Januskop ? - 13 september 2020 - Ds. Eibert Kok

Januskop?

Zondagmorgen 13 september 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: 1 Koningen 18: 21-39

Preek 13 sept 1

 

 

 

 

 

 

 


Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
Dat is een vraag die regelmatig bij mij opkomt.
Wat willen we nou eigenlijk, als samenleving, waar staan we voor, welke keuzes maken we? En als kerk. Persoonlijk, in mijn eigen leven.
Of maken we geen keuzes? Ook dat is een keus.
In Rotterdam Crooswijk, bij de begraafplaats daar staat een beeld: een gezicht op een zuil.
Als je beter kijkt, dan zie je dat het een beeld is met twee gezichten.
Het ene gezicht kijkt de ene kant op, het andere gezicht de andere. Een januskop.
In de Romeinse mythologie was Janus de god die afgebeeld werd met de twee gezichten, de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten.
De maand januari is naar hem genoemd.
Als ik dit beeld met twee gezichten zie, dan denk ik: Wat willen we nou eigenlijk? Zijn wij mensen in sommige gevallen, of misschien wel vaak, niet mensen met twee gezichten?
Mensen die soms de ene kant opkijken, het ene willen en daarnaar handelen, en een andere keer de andere kant opkijken, dat andere willen, en daarnaar handelen, tegenovergesteld aan dat eerste, mensen die niet consequent keuzes durven maken, mensen die van twee walletjes eten, mensen die hinken op twee gedachten.
Ja, natuurlijk willen we goed zijn voor het milieu, maar als dat dan betekent dat we minder hard moeten rijden op de snelweg of minder kleding moeten kopen of minder vlees moeten eten, doen we dat dan ook?
Ja, zeker willen we een humaan land zijn en moeten we vluchtelingen een plek bieden, maar als dan 100 vluchtelingen méér opgenomen moeten worden, dan komt dat natuurlijk wel in mindering op het aantal van volgend jaar.
Wat willen we nou?
Twee gezichten. Een januskop. Hinken op twee gedachten.
Preek 13 sept 2

 

 

 

 

 

 

 


Die uitdrukking ‘hinken op twee gedachten’ komt rechtstreeks uit het Bijbelverhaal dat we vandaag gelezen hebben.
Ik vond het vroeger als kind een prachtig verhaal, vol spanning en dramatiek. Elia die het in z’n eentje opneemt tegen koning Achab en zijn 450 profeten van Baäl.
Een battle, een concurrentieslag, een soort godsdienstig armpje drukken. Die 450 profeten lukt niks, en Elia, die maakt zijn brandstapel kletsnat, dan gaat hij bidden, en poef, vuur uit de hemel dat alles verteert. Onze God heeft gewonnen. Baäl is een loser.
Ik vind het nog steeds een prachtig verhaal, maar ik hoop, aan de andere kant, dat dit niet echt gebeurd is, want het is vreselijk hoe hier met mensen wordt omgegaan.
Als je namelijk ietsje verder leest dan horen we dat Elia al die profeten ter dood laat brengen.
Dat doet me denken aan fanatiek religieus geweld, aan onthoofdingfilmpjes van IS.
Tegenstanders die jouw religie in de weg staan, laten we die uit de weg ruimen.
Dat kan toch niet de bedoeling zijn!?
Zelf ben ik opgegroeid met de gedachte dat er maar één goede God is en dat is de God van de bijbel, de God van Israël, dat is de God van het christendom.
Alle andere goden die er waren bestonden eigenlijk niet, of mochten niet bestaan, dat waren afgoden, en de mensen die daarbij hoorden dat waren heidenen.
Slechts één God is goed. Helder standpunt.
Maar daarbij nooit de gedachte dat mensen die anders of niet geloofden uit de weg geruimd zouden moeten worden.
Als ik trouwens vandaag de dag die vraag zou stellen: Is er maar één ware God?, grote kans dat ik dan een heel ander verhaal krijg.
We hebben afgeleerd ons eigen geloof als het enige ware te claimen. Niet meer de arrogantie van het eigen gelijk.
Je moet ieder in z’n waarde laten, elke godsdienst in z’n waarde laten.
Daar zit een winstpunt in, nl. dat je de ander open tegemoet kunt treden.
Zeker, er zijn ook mensen die beweren dat het geloof van moslims achterlijk en achterhaald is,
net zo goed als er mensen zijn die dat beweren van het geloof van joden of christenen.
Dat is weer een andere vorm van arrogantie van het eigen gelijk. En dat slaat elke vorm van ontmoeting dood.
De veelgehoorde gedachte is: Geloof, dat moet ieder voor zichzelf weten.
Wat me dan wel opvalt is dat er dan vaak een bepaalde onverschilligheid meeklinkt. Ach, wat maakt het nou eigenlijk uit wat je nou wel of niet gelooft?
Volgens mij maakt het wel degelijk uit wat je wel en wat je niet gelooft.
Iedereen in z’n waarde laten, helemaal akkoord.
Maar het maakt wel degelijk uit wát je gelooft, omdat geloof ook te maken heeft met de keuzes die je maakt in je leven.
Als je a gelooft, en in de praktijk van alledag doe je b, en a en b gaan eigenlijk niet samen, dan gaat er volgens mij iets mis. Een soort januskop.
Als je gelooft dat God streng is bijv., dan zul je misschien ook zo in het leven staan, als je gelooft dat God liefde is, dan zal dat ook te merken zijn aan je manier van leven. Toch?
Terug naar het Bijbelverhaal.
Wat Elia daar laat doen, het afslachten van de Baälpriesters, zegt dat iets over zijn God, hoe God is? Ik hoop het niet.
Ruim een maand geleden barste bij het programma ‘De slimste mens’ het jurylid Maarten van Rossem los: Het Oude Testament is een totaal krankjorum, gewelddadig en idioot boek.
Hij heeft wel een punt. Maar daarmee is niet alles gezegd.
Kijk, de gedachte erachter in de Bijbel is, dat, als je tegen het kwade vecht, tegen datgene wat niet goed is, je geen genoegen kunt nemen met halve maatregelen. Het kwaad moet met wortel en tak worden uitgeroeid.
Dat is de gedachte achter bijvoorbeeld het verhaal van de uittocht uit Egypte, waar het volk Israël veilig door het water van de Schelfzee wordt geleid, maar de Egyptische legers met man en paard verdrinken in het water.
Dat lijkt ook de gedachte hier te zijn. Daar Egypte, symbool van het kwade, van de slavernij, van de onderdrukking; hier Baäl, net zo goed symbool van het kwade, van de onderdrukking, met wortel en tak moet het verdwijnen.
Maar laat het duidelijk zijn: Niemand verlangt van ons dat we instemmen met deze brute, gewelddadige moord.
We moeten, denk ik, gewoon eerlijk zeggen, dat wij zoveel jaar later daar anders naar kijken en anders over denken.
Sterker nog, je vindt in de Bijbel zelf een ontwikkeling van teksten en verhalen vol geweld, waarin God zelf de regisseur lijkt van religieus geweld, naar teksten en verhalen die een heel ander toon aanslaan.
We gaan ook in de Bijbel van zwaarden naar ploegscharen.
Niet door kracht of door geweld, maar door mijn Geest, zegt de profeet Zacharia bijvoorbeeld.
‘Steek je zwaard terug op zijn plaats’, zegt Jezus tegen zijn leerling die bij de arrestatie van Jezus zijn zwaard wil trekken, ‘Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen’.
En volgens een oude uitleg uit de joodse traditie van het verhaal van de doortocht door de Schelfzee, toen het volk feestvierde op de kant omdat ze bevrijd waren, huilde God in de hemel bij al die verdronken Egyptenaren op het strand. Dat waren ook zijn kinderen.
En eigenlijk kunnen we het verhaal van vandaag niet los van het volgende hoofdstuk lezen,
waar Elia, opnieuw in zijn eentje, een andere berg op moet, niet de berg Karmel, de berg van het geweld, maar de Horeb, de berg waar hij God zal ervaren, niet in het vuur, niet in het geweld, maar in de stilte (!).
Terug naar de vraag waarmee ik begon: Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
De volksgenoten die Elia daar bij elkaar gekregen heeft, zijn mensen die hinken op twee gedachten, die van twee walletjes willen eten: een beetje van de HEER en een beetje van Baäl.
Elia lijkt er een soort referendum van te willen maken: wie is nu de ware God: a of b.
Nu hebben referenda de bijwerking dat ze snel polariserend werken. Het is òf a òf b, een andere keus heb je niet, je bent voor of tegen.
Preek 13 sept 3

 

 

 

 

 

 

 


We merken het in onze samenleving, dat de polarisatie toegenomen is, in de politiek.
Het is of of geworden, zo lijkt het wel.
Alsof dingen niet kunnen samengaan. Je móet kiezen: of of.
Maar met polarisatie bouw je geen samenleving.
Ik lees het verhaal van Elia dan ook liever als een verhaal om de verbinding te
herstellen, de verbinding tussen zijn volksgenoten en God, én de verbinding van zijn volksgenoten onderling.
Koning Achab heeft door zijn huwelijk met Izebel de god Baäl geïntroduceerd in Israël, de profeet Elia is de vertegenwoordiger van de HEER, ik ben die ik ben, ik ben er , ik zal met je zijn.
In de visie van de Bijbelschrijver zijn dat twee polen die tegenpolen van elkaar zijn, die niet sporen met elkaar. Baal is de god van de vruchtbaarheid, de god die het voedsel op het land moet laten groeien.
M.a.w. Baal is de god van de productie, van de economische groei, van meer en meer, van: alles moet wijken voor de belangen van de economie.
In het gedeelte voorafgaand aan dat van vandaag kunnen we lezen dat Achab zijn knecht er op uit stuurt om eten te zoeken voor zijn paarden en dat zijn vrouw Izebel zorgt dat de profeten van de Baal goed te eten hebben.
M.a.w. voor het leger, want daar waren die paarden voor, en voor de cultus van de productiegod werd goed gezorgd, terwijl het gewone volk omkwam van de honger.
Daar komen we al iets op het spoor: wat mis is aan de Baal is dat mensen eraan kapotgaan.
Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken?
In dit theaterstuk wordt die vraag aan het publiek gesteld, aan het volk, en via dit verhaal ook aan ons.
Twee stieren, twee offerplaatsen.
De god die antwoord met vuur is de ware God.
De profeten van Baal mogen beginnen.
En dat duurt maar en duurt maar.
Ze springen en dansen en schreeuwen met hun grote mond.
Ze gaan zichzelf verwonden, tot bloedens toe.
Maar geen reactie.
Dan Elia. In z’n eentje.
Wat Elia doet is God eraan herinneren dat Hij een God van mensen is, van Abraham, Izaäk en Jakob, een God die aandacht voor mensen heeft.
God is de god van de menselijkheid, van bevrijding, die er wil zijn voor mensen.
Alleen het gebed, dat is alles wat hij in de strijd gooit. Totale afhankelijkheid, vertrouwen.
Elia en de Baalprofeten, twee tegenovergestelde werelden.
Baal, de god van de productie, maar een god die meer vraagt dan geeft, een god die mensen laat bloeden, de god die neemt.
Daartegenover Elia, als profeet van de God van Israël,
niet met macht en geweld, maar in gebed en afhankelijkheid, zich richtend tot God die geeft, die zichzelf geeft, die verbinding zoekt, aandacht geeft.
Preek 13 sep 4

 

 

 

 

 

 

 


Als je bij die God wilt horen, dan kun je niet meedoen met dat wat mensen uit elkaar drijft, met dat wat mensen knecht of onderdrukt. Als je bij de God van de bevrijding wilt horen, dan doe je niet mee met het schema van de wereld, waarin alleen telt wat macht heeft, geld, kracht, potentie. Waar iemand meetelt om wat hij of zij presteert, niet om wat hij of zij is. Waar gerechtigheid een leeg begrip is, waar het recht van de sterkste heerst in plaats van de zorg om de naaste, waar de gebalde vuist staat tegenover de geopende hand…
Wat willen we nou eigenlijk? Waar staan we voor?
Dit Bijbelverhaal roept mij op te kiezen voor deze God, echt te kiezen, voor God die zijn hand naar ons uitsteekt, en ons vraagt zijn handlangers te zijn.

Het is een wonder-6sep-CWvdM

Overdenking op zondag 6 september 2020 – Ontmoetingskerk Naaldwijk
Lezingen: 1 Koningen 17: 1-16 (hoofdlezing) en Marcus 12: 38-44
Thema: Het is een wonder

Gemeente van Jezus Christus,

Hier in het Westen van het land valt het nog wel mee. Maar in het Oosten van Nederland is sprake van droogte. Hier en daar staat de natuur op omvallen, las ik vorige week in de krant. Het is immers al het derde jaar dat er een tekort aan neerslag is in ons land. Dat hadden we toch nooit kunnen denken. Een tekort aan water in wat bekend staat als een waterland. We zijn al eeuwen bezig het water in bedwang te houden. En nu komen we water tekort.
We lezen in de krant ook wat de oorzaken zijn. Niet alleen een tekort aan regen. Maar, nog veel belangrijker, de manier waarop wij mensen water verbruiken. De grondwaterstand die kunstmatig laag gehouden wordt om agrarische belangen te dienen. De zwembadjes in de tuinen. En nog zo wat meer.
Ik heb nog niemand horen zeggen dat de droogte in Nederland een straf van God is. Dat horen we wel in het Bijbelverhaal dat vanmorgen gelezen is. De regering van koning Achab is een toonbeeld van onrechtvaardigheid en goddeloosheid. En dat heeft gevolgen. Drie jaar lang zal er geen regen of dauw zijn in het land. Dat is het woord van God dat de profeet Elia aan de koning over moet brengen.
Is droogte een straf van God? Het antwoord op die vraag hangt samen met de manier waarop wij de werkelijkheid om ons heen ervaren. In de tijd dat de profeet Elia leefde hadden mensen geen zicht op ontwikkelingen rond het klimaat. Ze hadden maar één antwoord op vragen over ziekte of rampen: daar moest een mens de hand van God in zien.
Het is ook nog niet zo heel lang geleden dat dezelfde antwoorden in ons deel van de wereld klonken. Een pestepidemie of een choleraepidemie werd in ons land tot in de negentiende eeuw ook als een straf van God gezien. Tot we begrepen dat meer hygiëne een eind maakte aan die ziektes. En van hoeveel kansels zal geroepen zijn dat de watersnoodramp in 1953 een straf van God was?
Dat zult u vanmorgen van deze kansel niet horen. Wij hebben andere antwoorden op zulke vragen. We hebben een ander beeld van God. We geloven immers ook niet meer dat de aarde plat is, zoals iedereen dacht in de tijd dat de profeet Elia leefde. We hebben een andere ervaring van de werkelijkheid om ons heen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat we in die andere werkelijkheid niets meer van God kunnen ervaren. Het verhaal waar we vanmorgen naar luisteren heeft ook ons, in onze ervaring van de werkelijkheid, meer dan genoeg te bieden, denk ik.
Dan moeten we ons alleen niet laten verleiden tot heftige gesprekken die niet verder komen dan de vraag: Is dit letterlijk precies zo gebeurd of niet? Soms zijn de meest inspirerende, de meest prachtige verhalen uit de Bijbel de bron geweest voor de meest verschrikkelijke gesprekken over het geloof in God. Gesprekken waarin mensen tegenover elkaar staan met rode hoofden. Gesprekken waarin het gaat over gelijk hebben, en of iets wel of niet echt gebeurd is.
Dat die vraag opgeroepen wordt is niet zo vreemd bij een bijbelgedeelte waarin verteld wordt over bijzondere dingen. We horen over meel en olie die niet opraken. Dat zijn niet bepaald dingen die vanzelfsprekend zijn. Misschien moet dat ook als eerste gezegd worden in een woordenstrijd over wonderen: dat ze niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is niet letterlijk zo gebeurd. Er gebeuren dingen die niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet ook gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is letterlijk zo gebeurd. Een wonder, daar moet je niet over praten alsof het zo vanzelfsprekend is als een recept voor appeltaart.
En dat moeten we zeker vanmorgen niet doen. Want we hebben gehoord over het wonder van het meel en de olie die niet opraken. Maar ik geloof dat ons vanmorgen veel meer wonderen verteld worden dan dat ene. Het is maar net of je het wilt zien, het wonder in ons leven. Mensen zijn daarin heel verschillend, mogen dat, denk ik, ook zijn. En wat ons vanmorgen geopenbaard wordt is, geloof ik, vol wonderen. Ik luister met verwondering. Ik luister met verwondering naar de opdracht die de profeet Elia krijgt van God.
Hij krijgt om te beginnen de opdracht om naar de overkant van de Jordaan te gaan. Daar zal hij een plek vinden waar het leven nog leefbaar is. Daar licht iets op van een ander beeld van God dan een god die vanuit de hemel, op grote afstand, de mensen en de wereld met harde hand bestuurt. Daar licht het beeld op van God die voor mensen zorgt. God die de vlam van de hoop in mensen levend houdt. God die mensen de moed geeft om vol te houden. God die mensen inspiratie geeft om onverwachte wegen te vinden die hen in het leven verder helpen. En de natuur helpt een handje mee. Dat kan ons er aan herinneren dat we ons leven niet los moeten zien van de natuur. Ik moet denken aan de enorme terugval van het aantal insecten in ons land. Geen insecten betekent geen bevruchting van bloemen, planten, gewassen. Zonder hulp van de natuur loopt het leven gevaar. Met hulp van de natuur gaat het leven van Elia verder.
Maar daar stopt het verhaal niet. Hij moet verder. Hij moet naar het plaatsje Sarefat. Dat ligt vlak onder de grote, machtige stad Sidon. Sidon, de stad waar Izebel vandaan komt, de koningin die haar man Achab op weg stuurt in een godsdienst die het recht van de sterkste belijdt. Elia moet naar het hart van het land waar zij vandaan komt. Is dat veilig? Is dat verstandig? Wat moet hij in dat land? Wat moet hij met die mensen? Zulke vragen duiden aan in welke valkuil wij mensen, geloof ik, wel vaker trappen. De valkuil van algemene praatjes en vooroordelen. We praten over landen, en volken, en hele groepen mensen in het algemeen. We hebben het over Marokkanen, en over Turken, en over vluchtelingen. En in alle woorden wordt hoorbaar: blijf er maar ver vandaan. In de Bijbel klinkt de stem van God tot Elia: ga naar Sarefat, dat tot Sidon behoort. Want daar zul je iemand ontmoeten die een mens naar mijn hart is.
Dat vind ik ook zal zo'n wonder: dat je mensen tegenkomt die voor een ander willen zorgen. "Ik heb daar een weduwe geboden u te verzorgen", zo horen we de stem van God. Dat nodigt ons natuurlijk niet uit om over God te denken als een sergeant voor het gelid van de troepen, die een vrijwilliger aanwijst. Nee, maar God maakt liefde en betrokkenheid in mensen wakker, God maakt dat mensen hun portemonnee trekken, hun deur open zetten. God maakt dat mensen hun leven met elkaar willen delen. Niet omdat ze zoveel bezitten. Nee, alleen omdat ze willen delen. Zo hoor je oude Amsterdammers met weemoed vertellen over de Jordaan, voor de oorlog. Nee, ze hadden het vreselijk arm - er was nauwelijks wat te eten. Maar het was zo gezellig - mensen deelden het weinige dat ze bezaten, mensen deelden hun leven met elkaar. Een wonder, in onze tijd van individualisme. Mensen zijn bereid te delen wat ze bezitten, zelfs al lijkt er helemaal niets meer te zijn. In Beiroet, in Libanon, gebeurt dat wonder dagelijks, denk ik.
En dan gebeurt er weer iets waar ik met verwondering naar luister. Niets heeft de weduwe meer. Ze maakt haar laatste broodkoek klaar. En dan zit er voor haar en haar zoon niets anders op dan te wachten op de dood. Ze brengt haar zorgen en haar angst onder woorden. Ze deelt zelfs haar machteloosheid met een ander mens. Dat moet in onze ogen, mensen van een tijd waarin het gaat over grenzeloze mogelijkheden en "alles moet kunnen" toch wel haast een wonder zijn: dat mensen hun machteloosheid met elkaar delen. En juist daar, waar het leven dat wonder laat zien, zie je ook dat God nieuwe wegen wijst. In dit verhaal wordt dat ons geopenbaard door het beeld van het meel dat niet opraakt, de olie die niet ontbreekt.
Dat kun je zo opvatten dat je zegt: het verhaal laat ons zien dat je met heel weinig heel ver komt, als je maar bereid bent om te delen. Ik heb ook eens iemand horen zeggen: mensen waren zo onder de indruk dat die weduwe nog gastvrij kon zijn in haar armoede, dat ze het aan meel en olie niet lieten ontbreken. Het werd aan huis bezorgd. Je kunt ook zeggen: er gebeuren wonderen, dingen die onze zintuigen en ons verstand te boven gaan, maar ze gebeuren, dus waarom zou dit niet letterlijk zo gebeurd kunnen zijn? Als we dit maar vast houden: de Bijbel openbaart ons het wonder van Gods liefde, die voor het leven van de mensen, zijn kinderen, wil zorgen.
De Bijbel openbaart ons het wonder van Gods zorg, die ons leven op nieuwe wegen brengt, wegen waarop de verwondering doorgaat. De verwondering over het vertrouwen waarmee de weduwe leeft. Want als de profeet haar zegt dat ze eerst iets voor hem klaar moet maken, en daarna iets voor haar zoon, dan gebeurt het ook zo. Ze wordt niet geleid door de angst of er voor haar dan nog wel genoeg overblijft. Ze vertrouwt dat God voor haar leven zal zorgen, en ze doet wat haar hand vindt om te doen. Net als die andere weduwe, over wie we horen in het Evangelie naar Marcus. Ze geeft alles wat ze heeft. Letterlijk staat er: ze geeft heel haar leven. Ze vertrouwt haar leven toe aan de zorg van God.
Zo leert de Bijbel ons te geloven, tegen allerlei andere vormen van geloof in. De Bijbel verkondigt ons geen geloof van regeltjes en dogma's, van angst en doem. De Bijbel verkondigt ons het geloof in God die woorden spreekt van nieuw leven, die ons leven nieuwe wegen wijst, die voor ons zorgen wil. Dat is het perspectief van ons leven. Moge het grote wonder van Gods liefde en zorg de inspiratie voor ons leven zijn. In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

 

Slagboom - 23 augustus 2020 - ds. Eibert Kok

Slagboom?

Zondagmorgen 23 augustus 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Matteüs 22: 34-40

preek 23 aug 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vandaag gaat het over het grootste gebod in de wet.
Welk gebod, welke regel is het belangrijkste? Dat is de vraag die gesteld wordt.
Een vraag die misschien nog daaraan voorafgaat is hoe we tegen geboden, regels aankijken. Hoe gaan we daarmee om?
Gistermorgen was ik op het strand bij Molenslag en bij die parkeerplaats daar zijn dit jaar nieuwe slagbomen geplaatst.
Eerlijk gezegd heb ik een beetje een hekel aan dat soort slagbomen.
Op Molenslag mag je twee uur gratis parkeren. Wil je wegrijden, weigert dat kaartje in het automaat. De boom bleef dicht. Pas na hulp van parkeerwachten ging de boom open.
Die bomen geven mij dan het gevoel dat mij iets van mijn vrijheid ontnomen wordt.
Bij campings met een slagboom krijg ik datzelfde gevoel.
Waarom die afgrenzing? Die onnodige betutteling? Nou ja, soms is er ook wel wat voor te zeggen, maar het doet wel afbreuk aan mijn gevoel van vrijheid in de vakantie.
Nu brachten wij dit jaar een deel van onze vakantie door op een natuurcamping in Drenthe.
Bij een natuurcamping denk ik: daar komen natuurliefhebbers, rustzoekers op af, die zich ook zo gedragen. Vanzelfsprekend: geen auto bij je kampeerplek. Rust. Daar heb je op een natuurcamping, denk ik dan, geen slagboom voor nodig.
preek 23aug 2

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar wat schetst mijn verbazing? Nee, geen slagboom, maar een veel dichter hek dan ik ooit bij een camping gezien heb.
En dat ging alleen maar open om aan het begin van je verblijf je spullen bij de plek te brengen, en aan het eind van je verblijf om je spullen op te halen.
Een hek, een slagboom: tot hier en niet verder.
Het zou zomaar kunnen zijn dat heel wat mensen zo’n idee hebben bij geboden en regels: Een slagboom, een hek, tot hier en verder mag je niet, je wordt beknot in je vrijheid.
Het is nog maar de vraag of dat idee past bij de Bijbelse geboden en regels.
Natuurlijk, zo kun je er mee omgaan. En misschien hebben sommige mensen dat wel zo van huis uit meegekregen.
De Bijbelse geboden, dan gaat het vooral over wat moet, en wat niet mag, een afgrenzing, een slagboom, vrijheid die beknot wordt, een keurslijf.
Regels die je als kind al vreemd vond en die je ouders ook niet goed konden uitleggen. Waarom? Dat hoort nu eenmaal zo.
Hoe ga je om met de geboden?
preek 23aug 3

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik denk ook aan nog iets anders. I.v.m. de coronacrisis worden ons ook allerlei regels opgelegd, wat moet en wat niet mag.
Dicht bij elkaar komen in één dezelfde ruimte, dat mag niet, 1,5 meter afstand houden dat moet. Daarmee wordt ons ook iets van onze vrijheid ontnomen.
Er lijkt ook een groeiende groep mensen te zijn die zich er niet meer aan willen houden,
die zich beroepen op de vrijheid die is vastgelegd in de grondwet, en die al die regels maar onzin vinden, ballast.
Ook dan wordt naar die regels gekeken als naar een slagboom. Je vrijheid wordt beknot. En dat willen we niet.
Is er ook een andere manier om tegen geboden en regels aan te kijken?
Ja, die is er. Als je kijkt naar de achtergrond van de geboden in de Bijbel dan zijn er twee woorden die daarbij ontzettend belangrijk zijn: vrijheid en liefde.
Eerst over dat ene woord: vrijheid. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de tien geboden. Die komen niet uit de lucht vallen.
Die hebben hun plaats in het doorlopende verhaal van het boek Exodus waar verteld wordt van de bevrijding uit Egypte: een slavenvolk dat de vrijheid krijgt.
Hoe kun je nou in die vrijheid goed leven? Dat vertellen de tien geboden. Zo, kun je die vrijheid die je gekregen hebt bewaren, op die manier van leven.
En dan is het Bijbelgedeelte van vandaag helpend.
Het is maar een klein fragment een veel langer gedeelte van wat er volgens het Matteüsevangelie gedaan en gezegd wordt tussen de intocht in Jeruzalem en de arrestatie van Jezus. Dus die spanning hangt in de lucht.
En er zijn allerlei mensen die hem hinderlijk voor de voeten lopen, o.a. de farizeeën en de sadduceeën.
Ik stel me dat zo voor hoe afgelopen donderdag kamerlid Pieter Omzigt hinderlijk voor de voeten gelopen werd en bevraagd werd en zo geïntimideerd werd door demonstranten tegen de coronamaatregelen.
Zo wordt Jezus hier meermaals hinderlijk voor de voeten gelopen.
Daar begint het mee: “Nadat de farizeeën vernomen hadden dat hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar. Om hem op de proef te stellen” – ze willen er nog wel een schepje bovenop doen – klinkt dan de vraag: Meester, wat is het grootste gebod in de wet?
Of het een serieuze vraag is of een vraag om hem iets te ontlokken waarmee ze hem kunnen pakken, ik weet het niet.
Maar Jezus geeft een prachtig antwoord en zit daarmee gelijk bij het hart van de zaak.
preek 23aug 4

 

 

 

 

 

 

 

 

Het gaat om liefhebben. Om liefde. Om hart voor de zaak hebben. Om hart hebben voor God, én om hart hebben voor je medemens. Het gaat om allebei, en het gaat bij allebei om liefde.
Jezus geeft de mensen die hem lastig vallen repliek met een heel belangrijk en centraal citaat uit de wet zelf, uit de Tora: Heb de Heer, je God, lief met heel je hart en met heel je ziel en met heel je verstand.
Dat is een citaat uit Deuteronomium 6, een hele belangrijke tekst in Israël.
Maar daar laat hij het niet bij. Hij voegt er een tekst aan toe die ook in de Tora staat, uit Leviticus 19 – misschien een wat minder belangrijke tekst in Israël, maar zeer zeker wel uit de heilige Tora: Heb je naaste lief als jezelf.
Dat zijn de twee belangrijkste geboden, en – zo staat er dan bij – de grondslag van alles wat er de Wet en de Profeten staat.
Het draait bij alles om liefde, om het hart.
En het draait om de relatie tot de ander, de Ander met een hoofdletter en de ander met een kleine letter.
Je doet iets wel of niet met het oog op die A/ander, uit liefde!
Dan past ook het beeld van die slagboom niet meer.
preek 23aug 5

 

 

 

 

 

 

 

 

Een veel beter beeld is dan dat van de wegwijzer.
Het gaat er niet om dat je netjes binnen de lijntjes leeft,
het gaat er om dat je je de weg wilt laten wijzen door Gods goede geboden.
Het is niet leven binnen de lijntjes, maar leven in de lijn van, met liefde voor de A/ander.
Het is niet zo dat je iets wel of niet doet omdat dat zo volgens de regels moet, maar omdat je hárt hebt voor de A/ander.
Als ik vanuit die gedachte naar bijvoorbeeld de coronamaatregelen kijk, dan besef ik dat daarmee iets van mijn vrijheid ontnomen wordt,
maar het gaat niet alleen om mijn vrijheid.
preek 23aug 6

 

 

 

 

 

 

 

 

Jouw vrijheid heeft altijd ook met de A/ander te maken, heeft te maken met hart voor de ander.
Jouw ruimte om te leven wordt begrensd door de ander, door zijn/haar ruimte om te leven.
Leven is sámenleven, als het moet op anderhalve meter afstand, met hart voor elkaar.
preek 23aug 7

 

 

 

 

 

 

 

 

Jezus maakte het aan het eind van die week heel concreet door het brood te breken, en de beker te delen,
symbool ook van wat komen zou: die vrijdag en die zondag.
Dat is het ware leven, het hart van de zaak,
leven uit de liefde die ons gegeven is,
breken en delen,
die liefde verder brengen.
Geen slagboom, maar liefde, het hart van de zaak.

Vergeving-16aug-CWvdM

Overdenking op zondag 16 augustus
Lezingen: Exodus 32: 1-14 en Mattheus 18: 21-35
Thema: Vergeving

Gemeente van Jezus Christus,

Vergeving is iets heel moois, iets heel kostbaars. Het woord wordt dan ook vaak op een schandelijke manier misbruikt. Neem nou de fraaie Nederlandse zegswijze “vergeven en vergeten”. Ik ben bang dat die woorden, hoe mooi ze ook klinken, ook wel eens aan mensen voorgehouden worden in situaties waarin dat helemaal niet kan. In situaties waarin iemand iets heel ergs is aangedaan. Ik moet denken aan mensen die in de jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn mishandeld door Japanse soldaten in interneringskampen in Indonesië. Of die als krijgsgevangene dwangarbeid hebben moeten verrichten op Japanse scheepswerven of in mijnen in Japan.

Wat daar is gebeurd is meestal niet uitgepraat tussen slachtoffer en dader.. De dader heeft niet om vergeving gevraagd. Er is geen sprake van boete, in de verste verte niet. Maar het leven gaat verder. We kunnen er niet mee bezig blijven, vindt de omgeving. Dus tegen het slachtoffer wordt gezegd: “Vergeven en vergeten”, dat is maar het beste. Dat er dingen zijn die mensen nooit zullen kunnen vergeten, dat vergeten we dan maar even. En hoe moet iemand een ander vergeven, als die ander nooit om vergeving gevraagd heeft? Als die ander nooit blijk heeft gegeven van het besef iets verkeerds gedaan te hebben? Als die ander nooit berouw getoond heeft?

Het gaat in het Evangeliegedeelte van vanmorgen over vergeving. Maar vergeving is geen rookgordijn waarachter het kwaad verborgen kan worden ten gunste van de dader en ten nadele van het slachtoffer van het kwaad. Bij vergeving wordt er geen ruimte genomen, maar ruimte gegeven. En dat is niet vanzelfsprekend. Daarvoor moet eerst iets uitgesproken worden. Iemand moet roepen om hulp. Iemand heeft kwaad gedaan en dat maakt dat zijn leven vastgelopen is. Hij heeft hulp nodig. Hij zit ergens aan vast, en als hij daar niet van los gemaakt wordt kan hij niet verder, dan loopt zijn leven dood. Hij moet van een enorme ballast in zijn leven losgemaakt worden. Dat is vergeving. Maar kan een mens dat voor een ander opbrengen? En waar ligt de grens?

Dat is de vraag die Petrus stelt. Hoe dikwijls moeten we iemand vergeven? En hij zet meteen in: tot zevenmaal toe? Daaruit blijkt dat hij begrepen heeft dat Jezus zijn volgelingen vraagt om ommekeer. In het Oude Testament zijn een aantal plaatsen te vinden waar gesproken wordt over zevenvoudige wraak. Daar stelt Petrus zevenvoudige vergeving tegenover. Dat is al heel wat. We zouden onszelf eens af moeten vragen of wij die zeven keer wel halen. Misschien is ons geduld na drie keer wel helemaal op.

Hoe dan ook, in de visie van Petrus, hoe ruim hij ook lijkt, is er sprake van een grens. Als het aan ons mensen ligt, houdt het een keer op, vergeving. In het antwoord van Jezus worden we op een totaal ander spoor gezet. Het gaat daarin niet om een ander getal. We moeten niet het getal zeven naast het getal zevenenzeventig zetten. Het gaat in Jezus’ antwoord om een andere opvatting van ons leven als mensen naast elkaar en tegenover God.

Ook Jezus verwijst in zijn antwoord naar een plaats in het Oude Testament. In de oerverhalen uit het boek Genesis horen we over Lamech, een macho van het eerste uur. Lamech maakt duidelijk dat hij niet met zich laat sollen. Als iemand hem te na komt zal dat zevenenzeventig keer gewroken worden. Bij zo’n uitspraak hoef je niet meer te tellen. Je weet gewoon dat er nooit meer een einde aan de wraak komt. De wereld wordt een baaierd van bloed en geweld.

En Jezus wil een andere wereld. Jezus roept ons op onszelf te zien als burgers van het koninkrijk van de hemel. Daar kijken we anders naar elkaar. Daar vergeven we tot zeventigmaal zevenmaal. Ook hier hoeven we niet te tellen. Het getal zeven geeft in de Bijbel immers de volheid aan. Zoals bij de zevende dag uit het scheppingsverhaal. Het getal zeven geeft geen begrenzing aan, het opent onze ogen voor de ruimte in het bestaan. Er komt geen einde aan de vergeving, dat is wat Jezus wil zeggen. De wereld wordt een huis waar mensen samenwonen. Maar hoe kan het ooit zover komen? Kunnen wij mensen dat wel opbrengen? Hebben wij zoveel geduld, zoveel liefde, zoveel goedheid in huis?

Het antwoord van Jezus op die vraag wordt gegeven in de vorm van de gelijkenis. In die gelijkenis probeert Jezus ons leven op een ander spoor te brengen. Hij vertelt het verhaal over een koning die rekening en verantwoording vraagt van zijn dienaren. Dat is eigenlijk iets te braaf vertaald, want er staat gewoon: ‘slaven’. In onze tijd klinkt dat onfatsoenlijk, maar in de tijd dat Jezus leefde waren slaven een heel gewoon verschijnsel. We praten hier dus niet over werknemers met een cao. We praten over slaven die af moeten wachten wat hun heer over hen beslist.

En één van die slaven heeft een schuld. Ook hier geldt dat tellen zinloos is. Een talent was de grootste betaaleenheid en tienduizend was in het Grieks het hoogste getal. Het is een onoverzienbare en eindeloze schuld. Die slaaf heeft geen recht van bestaan meer. Die slaaf staat voor zijn heer in leegte en gemis, in wanhoop en verdriet. Het bijzondere van deze heer is dat dat hem niet koud laat. Hij krijgt medelijden. Hij wordt van binnen geraakt.

Het woord dat daar in het Grieks gebruikt wordt komt nog vier keer voor in het Evangelie naar Mattheus. Al die keren wordt het gezegd over Jezus, die met mensen te doen heeft, die van binnen geraakt wordt door de verwarring en de hulpeloosheid van mensen die voor Hem staan. De Heer heeft medelijden met zijn slaaf, hij neemt het gewicht van zijn schouders. Het onverwachte, het onvoorstelbare gebeurt: zijn schuld wordt vergeven, die mens krijgt weer ruimte om te leven.

Maar dan is het vervolgens wel de vraag hoe die mens met die geschonken ruimte omgaat. In de gelijkenis wordt dat voor iedereen een bittere teleurstelling. Een medeslaaf smeekt hem, vraagt hem om hulp. Maar hij geeft geen centimeter ruimte. Die keuze brengt hem weer voor zijn heer. Weer moet hij rekening en verantwoording afleggen. En deze keer ontmoet de slaaf geen medelijden, maar toorn. Want de slaaf kent zijn plaats niet. Voor de heer zijn alle slaven gelijk. Als de heer medelijden voelt voor zijn slaven, hoe zouden de slaven het dan in hun hoofd mogen halen om hard en koud voor elkaar te zijn? De slaaf wordt dus niet aangesproken op een soort innerlijke goedheid, die hij aan zijn medeslaaf onthouden heeft. Hij wordt erop aangesproken dat hij vergeten heeft hoe goed zijn heer voor hem geweest is. Een slaaf die zijn plaats niet meer kent voor zijn heer, haalt vreemde dingen uit met zijn medeslaaf. Een mens die zijn plaats niet meer kent voor God, haalt vreemde dingen uit met zijn medemens.

De gelijkenis maakt duidelijk dat we ons niet af moeten vragen hoe vaak we zullen vergeven. Dan krijgen we alleen maar discussies over hoe goed we zijn en hoelang we het dan volhouden met elkaar. De gelijkenis roept de vraag op waaróm we elkaar zouden vergeven. En hoe mensen staan tegenover elkaar heeft volgens deze gelijkenis alles te maken met hoe ze staan tegenover God. Dat betekent dat wij elkaar niet vergeven uit de goedheid van ons hart. Want vergeving op die basis levert een diepe valkuil op waar we voor op moeten passen bij het woord ‘vergeving’.

Als iemand ons om vergeving vraagt kunnen we in de verleiding komen om die situatie te gebruiken om macht over een ander mens te krijgen. Die ander stelt zich immers afhankelijk op. Wij kunnen ons opstellen op het voetstuk van onze goedheid. We kunnen zelfs voorwaarden stellen. We kunnen die ander krijgen waar we hem hebben willen. Vergeving kan gebruikt worden als een middel om mensen jarenlang in de tang te houden, door de ander steeds fijntjes te herinneren aan datgene wat vergeven is, ooit. Wat er dan gebeurt heeft met vergeving weinig te maken. De hele verhouding blijft beladen met schuld. Aan beide kanten.

We hebben elkaar dan, als in de gelijkenis, bij de keel. En uit die wurggreep wil Jezus ons bevrijden. Door ons in het scherpe beeld van de gelijkenis uit te leggen dat de vraag niet moet zijn hoe vaak we een ander moeten vergeven, maar waaróm we die ander zouden vergeven. En hoe wij tegenover een ander staan houdt verband met de vraag hoe wij tegenover God staan.

In de gelijkenis wordt fijntjes duidelijk gemaakt dat het daar eigenlijk over gaat. Als de slaaf tegenover zijn heer staat lezen we in de vertaling: “de dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte..”. En als even verderop twee mensen tegenover elkaar staan lezen we weer: “De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte”. Maar in het Grieks staat er iets anders. Wanneer de slaaf voor de heer staat smeekt hij in onderworpenheid en verering. Het werkwoord dat daar staat wordt ook wel vertaald met ‘vereren’, vereren van God wel te verstaan. En als de twee slaven tegenover elkaar staan horen we een werkwoord dat zoiets betekent als ‘te hulp roepen’.

We staan voor elkaar anders dan we tegenover God staan. Maar het staat niet los van elkaar. Oog in oog met de ander moeten we ons afvragen waar onze plaats is voor God. Oog in oog met de ander die ons om ruimte vraagt moeten we ons eerst bedenken waar onze eigen ruimte om te leven eigenlijk vandaan komt. Komt die niet van God, die keer op keer met ons bewogen is, en het leven van de mensen steeds weer nieuwe kansen geeft? Als het gaat over vergeving, dan moeten we bedenken dat we elkaar geen ruimte geven uit de goedheid van ons hart. We geven elkaar ruimte in het dankbare besef dat God ons vergeving schenkt, telkens weer. Als wij elkaar vergeven, dan tellen we niet onze verdiensten. Dan tonen we onze dankbaarheid. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.