat maakt dat Jezus precies met deze gelijkenis komt? Op die vragen kunnen we een antwoord geven wanneer we lezen wat er aan de gelijkenis vooraf gaat. Ik noem een paar dingen die we voorbij zien komen in het hoofdstuk dat aan deze gelijkenis, aan het begin van hoofdstuk 20, vooraf gaan.
Om te beginnen horen we in hoofdstuk 19 over mensen die hun kinderen bij Jezus brengen. Ze vragen Hem hun de handen op te leggen en voor hen te bidden. De leerlingen van Jezus vinden dat maar niks en willen hen wegsturen. Kinderen zijn blijkbaar niet belangrijk genoeg. Die horen helemaal achteraan, op de laatste plaats. Maar Jezus zegt dat het Koninkrijk van de hemel juist voor hen is, voor wie is zoals zij. Daarna meldt zich iemand bij Jezus die wil weten hoe hij het eeuwige leven kan verwerven. Hoe kom ik bij de hemelpoort vooraan te staan, zal ik maar zeggen. Door alles wat je bezit te verkopen en aan de armen te geven, zegt Jezus. Maar dan druipt diegene teleurgesteld af. Want hij had nogal wat bezittingen. En tenslotte vraagt Petrus waar hij en de andere leerlingen naar uit kunnen zien. Krijgen zij nog een beetje behoorlijke plek in het Koninkrijk van de heme? Het antwoord dat Jezus geeft loopt uit, aan het eind van hoofdstuk 19, op deze zin: ’Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten’.
Dat het voorgaande verband houdt met de gelijkenis die Jezus vertelt is duidelijk. Je hoeft alleen maar te kijken naar de zin waar Jezus de gelijkenis mee afsluit: ‘Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten’. De gelijkenis die tussen die twee uitspraken verteld wordt is een antwoord op wat daarvoor is voorgevallen. De gelijkenis is een antwoord op wat Jezus ziet gebeuren: dat mensen vooral bezorgd zijn om hun eigen positie. Ze willen de verzekering dat hun plek gewaarborgd is. Ze willen zeker weten dat een ander hen niet voorgaat. Hun eigen positie, die moet het belangrijkst zijn. Die staat op de eerste plaats. Het doet me denken aan iemand die me eens vertelde dat hij z’n leven lang z’n best had gedaan om gehoorzaam aan de Tien Geboden te leven. Toen ik hem vroeg waarom zei hij dat hij hoopte dat hij op die manier in de hemel zou komen. Waar draait het dan om in je geloof? Alleen maar om jezelf.
Daar is de gelijkenis die Jezus vertelt een antwoord op, denk ik. De gelijkenis over de dagloners die op de markt staan en af moeten wachten of er iemand is die hen in dienst wil nemen. Gelukkig is er iemand die hen nodig heeft. Ze mogen aan het werk. Er wordt afgesproken wat voor loon ze na die dag zullen ontvangen. En dat geldt voor meer dagloners. De ene groep na de andere wordt in dienst genomen. Tot en met een groep dagloners die één uur voor het einde van de werkdag aan de slag mag. De landheer, waar Jezus over vertelt, zal daar zo z’n eigen redenen voor hebben. Zoals hij ook z’n eigen redenen heeft wanneer het op betalen aankomt, aan het eind van de werkdag. Dan ontvangen, om te beginnen de arbeiders van het laatste uur, een denarie, het bedrag dat was afgesproken met de arbeiders van het eerste uur.
Die denarie, dat is niet zomaar een bedrag. Dat is het bedrag dat je nodig had, in die tijd, om een gezin eten te geven. We hebben het nu eenmaal over een andere tijd. Geen sociale voorzieningen of pensioenen. Mensen leefden bij de dag. Zoals heel veel mensen in Afrika nog altijd leven. Het was al mooi als je voor die dag te eten had met z’n allen. Morgen zien we wel weer. Zoals Jezus het op een andere plaats in het Evangelie naar Mattheus zegt: Elke dag heeft genoeg aan z’n eigen last. Het is al mooi dat we vandaag weer te eten hebben, denken de dagloners.
Dat is dus ook waar de landheer aan denkt. Hij denkt niet aan zijn eigen economisch belang. Hij rekent niet in opbrengst en productie-uren. Hij denkt na over wat een mens nodig heeft om te kunnen leven. En hij besluit om dat aan mensen te geven. Het gaat hem er niet om wie het eerst kwam en wie het laatst kwam. Het gaat hem er om wat een mens nodig heeft. Maar die gedachte wordt hem niet door iedereen in dank afgenomen. Andere arbeiders denken wel degelijk in termen van productie-uren. Ze zijn dan ook bijzonder ontevreden. Hun prestatie wordt ondergewaardeerd.
Als het over economie zou gaan zou ik me dat nog wel voor kunnen stellen. Maar deze gelijkenis gaat niet over de economie. Deze gelijkenis gaat over het koninkrijk van de hemel. Het gaat over de verhouding tussen God en mensen. En over de vraag hoe mensen zich in dat licht tot elkaar verhouden. God is als de landheer in de gelijkenis. De schepping is als zijn wijngaard. En Hij haalt ons allemaal binnen. Hij zet ons allemaal aan het werk. Dat gaat niet over verdienste. Dat gaat over genade. Wij mogen blij zijn dat God ons binnenhaalt, dat er voor iedereen plek is. En dat God ons wil geven wat we nodig hebben om te leven. Wij leven van de liefde. En God geeft ons daar genoeg van.
Maar dat is blijkbaar niet voor iedereen voldoende. Er zijn mensen die vinden dat ze recht hebben op meer. Blijkbaar zijn er mensen die vooral zorgen hebben over hun eigen plek. Zij waren er eerder. Daarom hebben zij recht op meer. Zij zijn altijd trouw naar de kerk geweest. Zij hebben altijd braaf gedaan wat God van ons vraagt. Zij hebben altijd fatsoenlijk geleefd. En daarom vinden ze dat ze een trapje hoger staan. Ze hebben recht op meer. Ze vragen zich niet af hoe het met de ander zit. Ze zijn vooral bezig met zichzelf. Of een ander krijgt wat zij of hij nodig is zal hun een zorg zijn. Als zij maar krijgen waar ze recht op hebben.
Maar God onderhandelt niet. In het koninkrijk van de hemel wordt geen cao afgesloten. In het koninkrijk van de hemel wordt alleen liefde gegeven. Zoveel als we nodig hebben om van te leven. God is goed voor iedereen. De vraag die in de gelijkenis wordt gesteld is of we daar mee kunnen leven. Zet het kwaad bloed dat ik goed ben? - dat vraagt de landheer.
Dat is als de vraag die God ons stelt. Gunnen we elkaar het leven en de liefde, of misgunnen we dat elkaar? Hoe spreken we over elkaar? Hoe spreken we over mensen met een andere culturele achtergrond, met een andere huidskleur, met een andere godsdienst? Gunnen we die een plek in de wijngaard, in de wereld? Zijn we blij wanneer iedereen krijgt wat zij of hij nodig heeft? Of denken we dat een ander wel toe kan met minder, zodat wij meer krijgen? Meer ruimte, meer geld, meer luxe, meer tijd? Noem het maar op. Blijven we krampachtig leven met de gedachte aan wat wij verdienen, waar wij recht op hebben? Of leggen we die kramp af en vertrouwen we ons leven toe aan God die alle mensen in liefde tegemoet komt?
Ik hoop dat de vraag die ons in de gelijkenis gesteld wordt goed tot ons doordringt. En dat we in ons leven van dag tot dag het goede antwoord weten te geven. Dat het ons alleen maar blij maakt wanneer een ander in dezelfde ruimte van liefde mag leven als wij. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

(Niet) mijn pakkie-an ? - Ds. Eibert Kok- 17 mei 2020

(Niet) mijn pakkie-an?

Zondagmorgen 17 mei 2020, internetdienst vanuit de Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing uit 1 Samuël 25

Preek 17mei 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In wat voor tijd leven we?
‘Tijd van vloek en tijd van zegen’, klonk het in het lied dat net gezongen werd,
‘tijd van droogte tijd van regen
tijd van oogsten, tijd van nood…
tijd van hopen dat nog ooit…
tijd van kruipen, angst en spijt,
zee van tijd… en eenzaamheid.’
Tegenstellingen klinken er in door, tijd van voorspoed, tijd van tegenslag, de ene keer zit het mee, de andere keer zit het tegen.
In wat voor tijd leven wij?
Ik vind het een moeilijke tijd. Moeilijk voor mezelf, omdat heel veel dingen niet op de gewone manier kunnen of helemaal niet kunnen,
moeilijk voor die mensen die eenzaam op hun kamer zitten en niet of nauwelijks bezoek mogen krijgen, die geliefden niet kunnen ontmoeten.
‘Zee van tijd… en eenzaamheid.’
Moeilijk voor al die mensen die zich zorgen maken, over hun gezondheid, hun werk, hun inkomen, hun bedrijf, hun toekomst.
Moeilijk voor mensen in de zorg van wie veel gevraagd wordt, die risico’s lopen en het moeten volhouden.
Moeilijk voor mensen die in armoede leven, zeker in Afrika, Azië en Zuid-Amerika voor wie met de corona een hongerpandemie dreigt.
Wereldvoedselorganisaties verwachten dat het aantal mensen met honger dit jaar zal verdubbelen.
Er is te weinig voedsel en mensen hebben het geld niet voor voedsel.
Er is een uitspraak van de kerkvader Augustinus – hij leefde zo rond 400:
“De mensen zeggen:
De tijden zijn slecht,
we leven in een moeilijke tijd!”
Maar, zegt hij dan:
“Leef goed en de tijd is goed.
Wij zijn de tijden!
De tijden zijn wat wij er van maken…”
Laat die woorden maar eens op je inwerken…
Nu is het zo bij dit soort uitspraken dat het niet altijd opgaat, maar er zit wel een hele belangrijke kern van waarheid in.
In het lied dat net gezongen werd over de tijden, hoor ik iets vergelijkbaars, een uitnodiging tot een nieuw begin:
“Tijd van leven om met velen brood en ademtocht te delen.”
Nu is ademtocht delen iets wat we letterlijk genomen in deze tijd juist níet moeten doen, maar de bedoeling is duidelijk:
deel het leven met elkaar, gun elkaar het leven, geef elkaar de mogelijkheden om te leven.

Ook het bijbelverhaal van vandaag heeft ons daarover weer iets te vertellen.
Het gedeelte begint ermee dat Samuël komt te overlijden, Samuël, de profeet, de persoon die stem gaf aan de woorden van God, de profeet ook die in opdracht van God David gezalfd had tot de persoon die de nieuwe koning van Israël zou worden.
Dat overlijdensbericht van Samuël staat daar wat verloren aan het begin van het hoofdstuk, een terloopse mededeling, zo lijkt het.
Maar voor David valt hiermee iemand weg die voor hem heel belangrijk was.
Samuël, dat was degene die hem tot koning had gezalfd, dat was zijn legitimatie om zich op dat koningschap te richten.
En misschien was Samuël, en datgene waar Samuël voor stond voor David ook wel een soort moreel kompas.
De gedachte aan Samuël hield hem op het rechte pad.
Voor David is het een moeilijke tijd. Al de goede connecties die hij gekregen had met het hof van koning Saul had hij moeten loslaten, want koning Saul duldt hem niet in zijn leven. Zelfs zijn vrouw, de dochter van Saul, is hem ontnomen.
Voor Saul is David de meest gezochte persoon in zijn koninkrijk geworden. Hij wil David te pakken krijgen en vermoorden.
David blijkt dan uit een ander hout gesneden te zijn,
want in het hoofdstuk vóór het hoofdstuk van vandaag doet zich voor David de gelegenheid voor om Saul op een hele gemakkelijke manier uit de weg te ruimen.
Maar hij doet het niet. Dan zou er, zo vindt hij zelf, onrecht aan zijn handen kleven. Hij spaart het leven van koning Saul.
Maar nu, in dit hoofdstuk, nu Samuël er niet meer is, dreigt David van het rechte pad af te raken.
Wat is er aan de hand?
David heeft inmiddels een best grote groep strijdbare mannen om zich heen verzamelt en vormt zo een legertje dat zich schuilhoudt in de woestijn.
Wat doet die paramilitaire organisatie? Niet zoals de meeste bendes roven en plunderen, nee, ze beschermen schaapherders met hun schapen daar in de woestijn.
David en zijn mannen werpen zich op als herders van die herders om hen te beschermen tegen allerlei gespuis dat daar rondspookt.
Nu woont daar een zekere Nabal. Zijn naam betekent zoiets als dwaas. Dus dat voorspelt niet veel goeds.
Die Nabal is schatrijk, een succesvol ondernemer.
En hij heeft een wijze vrouw, zo wordt ons al direct verteld: Zij had een helder verstand en was mooi om te zien.
Hij was hard en gewetenloos.
Zij: vrouwe wijsheid, en hij: dikdoenerige gewetenloze domheid.
Nou, je hoeft niet lang na te denken om een hedendaagse versie van Nabal te bedenken, ze zijn er meer dan genoeg. En ze hebben vaker de touwtjes in handen dan je lief is.
Nabal viert weer een van zijn successen op het jaarlijkse schaapsscheerdersfeest.
David hoort daarvan en wil er ook wel iets van meekrijgen.
Als hij een paar mannen er op af stuurt met de vraag of hij ook een klein beetje mag delen in de rijke oogst – een opbrengst van de schapen die zo hoog is omdat David en zijn mannen zich daarvoor hebben ingezet – krijgt hij nul op het rekest.
Nabal hoont hem weg: het wemelt hier van vreemdelingen en vluchtelingen, mensen die bij hun eigen baas weggelopen zijn.
Wat doe je hier? Ga terug naar je eigen land.
Denk je echt dat ik míjn brood en míjn water en het vlees dat ik voor míjn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste vreemdeling ga geven? Geen denken aan, eigen volk eerst.
Míjn brood, míjn water, van mij, dus niet van jou.
Het is een houding die je met grote regelmaat tegenkomt, in de politiek en daarbuiten,
ook tussen landen, tussen rijkere landen en armere landen.
Het speelt nu bij de coronacrisis en het gaat spelen straks als er een vaccin beschikbaar komt.
Wie mag (eerst) profiteren van de voedingsmiddelen, de hulpmiddelen, de geneesmiddelen, het vaccin?
Míjn brood, míjn water.
Het is niet voor niets dat Jezus ons leert in het Onze (!) Vader om te bidden: geef óns heden óns dagelijks brood.
Niet mijn, ons…
David is furieus. Te wapen! Met 400 man trekt hij op naar het bedrijf van Nabal.
Maar gelukkig is daar Abigaïl, die wijze vrouw.
Zij onderneemt actie. ‘Zonder met haar man te overleggen’ staat er nadrukkelijk bij.
Dit gaat in tegen de gewoontes van die tijd, en ook tegen de gewoontes vandaag de dag op veel plaatsen.
De man kan doen wat hij wil, de vrouw moet goedkeuring van de man krijgen. Nou, mooi niet.
Abigaïl is een wijze vrouw en doet wat goed is, niet wat haar man goed zou vinden.
Met een hele vracht geschenken, brood, wijn, vlees, graan, noem maar op, trekt ze hem tegemoet.
Dan komen ze elkaar tegen. David met zijn manschappen, vol woede, klaar om wraak te nemen en zich alles toe te eigenen, en Abigaïl.
Preek 17mei 2

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat moment dat die twee stoeten elkaar tegenkomen – de stoet van de wraak die wil nemen, en de stoet die de hand wil reiken, die verzoening zoekt, die wil delen, geven – is vaak afgebeeld,
zoals op dit (middendeel van een) wandkleed van François Spiering, zo’n 400 jaar geleden gemaakt in Delft, en nu in de collectie van het Rijksmuseum.
Twee manieren om in het leven te staan:
rechtopstaand, eisend, dreigend met geweld, willen nemen,
en: nederig knielend, zoekend naar verbinding, verzoening.
Toen ik afgelopen week thuis dit Bijbelverhaal vertelde, zei mijn dochter: Dat is de geijkte manier in allerlei verhalen hoe vrouwen van mannen gedaan krijgen wat ze willen.
Ze lijkt wel heel nederig, maar op deze manier staat ze sterk en krijgt ze gedaan wat ze wil. Dit is haar kracht.
En in het Bijbelverhaal werkt het. David begint in te zien dat hij op de verkeerde weg zit en dat hij op deze manier behoed wordt voor een misstap die altijd aan hem zou blijven kleven.
Hij geeft zich gewonnen.
Het is echt ongelofelijk wat Abigaïl doet.
‘Mij treft alle schuld.’ Ze zegt het meerdere keren op verschillende manieren. Terwijl haar helemaal geen blaam treft. Haar man Nabal heeft zich in de nesten gewerkt, zij niet.
En toch neemt ze alle verantwoordelijkheid op zich. Dat is bijna iets messiaans. Dat is wat de messias, de christus, de gezalfde doet: de verantwoordelijkheid op zich nemen.
Als ik om me heen kijk, als ik zie hoe mensen soms reageren als er iets fout is gegaan, in het gewone leven, op het werk, in de politiek, dan zie ik heel vaak de neiging van mensen om de schuld van zich af te schuiven, om géén verantwoordelijkheid te nemen, om het op schouders van anderen te leggen, niet op die van zichzelf.
Abigaïl, die wijze vrouw, kijkt verder dan haar neus lang is, en beseft dat dit de enige manier is om uit de ellende te komen, als zij hier deze verantwoordelijkheid neemt.
Niet afschuiven op een ander die z’n verantwoordelijkheid die hij zou moeten nemen niet neemt, maar goed handelen, in het belang van iedereen.
Niet denken: het is niet mijn pakkie-an, maar: je verantwoordelijkheid nemen om erger te voorkomen. En dat kan en mag soms best wat kosten.
Zo houdt dit Bijbelverhaal ons een spiegel voor. Welke manier van leven kiezen wij?
Het verhaal eindigt ermee dat Abigaïl Nabal weer ontmoet, stomdronken.
De volgende dag vertelt ze hem een verhaal. Hij schrikt er zo van dat hij een hartaanval krijgt en een aantal dagen later overlijdt.
En David? David vraagt deze wijze vrouw ten huwelijk.
Dit hele verhaal brengt mij bij de Bergrede, die woorden van Jezus waaruit we in de 40-dagentijd gelezen hebben, waarin Jezus oproept de liefde het te laten winnen van de haat en die liefde handen en voeten te geven.
In wat voor tijd leven wij?
“Leef goed en de tijd is goed… De tijden zijn wat wij er van maken.”

Twee machten-10mei-CWvdM

Overdenking op zondag 10 mei 2020
Lezingen: 1 Samuël 19: 1-7, 8-18; Handelingen 9: 19b-25
Thema: Twee machten

Gemeente van Jezus Christus,

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat is een oud Nederlands gezegde, waarmee wordt uitgedrukt dat bloedverwantschap altijd de doorslag geeft. Wat er ook gebeurt, mensen zullen altijd de kant van hun familie kiezen. Kinderen zijn van kleins af aan in de regel ongelooflijk loyaal aan hun ouders. Dat lijkt in de puberteit wat minder te zijn, maar dat is maar schijn. Er moet heel wat gebeuren willen kinderen hun ouders afvallen.
Het bijbelverhaal dat Joop van Rossem heeft voorgelezen laat duidelijk zien voor wat voor verschrikkelijke dilemma’s mensen dan soms komen te staan. Vier hoofdpersonen zijn er in het verhaal. We horen over David, maar die heeft geen bijzonder actieve rol. Hij lijkt meer een speelbal van de gebeurtenissen waarover verteld wordt. De handelende personen zijn Saul, de koning, Jonathan, de oudste zoon van de koning, en Michal, een jongere dochter van Saul.
Hoe belangrijk de bloedband is wordt meteen in de eerste verzen al duidelijk gemaakt. In de vertaling is het een beetje afgevlakt, maar in de eerste vier verzen wordt Jonathan tot twee keer toe met nadruk de zoon van Saul genoemd. En Jonathan spreekt tot vier keer toe met nadruk over Saul als zijn vader. Dat is niet per ongeluk. Dat is om de aandacht te vestigen op de band tussen vader en zoon. Wie komt daar tussen? We hadden dit verhaal misschien beter op Vaderdag dan op Moederdag kunnen lezen. Aan de andere kant: de band tussen Saul en Jonathan wordt zwaar op de proef gesteld. Want Jonathan is niet alleen de zoon van Saul. Hij is ook de vriend van David. In het begin van hoofdstuk 18, na het verhaal over de strijd van David tegen Goliath, wordt verteld dat die twee vriendschap sluiten. Jonathan, zo lezen we daar, had David zo lief als zijn eigen leven.
Aan wie moet Jonathan trouw zijn? Aan zijn vader Saul of aan zijn vriend David? Voor die keus komt hij te staan. Want Saul maakt er geen geheim van dat hij David uit de weg wil laten ruimen. Daar spreekt hij over met zijn zoon Jonathan en met heel de hofkliek. Blijkbaar voelt hij zich in die kring zo veilig dat hij rustig over zulke plannen kan spreken. Openlijk. Ondenkbaar dat iemand hem tegen zou durven spreken. Hij zal zich wel omringd hebben met een partij jaknikkers. En van zijn oudste zoon verwacht hij onbegrensde loyaliteit. Jonathan moet hem immers gaan opvolgen. Het gaat om het vasthouden van de macht. Wat kan er belangrijker zijn?
Dat vasthouden van de macht is ook de reden dat Saul zich tegen David heeft gekeerd. Hij ziet David als een bedreiging van die macht. Ook dat lezen we in hoofdstuk 18. Saul heeft David, na zijn overwinning op Goliath, tot legeraanvoerder benoemd. Maar als het leger, na een overwinning op de Filistijnen, door een juichende menigte wordt binnengehaald wordt er door de vrouwen van Israël een lied gezongen dat Saul pijn doet aan de oren. Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden. De gedachte dat iemand groter kan zijn dan hij vindt hij onverdraaglijk. Hij vindt die gedachte bedreigend. Nog even en ze geven hem het koningschap, horen we hem zeggen. Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen, staat er in het bijbelverhaal.
Het verhaal over het koningschap van Saul is een klassieke tragedie. Een verhaal dat richting een noodlottige afloop gaat. Het begon zo mooi. Het begon als een verhaal van bevrijding. Saul zette zich in voor de bevrijding van het volk Israël. Maar de kroon woog te zwaar op zijn hoofd. Hij raakte verstrikt in de betovering van de macht die het koningschap hem gaf. Macht was niet langer een middel om bevrijding en recht tot stand te brengen. Macht was het doel geworden waar alles wat Saul ondernam op gericht was. Dat is een slechte basis voor het koningschap. De profeet Samuël waarschuwde Saul daar ook voor. Hij voorspelde dat Saul zijn koningschap zou kwijtraken op die manier. Maar dat bracht Saul niet tot inkeer. Het maakte hem alleen angstig en wantrouwig. Verslaving aan de macht, angst en wantrouwen. Een giftig mengsel dat iemand tot een gevaar voor zijn omgeving maakt.
Ze zijn er nog steeds, zulke leiders. In de Verenigde Staten stuurt president Trump iedereen, die hem niet klakkeloos volgt, de laan uit. En een gouverneur die kritiek heeft op zijn beleid noemt hij in het openbaar een slang, waar je voor uit moet kijken. In Rusland zijn drie artsen, die kritiek hadden op het beleid van de overheid, op een raadselachtige manier uit het raam van hun ziekenhuis gevallen. Twee zijn er overleden, één ligt in kritieke toestand op de intensive care. De autoriteiten in Rusland noemen het een tragisch incident. Zulke incidenten stonden Saul ook voor ogen. In hoofdstuk 18 lezen we in ieder geval dat hij David een paar keer op een zelfmoordmissie stuurt. Maar het plan lukt niet. David komt elke keer alleen maar sterker uit de strijd.
Dus moet David nu maar gewoon uit de weg geruimd. Dat bespreekt Saul met zijn hovelingen en met zijn oudste zoon. Maar die gaat daar niet in mee. Voor Jonathan is er meer in het leven dan kadaverdiscipline. Hij zweert niet bij de macht. Hij geeft om vriendschap en om recht. Hij waarschuwt David. En tegelijk probeert hij zijn vader trouw te blijven. Ik ga met mijn vader de stad uit, horen we in de vertaling. Maar dat staat er niet. Er staat: Ik zal naast mijn vader staan op het veld waar jij bent. Jonathan blijft naast zijn vader staan. Hij pleit voor David, en probeert tegelijkertijd zijn vader trouw te blijven en Saul op het rechte pad te krijgen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Vindt Jonathan gehoor bij zijn vader? Het lijkt er op. Saul zweert dat David niet zal worden gedood. Zowaar de Heer leeft, zegt hij. Maar vrome woorden zeggen vaak niet zo veel. Binnen de kortste keren krijgt het wantrouwen weer de overhand. Hij probeert David aan de wand te spietsen wanneer hij voor hem op de harp speelt. Saul werd gekweld door een kwade geest van de Heer, horen we. Dat betekent niet dat we God als de regisseur van deze hele tragedie moeten zien. Het zegt iets over het wereldbeeld en het Godsbeeld van de mensen in de tijd dat dit verhaal ontstaan is. Drie-, vierduizend jaar geleden was er geen ander antwoord beschikbaar dan dat God hier de hand in zou moeten hebben. Wij kijken anders tegen de werkelijkheid aan. Wij zien mensen die vergiftigd worden door de hang naar macht, zo zeer dat ze anderen naar het leven gaan staan. Wie zo regeert is geen koning meer bij de gratie Gods. Al zullen er altijd wel dominees en priesters te vinden zijn die het machtsmisbruik met gebeden en met wierook willen toedekken.
De dochter van Saul, Michal, die met David getrouwd is, heeft een heel andere manier om zaken toe te dekken. Zij laat zich niet om de tuin leiden. Wanneer David thuis komt, ontsnapt aan de moordzucht van Saul, denkt hij blijkbaar dat het maar om een boze bui gaat. Morgen is het wel weer over. Maar Michal kent haar vader. Morgen zal het over zijn met David, als hij niet maakt dat hij weg komt. Ze kiest voor David, van wie ze houdt. Ze kiest tegen haar vader. Ze zorgt ervoor dat David ontsnapt, legt het beeld van de huisgod in zijn bed en dekt dat toe met een deken. Zo wint ze de tijd die David nodig heeft om zich uit de voeten te maken. En als de soldaten van Saul het huis binnendringen, veel later, vinden ze niet David, maar een beeld in het bed.
Een beeld van de huisgod. Dat is een afgodsbeeld. Een bijzonder detail in dit verhaal. Was er een afgodsbeeld in het huis van de dochter van de koning? Blijkbaar wel. Het werpt een extra donker beeld op alles wat met Saul te maken heeft. Ook in religieus opzicht was Saul niet zuiver op de graat. Maar ook dat keert zich tegen hem. Het afgodsbeeld wordt een middel om hem om de tuin te leiden en zijn moordplannen te verijdelen.
David ontsnapt. Hij wordt uit het venster naar beneden gelaten. Zoals, veel later, ook Paulus op die manier aan een zekere dood ontsnapt. Dood. En ontsnapping. Dat zijn, tenslotte, de thema’s waar dit verhaal om draait. Doden en ontsnappen. Die werkwoorden komen keer op keer terug in dit verhaal. Op die manier laat de schrijver van het verhaal zien, als het ware, dat er twee machten zijn in het leven van ons mensen. De macht die wil heersen. De macht die gericht is op zichzelf, op behoudzucht. De macht die desnoods over lijken wil gaan. De macht van de dood. En er is een andere macht. De macht van bevrijding. De macht die wil dienen. De macht die het leven wil behouden. De Bijbel is duidelijk in zijn openbaring: de macht die wil dienen, die het leven wil behouden, die macht heeft het laatste woord. Dat wordt ons voorgehouden in de verhalen in de Bijbel. In de hoop dat zo ons vertrouwen gevoed wordt dat de macht die het leven wil behouden ook in ons leven het laatste woord zal hebben. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.