Protestanse Gemeente Naaldwijk

Geld je God?- 14 oktober 2018- ds. Eibert Kok

Geld je God?

Zondagmorgen 14 oktober 2018, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Deuteronomium 15: 1-11 en Marcus 10: 17-27

 preek 14okt1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het lied dat we net zongen stelt het ons voor als een rigoureuze keus: Wat kies je?

Leven – dood; afgod geld – genadebrood; alles houden wat ik heb – of mij geven, gaandeweg. Of het een – of het ander, een tussenweg is er niet.

Nu zit het leven meestal niet zo zwart-wit in elkaar, of-of, met alleen maar uitersten, tegenpolen,

vaak hebben wij mensen iets van beide tegenpolen in ons,

en bewegen we ons daartussen.

Maar zo radicaal zwart-wit iets tegenover elkaar zetten helpt wel om duidelijk te maken waar het nu om gaat. Heel scherp wordt het even neergezet.

Dat kan soms pijnlijk duidelijk maken waar het aan mankeert.

Iets vergelijkbaars gebeurt in de evangelielezing van vandaag.

Het wordt pijnlijk duidelijk waar het die man die naar Jezus toekomt aan mankeert.

Een prachtig passende lezing samen met de lezing uit het aloude testament op deze zondag voor het werelddiaconaat.

Het gaat over geld, over hebben en houden, en hoe daarmee om te gaan.

Het gaat over rijke mensen en over arme mensen.

Twee groepen mensen die heel verschillend denken als het over geld gaat.

De rijke denkt: hoe kan mijn geld groeien, hoe kan het méér worden? Sparen, beleggen investeren.

De arme denkt: hoe knoop ik de eindjes aan elkaar, waar kan ik bezuinigen, mínder uitgeven?

preek 14okt 2

Misschien hebt u deze wel gezien. Een schilderij van de mysterieuze Britse kunstenaar Banksy kwam een week geleden onder de hamer en werd verkocht voor

meer dan één miljoen euro.

Op het moment van de verkoop vernietigde het schilderij zichzelf door een papierversnipperaar die de kunstenaar in de lijst had ingebouwd. Verbijstering bij de mensen.

Fantastisch natuurlijk zo’n kunstenaar die op deze manier de waarde van zijn eigen werk relativeert.

En heel wonderlijk, de persoon die het gekocht heeft wil het werk nog steeds hebben voor dat enorme bedrag.

Er wordt wel gezegd dat door deze actie dit schilderij nóg meer waard geworden is.

Dat kun je als rijke doen met je geld, investeren, in kunst bijv.

preek 14okt 3

Als arme sta je heel anders in het leven.

Als dakloze betekent dat ene muntje veel, want zo kun je wat geld bij elkaar schrapen om eten te kopen en je maag te vullen.

De rijke denkt: hoe kan mijn geld laten rollen.

De arme denkt: hoe knoop ik de eindjes aan elkaar.

Het gaat vandaag dus over geld en hoe dat mensen in z’n greep kan houden, rijke mensen en arme mensen, en dat dat nu juist níet de bedoeling is.

preek 14okt 5

De Oudtestamentische lezing vertelt over een regel die dat tegen gaat, om uit die wetmatigheid te komen en te blijven dat rijken steeds rijker en armen steeds armer worden: het sabbatsjaar.

Dat is in de bijbel niet dat je er voor kiest om even een tijdje je gewone werk los te laten,

maar volgens die oude Bijbelse regels is het een voorgeschreven jaar, telkens het zevende jaar om datgene wat mogelijk scheefgegroeid is weer recht te zetten.

Eén van de regels was dat in het 7e jaar het land niet bebouwd zou worden, om het tot rust te laten komen. Geen uitputting van de grond.

Die regel wordt door sommige orthodoxe joden in het land Israël nog steeds toegepast.

Maar ik verbaasde me toen ik las over de manier waarop sommige (lang niet alle!) daarmee omgaan.

Een jaar lang je land zomaar braak laten liggen kost geld. Dus je verkoopt je land voor één jaar aan een allochtoon, een niet-jood, want die hoeft zich als niet-jood niet aan deze regel van de Tora te houden.

Zo voldoe je aan de letter van de wet, zonder dat je het echt voelt in je portemonnee.

Je voldoet aan de letter, maar eigenlijk ga je tegen de geest van de regel in.

Een andere regel voor het sabbatsjaar zijn we tegengekomen in de lezing van vandaag.

Heb je schulden moeten maken, dan moet je ze gewoon terugbetalen, maar kun je je schulden om wat voor reden ook echt niet terugbetalen, dan worden die schulden jou in dat 7e jaar kwijtgescholden.

Dan kun je dus opnieuw beginnen, met een schone lei.

Zo’n regel kan mensen berekenend maken: als het 7e jaar eraan komt, wil ik niet meer uitlenen. Of aan de andere kant, als het 7e jaar eraan komt, proberen zoveel mogelijk leningen los te krijgen. Nee, zo moet je er niet mee omgaan.

Natuurlijk kunnen we dat niet één op één overzetten naar onze tijd.

Je neemt en hypotheek, en hup, in het 7e jaar is het huis van jou.

Het zit meer in de sfeer van de studiefinanciering. Als je het na zoveel jaar echt niet terug kunt betalen, wordt het je kwijtgescholden. Zodat je niet klem komt te zitten met een lening die je niet betalen kunt.

Het gaat dus niet om de letter. Het gaat wel om de inhoud: zorg dat mensen niet verarmen, en laten schulden geen blijvende molensteen om je nek zijn. 

Het komt aan op solidariteit.

Ik heb de indruk dat ik dat woord minder hoor.

Volgens sommige mensen is solidariteit diefstal.

Zíj leven op onze centen. Zij krijgen alles, wij moeten ervoor betalen. Ontwikkelingshulp is weggegooid geld, dat kunnen we beter hier gebruiken, en als het naar daar gaat dan moet het ons wel wat opleveren.

Natuurlijk moet je naar al dat soort zaken heel nuchter kijken of het een goede manier is om je geld uit geven,

maar het gaat om de grondhouding.

De gedachte is helder: richt de samenleving zo in, regel dingen zo, dat er niemand hoeft te zijn die kapot gaat omdat hij het niet meer kan betalen.

Zorg dat de rijken de armen niet in de houdgreep krijgen, maar dat iedereen kan leven, een nieuwe kans krijgt.

Dat is misschien wel de grondbetekenis van vergeven: dat je, als het nodig is, bereid bent op te draaien voor de lasten van een ander, dat je het hem of haar niet meer aanrekent, maar de schuld zelf op je neemt.

Je rijkdom heb je niet alleen voor jezelf, maar ook om de ander te ondersteunen.

Komen we bij de tweede lezing.

Komt een man naar Jezus toe met de vraag: Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?

Dat is nog eens een vraag! Een spirituele man, religieus betrokken, hij richt zich op de zaken van de eeuwigheid. ’t Oog omhoog, het hart naar boven.

Een man serieus bezig met die verticale lijn.

Deze man wil niet oppervlakkig en materialistisch leven, nee, hij wil zich richten op het eeuwige leven. En hij vraagt Jezus naar de weg.

Jezus’ antwoord is bijzonder.

Allereerst wordt de man gecorrigeerd: je moet mij niet goed noemen, alleen God is goed.

En dan wordt de blikrichting direct van dat verticale verschoven naar het horizontale.

Je kent de geboden. Dan noemt Jezus alleen de geboden die gaan over het intermenselijke verkeer, hoe ga je met elkaar om.

‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’

Ik ben geen beginner, ik ben een gevorderde, help me bij die laatste stap.

Het lijkt wel of Jezus een probleem heeft met mensen die zichzelf als gevorderde beschouwen, als elite.

Jezus kijkt hem liefdevol aan, en zet hem helemaal terug.

Hier niet: Groot is uw geloof o.i.d., nee: één ding ontbreekt u.

‘Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen’

Deze man krijgt de schrik van zijn leven. Hij had namelijk veel bezittingen.

preek 14okt 6

Zijn handen zijn gevuld met wat hij heeft.

“Wat te kiezen, leven – dood; afgod geld – genadebrood;

alles houden wat ik heb – of Hem volgen op zijn weg.

Wat mij vasthoudt, wat mij heeft,

wat mij werft en wat mij leeft,

is het vele, geld en goed,

aarden schatten, overvloed.”

De man druipt af. Dit is teveel gevraagd…

Jezus maakt er een leerpunt: het is niet makkelijk voor een rijke, binnen te gaan in het koninkrijk.

Opvallend, Jezus gebruikt andere termen gebruikt: binnengaan in het koninkrijk van God, niet eeuwig leven.

Het koninkrijk kan al hier en nu zijn, dat is niet alleen iets van straks.

En eeuwig leven zegt ook iets over de kwaliteit van dat leven: leven met de Eeuwige, die Ene van wie Jezus zei dat die als enige goed is, leven uit die bron van al het goede.

Hier en nu al eeuwig leven, leven met de Eeuwige. Dan is het koninkrijk van God binnengaan niet iets van straks, maar ook al iets van nu.

Als deze man zijn rijkdom had kunnen loslaten, had hij nu al iets van Gods koninkrijk geproefd, in Gods koninkrijk geleefd, vrij.

Net zoals die anderen die Jezus tegenkwam, die vrij waren van hun blindheid, of hun zonden; voor deze man is het zijn rijkdom die hem vasthoudt, en Jezus wil die hem afnemen.

preek 14okt 7

Misschien moeten we even terug naar het Bijbelgedeelte hiervoor: wie voor het koninkrijk niet openstaat als een kind, zal het zeker niet binnengaan. 

Daarom spreekt Jezus zijn leerlingen dan ook precies op dit moment aan met: kinderen! Als een kind, zou dat kunnen zijn: onbevangen, niet berekenend, met lege handen, open handen?

Laat wat wij hebben, wat wij bezitten, ons niet zo fascineren dat het ons afhoudt van waar het echt in dit leven om gaat. Dat zou eeuwig zonde zijn. Maar voor wie eenvoudig wordt, een kind gelijk, ligt het koninkrijk van God, ligt eeuwig leven hier en nu voor het grijpen.

Volgen-30sep-CvdM

Overdenking op 30 september 2018 – Ontmoetingskerk
Lezing: Markus 9: 38-41
Thema: Volgen

Gemeente van Jezus Christus,

Een tijdje terug was ik op een studiedag in het Landelijk Dienstencentrum van onze kerk, in Utrecht. Daar vertelde iemand dat ze met een groepje mensen hadden nagedacht over de vraag hoe we het slechte imago, dat de kerk bij veel mensen heeft, een beetje kunnen verbeteren.
Heeft de kerk dan zo’n slecht imago? Ik ben bang van wel. Bij het laatste onderzoek, in 2015, naar vertrouwen in de samenleving, bleken mensen gemiddeld nog meer vertrouwen te hebben in de banken en de Europese Unie dan in de kerken. Mensen die wel bij een kerk betrokken zijn blijken natuurlijk meer vertrouwen in de kerk te hebben dan mensen die niet bij een kerk betrokken zijn. Maar gemiddeld nog geen dertig procent van de mensen had vertrouwen in de kerken.
Nou kun je natuurlijk zeggen dat dat vooral komt door al die berichten over seksueel misbruik in de Rooms Katholieke kerk. Zelfs de paus zegt dat die wantoestanden de mensen de kerk uit jagen. Maar naar mijn idee maken we ons er als Protestantse kerken dan veel te makkelijk van af. Op de een of andere manier hebben veel mensen geen positief beeld van de kerken.
Terug naar die studiedag waar ik in het begin over sprak. Er was advies gevraagd aan een groep mensen hoe het imago van de kerk verbeterd kan worden. Dat was een groep mensen van buiten de kerk. En één opmerking uit die groep bleef bij mij wel hangen. Een jonge man van nog geen dertig zei dat hij wel iets wist. Zou de kerk niet eens iets met die Jezus kunnen doen, want dat leek hem wel een inspirerende figuur.
Dat is een opmerking om eens goed over na te denken. Je kunt natuurlijk zeggen dat die beste man er helemaal niets van begrepen heeft. De kerk is al tweeduizend jaar met Jezus bezig, toch? Die man weet niet waar hij het over heeft. Maar je kunt het ook omdraaien. Je kunt ook zeggen: blijkbaar is het voor veel mensen buiten de kerk niet erg duidelijk dat het in de kerk allemaal om Jezus draait. In alles wat de kerk doet en onderneemt zouden mensen toch moeten kunnen zien en ervaren dat het hier om Jezus draait. Dat de kerk bestaat uit mensen die Jezus willen volgen. En de kerk, dat zijn wij.
Maar blijkbaar is die duidelijkheid er niet altijd. Blijkbaar ogen we met z’n allen af en toe meer tobberig dan geïnspireerd. En gaat het meer over fatsoen dan over liefde. Geen wonder dat het dan aan vertrouwen ontbreekt. We zijn, denk ik, af en toe iets te veel bezig met de kerk, met ons eigen clubje. Alsof het gaat om de kerk. Maar het gaat niet om de kerk. Het gaat om vertrouwen in God, die zich laat kennen in Jezus. Het gaat om de boodschap van het Evangelie. Die boodschap moet doorgegeven worden. En de beste manier om die boodschap door te geven is om die boodschap voor te leven. Door het voorbeeld dat je in je leven aan je kinderen geeft. Maar ook aan de mensen die op je weg komen. Geloven is een manier van leven.
Dat betekent niet dat de kerk niet belangrijk is. Maar de kerk is een middel, geen doel. De kerk is een middel om met elkaar te leren geloven en leven. De kerk is een oefenplaats. Een plek waar we elkaar kunnen steunen en bemoedigen. Een oefenplaats voor samenleven in liefde. Uitleggen waarom je naar de kerk gaat is niet moeilijker, zal ik maar zeggen, dan uitleggen waarom je naar de sportschool gaat. Maar het echte werk moet gebeuren buiten de kerk. En misschien vergeten we dat wel eens.
Nou is dat geen probleem dat zich pas de laatste jaren voordoet. Als je naar de geschiedenis kijkt zie je dat dat de eeuwen door een probleem geweest is. Regelmatig bleek de zorg voor het instituut kerk zo groot dat het zicht op God daardoor vertroebeld werd. Ik zal jullie niet te veel met kerkgeschiedenis vermoeien. Want we horen het al in de verzen die vanmorgen uit het Evangelie naar Markus zijn gelezen.
De leerlingen van Jezus komen vertellen dat ze braaf hun best hebben gedaan. Ze zagen iemand die demonen uitdreef. In Jezus’ naam nog wel. Nou, ze hebben geprobeerd daar een einde aan te maken. Hij wilde zich niet eens bij ons aansluiten! Een beetje jammer dat dat zo vertaald is, want er staat eigenlijk iets anders. Er staat: want hij volgt ons niet.
Volgen. Dat is wat Jezus vraagt, keer op keer. Volg mij. In het geloof gaat het om navolging van Jezus. Het gaat er niet om dat je ons volgt, dat je een groep volgt, dat je bij een clubje hoort. Het gaat er om dat je Jezus volgt. Dat hebben de leerlingen niet goed begrepen. Ze roepen die man, die demonen uitdrijft, een halt toe. Want hij volgt ons niet. Ze zeggen niet: hij volgt U niet, Jezus. Wat hij doet, doet hij immers in de naam van Jezus. Nee, hij volgt ons niet. Hij hoort niet bij de club. Hij houdt zich niet aan de regels. De leerlingen trekken een strakke lijn. Wie niet aan onze kant van de lijn staat, zit fout.
En wat doet Jezus? Jezus knipt die lijn meteen door. Hij moet niets van dat onderscheid hebben. Er is geen ‘wij’ en ‘zij’. Als iemand iets goeds doet hoort de naam van Jezus daarbij. Het gaat er niet om of iemand er een stempel op zet. Het gaat er om of iemand een ander goed doet, geneest, bevrijdt, troost, helpt. Daar voelt Jezus zich mee verbonden. Met mensen die elkaar tot zegen zijn. Of dat nou binnen of buiten een kerk gebeurt.
Jezus houdt niet van beperking. Hij neemt het ruim. Wie niet tegen ons is, is voor ons, zegt Hij. Dat klinkt bekend, maar dat zinnetje is op een andere manier in ons collectieve geheugen terecht gekomen. We hebben het vaak omgedraaid: Wie niet voor ons is, is tegen ons. Dat is wat de leerlingen van Jezus ervan maken. Ze sluiten de gelederen en sluiten daardoor mensen buiten. Het is precies het omgekeerde van wat Jezus van ons vraagt. Jezus vraagt ons open te staan voor iedereen die goed doet – dat is waar het om gaat, dat is veel belangrijker dan de vraag bij welke club je hoort. Bij welke kerk, welke nationaliteit, welke cultuur. Wie niet tegen ons is, is voor ons.
Toen ik dominee in Voorburg was, was er een ouder gemeentelid die vaak met de tram ging. Hij mopperde wel eens, want op het achterbalkon van de tram stonden vaak jongeren van Noord Afrikaanse afkomst. Als hij door die groep heenliep voelde hij zich nooit zo veilig. En toen viel hij een keer in de tram. Omdat de bestuurder te snel en te hard optrok. Hij viel en hoorde krak. Dat is niet goed. Hij moest de tram uit, maar hoe? Dat probleem werd voor hem opgelost. Vier Marokkaanse jongens kwamen van achter uit de tram. Ze hielpen hem voorzichtig de tram uit bij de volgende halte. Ze belden 112 en vroegen om een ziekenauto. Ze belden zijn vrouw om haar te waarschuwen dat haar man een ongeluk had gehad. En ze bleven bij hem wachten tot de ziekenauto kwam om hem naar het ziekenhuis te brengen. Hij heeft nooit geweten wie die vier jongens waren. Maar hij noemde ze altijd zijn engelen.
Wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden, zegt Jezus. Het gaat niet om kleur of ras of godsdienst of cultuur. Het gaat er om dat mensen elkaar goed doen. Het gaat er niet om dat mensen ons volgen. Het gaat er om dat we Jezus volgen op zijn weg van onvoorwaardelijke en belangeloze liefde.
Dat is wat we hier in de kerk mogen oefenen. Om de warmte van die liefde uit te stralen naar iedereen die op onze weg komt. En om blij te worden van iedereen die probeert een ander goed te doen. Dan gaat het niet langer om wij tegen zij. Dan herkennen we elkaar dankbaar als mensen die de weg proberen te gaan van de liefde die Jezus ons heeft voorgeleefd. Dan zouden er wel eens meer mensen voor ons kunnen zijn dan we ooit dachten. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Gewoon doen - 9 september 2018 - ds. Eibert Kok

Gewoon dóen
Zondagmorgen 9 september 2018, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok
Lezingen: Deuteronomium 4: 10-13, Jakobus 1: 22-27 en Marcus 8: 27-38
 preek 9 sept 1
Het eerste waar ik aan moest denken bij de voorbereiding van de aandachtszondag is deze: Alles wat je aandacht geeft groeit. Met een mooi bloemetje erbij.
Het is een hele simpele spreuk, maar o zo waar.
Ik hoor het met regelmaat van mensen van wie de naam vermeld is op de zondagsbrief, of ergens anders, dat ze een kaartje hebben gekregen van mensen, soms van mensen die ze eigenlijk helemaal niet zo goed kennen, of een berichtje, een telefoontje, of een bezoekje
- even aandacht vanwege de bijzonder situatie, als er iets te vieren valt, iets wat een felicitatie waard is, of juist in een situatie van verlies, ziekte, zorgen.
Ik hoor dan met regelmaat hoe goed dat mensen gedaan heeft.
Meeleven, aandacht doet goed.
Vaak een kleine moeite, maar een groot plezier.
Alles wat je aandacht geeft groeit.
Geldt ook de andere kant op trouwens. Je kunt ook problemen zoveel aandacht geven dat ze alleen maar groeien.
Natuurlijk moeten problemen aandacht krijgen, je moet ze niet uit de weg gaan, je moet er soms doorheen, maar je kunt ze ook groter maken dan ze zijn.
Dus bij ‘alles wat je aandacht geeft groeit’ denk ik aan positieve aandacht, aandacht juist ook voor mensen met problemen, niet om die problemen groter te maken, maar juist om de last daarvan te verlichten, ook al is het maar voor even.
Aandacht doet mensen goed. Dat is het eerste waar ik aan moest denken.
En vandaag proberen we dat ook een klein beetje waar te maken door een boeket bloemen te bezorgen bij iemand die wel wat extra aandacht kan gebruiken.
Het tweede waaraan ik moest denken bij de voorbereiding van vandaag – en dat kwam vooral door het bijbelgedeelte – is iets wat afgelopen week in het nieuws kwam.
preek 9 sept 2 
 
Een bekend merk van sportkleding is een nieuwe reclamecampagne gestart. Dan gaat het ook om aandacht, maar dan weer om een ander soort aandacht.
Voor die reclamecampagne hebben ze Colin Kaepernick, een bekende en veelbelovende figuur als American Football speler.
In Amerika is het gebruik dat bij het spelen van het volkslied iedereen gaat staan. Maar twee jaar geleden was hij een van de eersten die bij het spelen van het volkslied niet ging staan, maar knielde, uit protest tegen het gegeven dat in Amerika zwarte mensen nog steeds minder rechten hebben dan witte. In theorie zijn de rechten gelijk, maar in de praktijk niet.
Zwarte mensen hebben minder kansen, zijn eerder verdacht, noem maar op.
Uit protest ging hij niet meer staan maar knielde hij, en steeds meer mensen gingen hem volgen.
Dat riep uiteraard ook weerstand op, met als gevolg dat het verboden werd om niet te gaan staan bij het spelen van het volkslied.
En er is nu geen club meer te vinden in de nationale competitie daar die Kaepernick wil hebben.
Dat is het offer dat hij heeft moeten brengen voor zijn strijd tegen de nog steeds bestaande ongelijkheid tussen zwarte en witte mensen.
Dat kledingmerk haakt daar nu op in.
Geloof ergens in, zelfs als dat betekent dat je alles moet opofferen.
Nu is het nog maar even de vraag of Kaepernick alles moest opofferen, in zijn sportcarrière tot nu toe heeft hij zoveel verdiend dat hij zich prima kan redden,
maar het is zeker wel waar dat hij een groot offer heeft moeten brengen. Zijn sportcarrière lijkt over, het wordt hem onmogelijk gemaakt door krachten die datgene waar hij voor staat en gaat niet willen zien, krachten die de overhand hebben gekregen.
Het is een heel interessante reclame, ook naast de evangelielezing van vandaag. Je hebt een ideaal, een droom waarvoor je wilt gaan, gelijkheid voor ieder mens, wit en zwart,
je zet je carrière daarvoor op het spel, je verliest iets, maar je gaat ervoor omdat je iets anders wilt winnen, iets wat belangrijker, waardevoller is dan dat wat je kunt verliezen.
Geloof ergens in, zelfs als dat betekent dat je alles moet opofferen.
Dat was het tweede waaraan ik moest denken.
Even terug naar het eerste. Aandachtszondag.
Dat doen we niet zomaar, voor de aardigheid.
Dat heeft alles te maken met de bron waaruit we mogen leven: Gods aandacht en liefde voor ons mensen.
Die bron proberen we telkens weer aan te boren, zodat die aandacht en liefde die naar ons toe komt niet alleen ons goed doet en doet groeien, maar ook verder stroomt door ons heen naar anderen toe, Gods aandacht en liefde die nergens zo duidelijk handen en voeten gekregen heeft als in de persoon van Jezus.
Maar wie is hij? Wie is Jezus? Wat zou je dan zelf zeggen?
Wat zou je zeggen als, noem maar wat, je vriend, je buur, je schoondochter of je eigen kind aan je zou vragen: Wie is Jezus? Jij gaat toch naar die kerk? Vertel me eens, wie is Jezus? En dan niet allerlei algemeenheden die ik ook op wikipedia kan vinden, maar wie is Jezus nu voor jou? Wat betékent hij voor jou? Wat zou dan je antwoord zijn?
Dat is de vraag waarmee het bijbelverhaal over Jezus dat we vandaag gelezen hebben begint.
Het is een verhaal dat niet direct zo gemakkelijk te volgen is.
Het begint met díe vraag van Jezus zelf aan zijn leerlingen: Wie zeggen de mensen dat ik ben? Een soort wikipediavraag, wat zegt men?
Nadat er wat antwoorden gegeven zijn, vervolgt hij met de vraag: Maar wat vinden jullie nu zelf? Geef daar maar eens een antwoord op.
Petrus geeft spontaan als antwoord: U bent de messias.
Dat klinkt geweldig. Bij het woord messias gaat van alles meeklinken. Christus, dat is hetzelfde woord. Gezalfde betekent het. Dat doet terugdenken aan de koningen die er vroeger in Israël waren. Die werden tot koning gezalfd.
En in Israël, dat in die tijd door de Romeinen werd bezet, leefde het verlangen dat er ooit weer eens een nieuwe koning zou komen, een gezalfde, een messias, die hen zou bevrijden van onderdrukking, een koninklijke figuur een reddende gezalfde, die het volk Israël weer hoop, toekomst en perspectief zou geven. Isrels hoop in bange dagen. Een nieuwe leider die een doorbraak zal forceren.
U bent de messias. Geweldige uitspraak. Petrus heeft veel vertrouwen in Jezus.
Jezus beaamt het niet, maar hij bestrijdt het ook niet.
Als hij vervolgens verder gaat, spreekt niet over de messias, maar over de mensenzoon – Jezus wordt hier dus aangeduid als de messias, door Petrus, en ook als de mensenzoon, door Jezus zelf – die moet lijden, die gedood zal worden, en die weer zal opstaan. Krijg je toch een heel ander idee dan Petrus gehad zal hebben bij het woord messias.
Petrus wordt fel, hij gaat Jezus terecht wijzen: Dat zal niet gebeuren. Je gaat jezelf niet opofferen!
Maar dan wordt Jezus zo mogelijk nog feller: Ga terug, achter mij, Satan! Jij denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen. Heftige woorden. Ongekend fel.
Petrus lijkt met zijn messiasbeeld op een verkeerd spoor te zitten, een beeld misschien wel ingegeven door de menselijke behoefte om graag sterke helden en krachtfiguren te zien en daarvan heil te verwachten. Make Israel great again! Zo’n figuur dus niet.
De krácht van de messias ligt daarin dat hij de mensenzoon is, die volop aandacht heeft voor mensen in nood, hen ziet, hen steunt, hen helpt als het nodig is, en zo mensen laat groeien.
Dat is zijn roeping, zelfs als het hem het leven zal kosten.
Dan verandert de setting. Jezus is niet meer in gesprek met alleen zijn leerlingen, maar hij roept de menigte samen.
Dus ineens is Jezus met veel meer mensen om zich heen.
En wat doet hij? Op een bepaalde manier de mensen oproepen diezelfde weg te gaan die hij ook gaat, op zo’n zelfde manier in het leven te staan.
Welke weg is dat? Dat is in zekere zin de weg die hij net benoemd heeft. Het is de weg van aandacht voor de ander. Het is niet de weg van de minste weerstand,
Er staan hier best wel heftige woorden: jezelf verloochenen, je kruis op je nemen.
 preek 9 sept 3
Hier een heel oude afbeelding van dat kruisdragen: een vrouw die achter Jezus aangaat, door een band met hem verbonden, net als bij Jezus ook een kruis op haar schouder.
Zo’n afbeelding was niet letterlijk bedoeld, maar een symbolische verbeelding van wat we in dit bijbelgedeelte lezen.
Maar hoe vertaal je dat naar het gewone leven?
Ik zei, heftige woorden.
Het leven durven verliezen om het te winnen. ‘Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet?’
In de oude vertaling stond dan: Wat baat het een mens de hele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?
Als je bereid bent los te laten om te ontvangen, te verliezen om te winnen, te sterven om te leven, dan zul je het echte leven vinden.
Nou is dat misschien wel een mooie wijsheid die we ook in het leven van Jezus zelf terugzien – zijn aandacht voor mensen, speciaal voor die mensen die niet de aandacht waard waren in de ogen van de meesten, zijn aandacht voor mensen deed anderen opleven, gaf hen nieuw leven, maar het kostte hem zelf zijn leven – hier roept Jezus mensen op net zo in het leven te staan, want alleen zo, in navolging van hem, vind je het ware leven.
Dat doet me denken aan mensen die vanwege hun geloof, of vanwege hun inzet voor recht en gerechtigheid, worden opgepakt of mishandeld, en die dat soms met de dood moeten bekopen. Toch hebben ze het er voor over, al die ellende, en verloochenen ze hun droom, hun ideaal niet.
Dan moet ik ook, hoewel van een andere orde maar toch ook weer vergelijkbaar, denken aan Colin Kaepernick, die American Football speler.
Je zet iets op het spel, met het risico dat je het verliest, maar het gaat er om iets anders te winnen, iets wat veel waardevoller is en het leven zelf waardevoller maakt.
 preek 9 sept 4
Deze kwam ik tegen bij de bloemententoonstelling in de Oude Kerk tussen allerlei andere spreuken: Het mooiste wat je kunt worden = jezelf.
Dat is er een om over na te denken.
Wanneer word je nou jezelf?
Het Bijbelgedeelte wijst daarin een weg.
Echte zelfverwerkelijking is daar zelfverloochening.
Dat staat misschien wel haaks op van alles wat naar ons toe komt: carrière maken, jezelf waarmaken, uit het leven halen wat er in zit, voor jezelf opkomen.
Wanneer word je echt jezelf?
Vanuit het evangelie gezien, begint het ermee dat je jezelf niet waar hoeft te maken.
We mogen leven uit Gods aandacht en liefde voor ieder mens. Dat is de bron.
Wanneer word je jezelf? Jezelf verloochenen. Dat is niet hetzelfde als jezelf wegcijferen, nee, je mag er zijn,
maar het is niet alleen opkomen voor jezelf, het is ook, of misschien wel juist opkomen voor de ander.
Gods aandacht voor ons vertaalt zich in onze aandacht voor anderen. God heeft altijd net iets meer aandacht voor de kleinen en de zwakken dan voor het grote en het sterke.
Wanneer word je jezelf? Misschien wel als je je geeft aan dat ideaal van Gods aandacht en liefde voor alle mensen.
Soms kan dat betekenen dat je iets moet loslaten, verliezen, om iets anders te winnen.
Echte aandacht voor het kleine en kwetsbare. Misschien vind je daar wel het echte leven.
Om met de slogan van de reclamecampagne af te sluiten – en dan zitten we ook bij de boodschap van de twee andere lezingen:
 preek 9 sept 5
 
Doe het gewoon.
 

Zeven-26aug-EBK

 

 

Zondagmorgen 26 augustus 2018, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: 2 Koningen 4: 42-44 en Marcus 8: 1-21

preek-20180826-1.jpg

 

 

 

Vijf weken geleden deed ik hier in de Ontmoetingskerk de laatste kerkdienst vóór mijn vakantie en toen stond een gedeelte uit Marcus 6 op het rooster, het verhaal van de vijf broden en de twee vissen, de wonderlijke broodvermenigvuldiging.
Toen kwam ik terug van vakantie, en wat staat er op het rooster? Weer het verhaal van de wonderlijke broodvermenigvuldiging, nu twee hoofdstukken verder, Marcus 8, maar eigenlijk hetzelfde verhaal.
Nu geen vijf broden, maar zeven, nu niet twee vissen, maar een paar vissen, maar heel veel hetzelfde. Wat is dat voor zinloze herhaling?
Zoals ik de vorige keer al zei: Marcus is het kortste evangelie, kort en bondig, recht op je doel af. Waarom vertelt hij dit verhaal dan twee keer?
Wat heeft dat brood dat gebroken wordt ons te vertellen?
Nu, als één ding al wel direct duidelijk is, dan is het dat het te maken heeft met getallen.
En het belangrijkste getal vandaag is: zeven.
Zeven is voldoende, ruim voldoende.
 preek-20180826-2.png

Afgelopen maandag was de dag dat ik begon met de eerste voorbereidingen voor vandaag, en maandag was ook de dag dat Maarten van der Weijden zijn zwem-Elfstedentocht zou afronden. Petje af voor wat hij gedaan heeft, wat een prestatie! Helaas is het hem niet gelukt om z’n doel helemaal te bereiken. Afgelopen maandagmiddag moest hij na 163 km zwemmen opgeven.
Zijn doel was al zwemmend de elf steden aan te doen, want dan is de elfstedentocht pas compleet.
Elf, dat is in Friesland een getal met een bijzondere betekenis. Als je de elf gehaald hebt, is het echt compleet, dan heb je het volbracht.
Zoals in Friesland het getal elf aangeeft dat het compleet is, zo is in de Bijbel het getal dat aangeeft dat iets compleet is: zeven.
Nu vertel ik daarmee voor veel mensen in de kerk waarschijnlijk niets nieuws, maar dat impliceert wel dat het bij de vijf broden en de twee vissen niet compleet was.
Daarom wil ik graag, net als de vorige keer, ook dit verhaal van de broodvermenigvuldiging in een groter verband zetten.
Dan wordt nog meer duidelijk wat het ons te zeggen heeft.
Het is goed om nog eens te benadrukken dat het belangrijk is deze Bijbelverhalen symbolisch te lezen.
Mensen denken wel eens dat dat iets moderns is om Bijbelverhalen symbolisch te lezen – vroeger lazen we die verhalen letterlijk en nu symbolisch, zo is dan de gedachte – maar dat is niet waar.
Al in de vroege kerk kennen we de viervoudige uitleg van de Bijbel.
Allereerst is er de historische kant van het verhaal.
Het zijn geen sprookjesverhalen, over een man, Jezus, die nooit bestaan heeft.
Die verhalen wortelen in het concrete menselijke leven van Jezus die door Israël trekt.
Het gaat heel concreet en alledaags hier over brood.
Jezus zal op een bijzondere manier brood hebben gedeeld met de mensen om hem heen, anders was dat verhaal van de wonderlijke broodvermenigvuldiging nooit in alle vier de evangeliën terechtgekomen, en in twee evangeliën Marcus en Matteüs wordt dat verhaal zelfs twee keer verteld.
Wat er nou historisch precies wel en niet gebeurd is van wat verteld wordt, dat is voor ons onmogelijk te achterhalen.
We hebben geen feitelijk verslag, alleen de verhalen, geen sprookjes maar geloofsverhalen die ergens wortelen in het concrete leven van toen rond die ene persoon Jezus.
Dat is het eerste, het historische aspect.
Het tweede is de symbolische manier van lezen.
In elk Bijbelverhaal zit symbolische betekenis, zo was in de vroege kerk al de overtuiging.
Als we kijken naar het verhaal van vanmorgen: brood.
Dat komt zo vaak in de Bijbel voor.
Het ongedesemde brood dat de Israëlieten moesten bakken bij de uittocht uit Egypte, het manna dat het volk krijgt tijdens hun tocht door de woestijn, de twaalf toonbroden in de tabernakel en later in de tempel als offer van de twaalf stammen van Israël aan God.
Brood staat symbool voor het leven zelf.
Brood staat in de Bijbel ook symbool voor leven in verbondenheid met God. God is degene die het brood in de aarde doet groeien, die het leven mogelijk maakt.
Brood staat symbool voor: iets tot je nemen dat je nodig hebt om te leven, broodnodig.
In het Johannesevangelie horen we Jezus zeggen: Ik ben het brood dat leven geeft.
Brood, heel concreet die substantie van gebakken deeg, en tegelijk symbolisch veel meer.
Symboliek zit er ook in de getallen hier.
In het eerste verhaal van de broodvermenigvuldiging zijn het vijf broden en twee vissen, vijfduizend mensen, en er blijven daar twaalf volle manden over.
In het verhaal van vandaag begint het met zeven broden, vierduizend mensen, zeven volle manden over.
Als dit bedrijfsmatige cijfers zouden zijn dan is de eerste keer een groot succes, en de tweede keer een iets minder groot succes.
Maar zo moet je niet kijken naar deze getallen.
Vijf, twee en twaalf in het eerste verhaal. Vijf als het getal van de Tora, de vijf boeken van Mozes, en twee als het getal van de profeten en geschriften. Daarmee hebben we bij elkaar wat wij het Oude Testament noemen.
Twaalf manden óver als getal van de stammen van Israël.
Het gaat daar dus over Israël.
Dan volgen na die eerste wonderlijke broodvermenigvuldiging een aantal verhalen voordat we bij hoofdstuk 8 aankomen, o.a. heel cruciaal, het verhaal van de Syrofenicische vrouw, bij velen wel bekend.
Jezus is in het buitenland. Er komt daar een buitenlandse vrouw op hem af die hem smeekt om hulp voor haar dochter, maar Jezus wil absoluut niet naar haar luisteren.
Op een bepaald moment zegt hij dan: Het is niet goed de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.
Waarop de vrouw reageert: Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.
Díe opmerking van deze buitenlandse vrouw – het gaat over brood en broodkruimels –betekent een ommekeer in de opstelling van Jezus.
Lijkt wat hij te brengen heeft tot dat moment beperkt tot zijn eigen volk, vanaf dat moment gaan de grenzen open.
En dan krijgen we het verhaal van de zeven broden. Zeven als het getal van de volheid, dan is het compleet. Zeven broden, zeven manden over. Vierduizend mensen.
Zeven. Daarmee wordt de héle wereld aangeduid, de complete mensheid. En vier, van de vier windrichtingen, noord, oost, zuid, west, overal vandaan mogen ze komen.
Als je dit alleen maar historisch zou lezen, dan is het een zinloze verdubbeling, twee keer hetzelfde verhaal, met net iets andere getallen. Maar dat is het niet!
Jezus, die zelf ook het brood is dat leven geeft, Gods liefde die hij vertegenwoordigt, die is er niet alleen voor de eigen groep, maar die is er voor iedereen.
Hij deelt het brood, gewoon heel concreet die substantie van deeg die je kauwt en doorslikt, die voor jou voeding is om te leven, maar hij deelt ook wie hij is, waar hij voor staat en gaat, Gods grenzeloze liefde voor heel deze wereld.
Dat is ook wat we in het avondmaal doen. Dat gaat terug heel concreet op het historische leven van Jezus, op al die keren dat hij het brood deelde met zijn leerlingen en alle andere mensen om hem heen, en heel in het bijzonder op die laatste keer voor zijn sterven toen hij het brood deelde met zijn leerlingen – ze vierden toen het feest dat God mensen bevrijdt uit de slavernij, uit de beknelling waarin ze vast kunnen zitten. Hij deelde heel concreet het brood met zijn leerlingen.
Maar symbolisch betekent het veel meer: hij deelt zichzelf, hij deelt Gods liefde uit, Gods liefde die hij handen en voeten gaf, aan iedereen die het maar ontvangen wil, opdat het leven van mensen tot bloei komt.
Vaak zijn het dichters die het beter kunnen verwoorden.
Jaap Zijlstra, over het avondmaal (Liedboek 389):
 preek-20180826-3.png
 “Het brood dat ons voor ogen staat
en zich geduldig breken laat,
is uw gedaante, lieve Heer,
Gij daalt als manna in ons neer.
De beker die de ronde doet,
het is de omloop van uw bloed,
het spreekt van een geheimenis,
uw hartslag die ons leven is.”
Mooi vind ik dat: uw hartslag die ons leven is.

Dan komt ik bij de volgende twee manieren van bijbeluitleg in de vroege kerk. Behalve de historische en de symbolische uitleg heeft een Bijbelgedeelte ook een ethische kant: het helpt jou om keuzes te maken in je leven, hoe sta je in het leven, wat doe je wel en wat doe je niet? Een Bijbelverhaal wil iets in jou bewerkstelligen, wil jouw leven veranderen, beter maken, mooier maken.
 preek-20180826-4.png

Hier een afbeelding van de zeven werken van barmhartigheid (Rijksmuseum) met helemaal links het paneel van het uitdelen van brood.
 Zo wil ook dit verhaal aan ons meegeven, allereerst dat het begint met te kijken wat er is, zeven broden, en begin er dan niet mee dat dat te weinig is, leef in het vertrouwen dat zeven voldoende is, ruim voldoende, als we maar delen met elkaar van dat wat ons gegeven is. Delen is vermenigvuldigen.
Dat is ook een soort opdracht, een aansporing die meegegeven wordt als we met elkaar het brood en beker delen in het avondmaal, om zo in het concrete leven van alledag staan.
Dan ontdek je dat het hier gaat om heel veel, dat het gaat om omgaan met elkaar, met het milieu, over de ouderenzorg en de dividendbelasting. Met wie deel je? Wie heeft het nodig?
Dat is het derde, de ethische uitleg.

En als vierde kende men wat dan heet de mystagogische manier van Bijbellezen, dat wil zeggen dat je daardoor wordt ingewijd in het mysterie van God. Anders gezegd, het wil je dichter bij God brengen, zodat je zijn aanwezigheid in je leven ervaart.
Met het Avondmaal is het niet anders. Dat vieren we om zijn liefdevolle aanwezigheid te ervaren.

Zeven broden op een rij. Zeven is voldoende, ruim voldoende, voor iedereen.