Wie mag er zijn- 13 oktober 2019- ds. Eibert Kok

Wie mag er zijn?

Zondagmorgen 13 oktober 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Jesaja 56: 1-8 en Lucas 17: 11-19

preek 13 okt 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
Het is een heel indringende vraag die de lezingen van vanmorgen aan de orde stellen.
Vandaag gaan mensen in Polen naar de stembus.
Het is niet de vraag of de conservatieve regeringspartij de parlementsverkiezingen zal winnen, maar hoe groot de winst zal zijn.
Die regeringspartij heet, in het Nederlands vertaald ‘Recht en Rechtvaardigheid’, precies de woorden die we hoorden in het eerste vers van Jesaja 56: “Dit zegt de HEER: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht…”
Mooie woorden, recht en rechtvaardigheid.
Eén van de speerpunten van die partij is om zich sterk te maken tégen wat ze noemen ‘gevaarlijke homorelaties’.
Want die bedreigen de traditionele Poolse familiewaarden.
De partijleider Jaroslaw Kaczynski zegt het zo:
“Dit is de inzet van deze verkiezingen. Als we normale relaties willen hebben en niet twee papa's, of twee mama's, dan moeten wij deze verkiezingen winnen.”
Deze gedachte, zo las ik, wordt ook door de katholieke kerk in Polen gekoesterd en verkondigd.
Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
Maar we kunnen ook dichter bij huis blijven. In januari kwam de Nederlandse versie van de Nashvilleverklaring uit, gelanceerd door een heel aantal behoudende protestantse christenen, met vergelijkbare gedachtes, die ze zeggen te baseren op de Bijbel, met als conclusie dat een homorelatie niet kan en niet mag.
Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
Terecht is er ook in de kerken heel breed geprotesteerd tegen deze Nashvilleverklaring. Ook hier bij de Ontmoetingskerk hebben we toen, net als afgelopen vrijdag 11 oktober, Coming-Outdag, de regenboogvlag opgehangen, om te laten zien dat naar onze overtuiging er wel degelijk alle ruimte is voor andere relaties dan alleen de heterorelatie tussen man en vrouw, ook voor Gods aangezicht.
De lezingen van vanmorgen helpen me daarbij.
Het gaat in de lezing uit Jesaja 56 over de vraag wie er wel en wie er wel en wie er niet welkom is in de tempel: wie mag er wel zijn, en wie mag er niet zijn?
Dan worden daar twee categorieën mensen genoemd die volgens bepaalde Bijbelteksten niet welkom zijn in de tempel, die er niet mogen zijn,
en die volgens de tekst van Jesaja er wel degelijk mogen zijn, alsof de Bijbel zichzelf corrigeert:
de ruimte is veel groter en de veelkleurigheid mag veel groter zijn dan je in eerste instantie zou denken.
De Bijbel corrigeert zichzelf. Dat alleen al is een reden om voorzichtig te zijn om Bijbelteksten van toen zomaar op de situatie van nu te plakken. Zijn er misschien ook andere stemmen in de Schrift? Tegenstemmen? En hoe verhouden die zich tot elkaar? Welke geef je meer gewicht? En waarom?
Die twee categorieën mensen waar het hier om gaat, zijn deze: de vreemdeling en de eunuch.
Volgens verschillende Bijbelteksten mogen zij er niet zijn in het huis van God. Niet welkom.
Volgens deze Bijbeltekst uit Jesaja mogen zij er wel zijn.
Ik kan me voorstellen dat er ook destijds meer dan genoeg mensen waren die de vreemdeling, of de eunuch zagen als een bedreiging van de traditionele Israëlitische familiewaarden.
Maar God hanteert andere criteria voor wie wel en wie niet welkom bij hem is, wie er wel en wie er niet mag zijn.
In de lezing uit het NT zien we iets vergelijkbaars gebeuren.
Een vreemdeling, een Samaritaan, en ook nog eens iemand die melaats was, dus iemand die om twee redenen niet welkom was in het huis van God, iemand tot wie je volgens de voorschriften gepaste afstand moest houden, hij blijkt helemaal welkom te zijn, hij mag er zijn.
Zowel in Jesaja als bij Jezus worden oude voorschriften opengebroken om ruimte te maken voor mensen die anders zijn, ook zij horen er bij.
preek 13okt 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Als we kijken naar dit beeld: die ene staat los van de rest.
Wat doe je dan?
Dan kun je je best doen om die kloof in stand te houden, en die ander buiten de deur te houden, omdat die ander vreemd is, of voelt als een bedreiging voor dat wat jou vertrouwd is,
of je kunt proberen een stap in de richting van de ander te zetten, om die kloof misschien een klein beetje te overbruggen, om je hand uit te steken en die ander te ontmoeten.
Terug naar Jesaja. Wie is er welkom in het huis van God?
Niet iedereen voelt zich welkom in de tempel. Deuren gaan dicht voor de vreemdeling en de eunuch.
De vreemdeling. Hij voelt, merkt in alles: ik heb hier geen echt thuis. Terwijl hij wel bij God en zijn volk wil horen. Ik zie er anders uit. Ik heb andere gewoonten. Ik eet anders. Ik hoor er niet bij. De tempelgangers kijken hem scheef aan. Dan kun je zomaar gaan denken dat die God van die kerkgangers ook wel zo zijn. Dat horen we de vreemdeling ook zeggen: De HEER zondert mij zeker af van zijn volk.
Een tweede groep voelt zich ook niet welkom.
De eunuch. Een man die gecastreerd is. Met opzet. Omdat hij bijvoorbeeld in dienst was bij een baas en geen bedreiging mocht vormen voor de vrouwen in het huis. Moet je je eens indenken wat dat betekent. Je persoon, wie je bent, verandert. In het meest intieme. Ben je nog wel een man? Wie ben je nou? Je toekomst verandert. Nooit eigen kinderen. Je naam wordt niet doorgegeven. We horen hem zeggen: Ik ben maar een dorre boom. Niet vruchtbaar, zonder leven.
Mag ik er wel zijn? Ben ik wel welkom bij God?
Maar de HEER zegt:
“De eunuch … die keuzes maakt naar mijn wil, die vasthoudt aan mijn verbond … Ik geef hem een eeuwige naam (!)”
“En de vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden
om hem te dienen en zijn naam lief te hebben…
hem schenk ik vreugde in mijn huis van gebed; zijn offers zijn welkom (!) op mijn altaar.”
preek 13okt 3
Wat God betreft wordt de afstand overbrugd en reiken mensen elkaar de hand: welkom, je mag er zijn, in het huis van de HEER.
Ik wil nog even stilstaan bij die eunuch, omdat ik een boek aan het lezen ben over transgenderpersonen in de kerk.
Het boek heet: ‘Wondermooi, zoals U mij gemaakt hebt’, een citaat uit Psalm 139, met als ondertitel: ‘Handreiking voor gelovige transgender personen en werkers in de kerk’.
Daarin staat ook een hoofdstuk waarin de Jesajatekst van vanmorgen aan de orde komt, een hoofdstuk geschreven door een transman. Dus iemand die geboren is met een vrouwelijk lichaam, maar nu als man door het leven gaat.
Door zijn bril kijkt hij dan naar Bijbelteksten.
Voordat hij Jesaja 56 behandelt, noemt hij eerst Deuteronomium 23: 2, waar staat geschreven: Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, mogen niet deelnemen aan de dienst van de HEER.
Hij schrijft dan dat deze tekst wel wordt gebruikt om transpersonen die zich laten opereren de deelname aan de eredienst te ontzeggen en om die operatie dus te verwerpen.
Daarna behandelt hij dan de tekst van vanmorgen om te laten zien er ook een andere stem klinkt in de Bijbel die die eerste corrigeert.
Voor hem zijn deze teksten heel belangrijk omdat volgens hem de eunuch het meest passende Bijbelse equivalent is dat we hebben voor transpersonen.
Eunuchen ondergingen niet alleen lichamelijke aanpassing door castratie, hun maatschappelijke positie veranderde daarmee ook, niet meer passend in de nauwkeurig bepaalde mannelijke en vrouwelijke genderrollen, niet meer de mogelijkheid om kinderen te krijgen.
In deze passage verlegt God duidelijk de focus van de lichamelijke kant en afkomst van de gelovigen naar de vraag of zij vasthouden aan het verbond met God en keuzes maken naar Gods wil.
Anders gezegd: of zij recht en gerechtigheid betrachten, leven in de lijn van Gods bedoelingen.
Dus de nadruk ligt hier niet op de uitwendige, lichamelijke kant van mensen, maar op de getrouwheid van de persoon in alles wat hij doet, naar God toe, naar de mensen toe.
Zijn kijk op deze Bijbeltekst maakt deze woorden op een verrassende manier weer actueel.
Wie is er welkom, en wie niet?
Wanneer mag je er zijn en wanneer mag je er niet zijn?
De lezingen van vandaag helpen ons om een antwoord te geven op die vraag.

Kwijt, gevonden!?- 25 augustus 2019- ds Eibert Kok

Kwijt, gevonden!?

Zondagmorgen 25 augustus 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Lucas 15: 1-10

preek25aug 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Het was in december dat de Nederlandse Spoorwegen weer ‘De week van de verloren knuffel’ organiseerden, met o.a. deze foto.
Het concept is simpel: de NS plaatst dan elke dag een foto op sociale media om zo in ieder geval een paar knuffels terug te bezorgen bij de eigenaar. Als de knuffel wordt herkend, kan het dier nog voor kerst worden thuisbezorgd.
Mooie actie, zeker zo vlak voor kerst. Het lijkt op een mooi kerstverhaal. Dat wat je kwijtgeraakt bent, maar voor jou onvervangbaar is, krijg je toch weer terug.
Iedereen die met kleine kinderen opgetrokken heeft, weet hoe belangrijk die ene knuffel voor dat kind kan zijn, en hoe intens verdrietig het kan zijn als het die knuffel kwijtraakt.
Mooie actie van de NS, die, zo begreep ik, bedoeld is om alle gevonden voorwerpen onder de aandacht te brengen.
Meestal zijn het niet knuffels die verloren zijn, maar pasjes, telefoons, rugzakken, portemonnees, sleutels.
Het kan knap vervelend zijn als je die kwijtgeraakt bent.
En als je in de trein iets kwijtraakt, ja, dan kun je ook niet meer zoeken, want voor je het in de gaten krijgt, is de trein vaak alweer vertrokken.
preek25aug 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Maar anders. Als je thuis iets kwijtraakt, of op je werk, of op vakantie op de camping of in het hotel, en het is écht belangrijk voor je, wat doe je dan?
Ik weet het wel: alles op z’n kop zetten om die pas of die sleutels terug te vinden, want anders hebt je een probleem.
De verhalen die Jezus vertelt zijn eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen, zeker de twee verhalen, de twee gelijkenissen van vanmorgen. Heel herkenbaar, ook 20 eeuwen later nog.
Iedereen is wel eens een keer iets kwijt en moet alles op z’n kop zetten om het terug te vinden.
Verhalen uit het leven gegrepen.
Een herder die een van zijn honderd schapen kwijt is en een vrouw die een van haar tien geldstukken kwijt is.
Allebei gaan ze op zoek, en allebei vinden ze het terug, heel herkenbaar. En ook heel herkenbaar, dat moment van blijdschap: Yes, ik heb het teruggevonden!
preek25aug 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


In het verhaal is het aanleiding voor koffie met gebak. De herder, en ook die vrouw van dat muntstuk, allebei zijn ze zo in hun sas dat ze vrienden en buren uitnodigen: Deel in mijn vreugde, want wat ik kwijt was, heb ik weer gevonden.
Toch zitten er vreemde elementen in deze op het eerste gezicht herkenbare verhaaltjes.
Is het niet vreemd om 99 schapen achter te laten, om die ene te zoeken?
Daar kun je natuurlijk van alles bij verzinnen, dat ze veilig in de schaapskooi zaten bijv., maar dat vertelt het verhaal niet.
Misschien is het wel gewoon midden in het veld. Is het wel verantwoord wat die herder doet? Is het bedrijfsmatig niet veel gangbaarder om dan je verlies te nemen? 1%. Jammer maar ook niet meer dan dat. Bedrijfsrisico. Afschrijven.
Is het vanuit dat oogpunt niet volstrekt onverantwoord om alleen voor die ene die 99 andere op het spel te zetten? In onze wereld van statistiek en kansberekening zouden wij waarschijnlijk een andere keus maken.
En is dat feestje na afloop niet wat overdreven? Misschien heeft dat die vrouw wel meer gekost dan dat ene muntstuk waard was.
Het zijn ook niet zomaar verhaaltjes, het zijn gelijkenissen van Jezus, verhalen die iets duidelijk willen maken, die aansluiten bij onze werkelijkheid,
maar ook altijd een ongewoon element in zich hebben, een nieuwe werkelijkheid openen.
Zo ook hier.
Jezus vertelt in Lucas 15 drie gelijkenissen, twee korte, die we vanmorgen gelezen hebben, en een langere, die volgende week aan de beurt is, de gelijkenis van de verloren zoon.
Die drie gelijkenissen horen bij elkaar. Dezelfde thematiek.
Er is iets kwijtgeraakt, en gelukkig, dat komt terug.
En alle drie keren eindigt het met grote vreugde!
Dat terugvinden van wat verloren is, is reden tot feest.
We zien opbouw: 1 van de 100, 1 van de 10, 1 van de 2.
In de eerste twee verhalen is het de eigenaar die al zijn energie steekt in het zoeken,
in de derde gelijkenis is het de verloren zoon zelf die de stap terug moet zetten.
Zijn vader staat hem met open armen op te wachten, maar zoeken doet die vader niet.
Zo komen verschillende elementen naar boven.
Dat in al die gelijkenissen de persoon die iets kwijt is in eerste instantie God is, ligt voor de hand. God die mensen zoekt, juist mensen die verloren zijn geraakt.
Tegelijk laat de gelijkenis van volgende week, die van de verloren zoon, een ander accent horen: het is ook aan de mens zelf om op zoek te gaan naar daar waar hij vandaan komt, naar de bron van het leven, naar God. Onze rol is niet alleen maar passief.
En alle drie gelijkenissen lopen dus uit op die vreugde. Dat is een verbindend element.
Het is ook belangrijk om te kijken in welke context deze gelijkenissen staan. We zien dan twee groepen mensen die niet zo makkelijk samengaan, zo lijkt het.
Tollenaars en zondaars – en farizeeën en schriftgeleerden.
Die tollenaars en zondaars komen naar Jezus toe om naar hem te luisteren. Dat zijn misschien ook wel de mensen die zich zullen herkennen in dat verloren schaap – zij horen er niet bij –, in dat verloren muntstuk, in die verloren zoon.
Tot hun verrassing horen ze dat er iemand is, dat God zo is, die niets anders wil dan dat zij er bij horen, en dat dat een enorme vreugde bij God opwekt, en dat hij niets anders wil dan dat andere mensen in die vreugde delen. Dat is de ene groep: tollenaars en zondaars.
Maar er is ook die andere groep die, zo lijkt het wel, het tegenbeeld is van de situatie aan het eind van de gelijkenissen, die situatie van vreugde en feest.
Zij zeggen morrend (!) tegen elkaar: Die man ontvangt zondaars en eet met hen. Je hoort de walging en de afkeuring erin doorklinken.
Die man, die vent, die papt maar een beetje aan met die lui daar. In hun ogen betekent dat dat hij niet deugt.
Jezus zit met Farizeeën en schriftgeleerden aan tafel. Dat hoorden we vorige week, maar hij zit ook met tollenaars en zondaars aan tafel. De farizeeën en schriftgeleerden kunnen dat niet rijmen met elkaar.
Maar deze drie gelijkenissen, zeker de laatste, die van de verloren zoon, zijn één grote uitnodiging om dat wel te doen.
Jezus vindt het heerlijk om met alle mensen aan tafel te zitten. En in de hemel is er meer vreugde over één zondaar die tot inkeer komt dan over 99 rechtvaardigen.
Gód vindt het heerlijk om met alle mensen verbinding te zoeken, om met hen aan tafel te zitten. Nooit zal hij iemand afschrijven.
Als we straks het avondmaal vieren, laten we dan daaraan denken, dat God blijer is met die vreemde snuiter die misschien wel voor het eerst meedoet, dan met al die brave kerkmensen die al veel vaker meegedaan hebben, en dat God ons dan uitnodigt om niet als de oudste zoon uit de gelijkenis daar een ontevreden, miskend gevoel van te krijgen,
maar om mee te gaan in die vreugde van God.
Laat je ergernis varen en geef je over aan de vreugde!
Voor God is het feest pas compleet als wie verloren was, er weer bij kan zijn! Laat je blij maken door wat God blij maakt.
preek25aug 4

 

 

 

 

 

 

 


Dit is een heel oud beeld, begin vierde eeuw.
Drieënhalf jaar geleden was het te zien in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Er was daar toen een tentoonstelling over de droom van keizer Constantijn. Een mooie tentoonstelling. Met veel trotse beelden.
En ook dit beeld. Prachtig beeld, dat we allemaal zullen herkennen.
Van de herder, de goede herder, die het verloren schaap op zijn schouders neemt en terugbrengt, het veilig thuis brengt.
Constantijn, de eerste christelijke keizer, dat zou zomaar kunnen.
Maar toen las ik daar dat dit helemaal geen christelijk beeld hoeft te zijn. Het zou kunnen, maar zeker is het niet.
Het is namelijk een beeld dat in de Romeinse wereld van toen veel breder gebruikt werd.
Het werd bijv. nog wel eens gebruikt bij een graf, niet alleen bij een christelijk graf.
Blijkbaar is dit een beeld dat veel mensen aanspreekt, juist ook bij de dood, de hoop dat er iets/iemand zal zijn die jou op zijn schouders neemt, die je dragen zal, die je veilig thuis zal brengen. Een hoop die blijkbaar veel breder is dan het christelijk geloof alleen.
Ik moet denken aan dat overbekende lied, een bewerking van Psalm 23, dat nogal eens gekozen wordt bij een uitvaart: De Heer is mijn herder… hij zal mij geleiden naar grazige weiden, hij voert mij al zachtkens aan waatren der rust.
Ontroerend mooi, God die ons dragen zal, ook over de grens van de dood heen.
Het is wel een van de eerste beelden die de kerk ging gebruiken voor Jezus. Eerst waren er helemaal geen beelden. Vanaf de derde/vierde eeuw zien we dan dit beeld komen, niet expliciet christelijk, maar het kreeg wel steeds meer en meer die betekenis.
Het is het beeld van de eerste gelijkenis van vandaag.
Wat doet het met ons? Dat is een vraag die we onszelf kunnen stellen.
Als ik voor mezelf spreek, dan roept het in de eerste plaats iets op van vertrouwen. Hij draagt ons leven dag aan dag.
Te midden van al die trotse beelden daar bij die tentoonstelling in Amsterdam riep het ook iets op van barmhartigheid en zachtmoedigheid.
Een tegengeluid in de harde werkelijkheid van alledag waar eigenbelang nogal eens voorop staat.
En, zeker in het licht van de gelijkenissen van vanmorgen, roept het de vraag bij mij wakker hoe herderlijk wij zelf in het leven staan, hoe herderlijk ik in het leven sta. Hoe zie ik om naar mensen om mij heen? Naar dat wat zomaar verloren kan gaan?
Wie zijn wij kwijtgeraakt? Ervaren we dat als een probleem?
Want dat is denk ik ook iets dat in dat beeld van de herder zit: ook wij worden geroepen om zo in het leven te staan, om om te zien naar de mensen om ons heen, om oog te krijgen voor die mensen die uit het oog raken. Zodat ook zij weer verbonden zullen raken, verbonden met de bron, verbonden met God. Dan pas zal voor God de puzzel compleet zijn.
“Deel in mijn vreugde, want ik heb … gevonden die ik kwijt was.”
De hemel viert feest als er één verloren ziel teruggevonden is. Dan bestellen de engelen: koffie met gebak.

Sorry geen dienst-18aug-EBK

Zondagmorgen 18 augustus 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok
Lezingen: Jesaja 25: 6-9 en Lucas 14: 15-24

preek-20190818-1.jpgHet Bijbelgedeelte van vanmorgen, die gelijkenis van Jezus, roept bij mij verschillende gedachten op.
Allereerst: wat doet een uitnodiging met mensen?
Wat doet dat met degene die uitgenodigd wordt?
En wat doet dat met degene die de uitnodigingen verstuurd heeft?
Gaan mensen op de uitnodiging in of niet?
Meestal vinden mensen het leuk om een uitnodiging te krijgen voor een feest.
Die ander heeft aan jou gedacht (!) en jij mag erbij zijn bij dat feest, meedoen. Prachtig toch!
Is zo’n uitnodiging vrijblijvend?
Soms kan het wel als een verplichting voelen als je uitgenodigd wordt bij een ver familielid met wie je eigenlijk nauwelijks contact hebt. Niet zo veel zin, in maar je kunt het eigenlijk niet maken om niet te gaan.
Is zo’n uitnodiging voor een feestje vrijblijvend?
Echt verplicht is het meestal niet, maar geheel vrijblijvend nu ook weer niet.
Als je geen gehoor geeft aan de uitnodiging dan doet dat ook wat, zeker met degene die de uitnodiging verstuurd heeft, en dat doet ook wat met de relatie tussen degene die de uitnodigingen verstuurd heeft en degene die uitgenodigd is.
Toen wij een paar jaar geleden 25 jaar getrouwd waren, hebben we een feestje gegeven. Uitnodigingen verstuurd. Op een bepaald moment de mensen die nog niet gereageerd hadden nagebeld, om te weten op hoeveel mensen we konden rekenen.
Kreeg ik een oude jeugdvriend aan de lijn die aangaf dat hij besloten had om niet te komen. We hebben elkaar te lang niet gezien. Dat was zijn argument.
Dat voelt vreemd, en dat doet iets met de relatie.
Weet wat je doet als je zo’n uitnodiging naast je neerlegt.
Iets dergelijks proef ik in de gelijkenis van vanmorgen.
De woorden van God, de woorden van Jezus, de woorden van de Bijbel zijn als een soort uitnodiging, een uitnodiging om mee te doen aan een feest, Gods feest: een feestmaal voor alle mensen.
Dat is natuurlijk beeldspraak, beeldspraak die Martin Luther King gebruikte in zijn beroemde rede op 28 augustus 1963: I have a dream.
“Ik heb een droom dat op een dag … de zonen van voormalige slaven en de zonen van voormalige slavenhouders in staat zullen zijn samen aan te schuiven aan een tafel van verbondenheid… Ik heb een droom dat mijn kinderen op een dag zullen leven in een land waar zij niet beoordeeld zullen worden op hun huidskleur, maar naar wie ze zijn. Ik heb een droom vandaag.”
Beeldspraak, maar die beeldspraak maakt heel goed duidelijk waar het om gaat,
beeldspraak die ook uitgebeeld wordt als we met elkaar het avondmaal vieren.
Een uitnodiging voor het avondmaal is in feite een uitnodiging om je daarvoor in te zetten, voor zo’n wereld, waar mensen van allerlei pluimage samen aan tafel gaan, en tegenstellingen overwonnen worden,
in naam van hem die ons daarin in Gods naam is voorgegaan, Jezus, in zijn Geest.
Een uitnodiging om daaraan mee te doen.
Het is niet verplicht, maar het is ook niet vrijblijvend.
Het lijkt erop dat Jezus met deze gelijkenis de mensen van dat laatste wil doordringen.
Het speelt zich allemaal af bij een vooraanstaande Farizeeër thuis. Jezus was daar uitgenodigd voor een maaltijd. Er is wat discussie.
Jezus doet dan vlak vóór het gedeelte van vandaag de oproep om, als je een maaltijd organiseert of een feestmaal, niet direct te denken aan je vrienden en je familie of je rijke
buren als gasten, maar aan armen, kreupelen, verlamden en blinden, mensen die anders moeten aankloppen bij de sociale dienst of bij de voedselbank.
Dan begint het Bijbelgedeelte van vandaag met de reactie van een van de aanwezigen: “Gelukkig wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God.” Op díe uitspraak reageert Jezus met de gelijkenis.
Wat bedoelt die persoon? Bedoelt die zoiets als: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw? Wat zal het mooi zijn op die dag, eens, ooit?
Het lijkt er op dat Jezus ageert tegen die mensen daar aan tafel, die vooraanstaande Farizeeër met zijn vrienden, die er eigenlijk vanzelfsprekend vanuit gaan dat zij als stipte godsdienstige mensen het goed doen en dat zij ook deelnemers zijn en zullen zijn bij dat feest van God. Maar dat is nog maar de vraag.
Misschien zijn ze wel godsdienstig en meelevend kerklid, maar als je heel eerlijk bent, doen ze wel wat God van hen vraagt?
Ontbreekt misschien de liefde voor de medemens die anders is?
Geven ze wel gehoor aan de uitnodiging om zich daarvoor in te zetten?
Dan vertelt Jezus de gelijkenis.
Iemand wil een gróót feestmaal geven en nodigt véél gasten uit.
Het wordt al snel duidelijk dat het in deze gelijkenis gaat over God die mensen uitnodigt om van de partij te zijn.
Dan gaat er in de gelijkenis wat tijd overheen en komt het moment: Kom, want alles is klaar.
Je zou verwachten dat de mensen toestromen.
Maar nee, bizar, de een na de ander zegt af. Sorry.
De een heeft net een stuk land gekocht,
een tweede heeft vijf span ossen gekocht, een nieuwe productielijn,
een derde is net getrouwd en heeft het te druk daarmee.
Het zijn andere verplichtingen die voorgaan.
Of zijn het verplichtingen die mensen zichzelf opleggen, zoveel dingen om te doen die we belangrijk vinden, dat die uitnodiging die God stuurt geen gehoor vindt?
Sorry, geen dienst. Ik verbaas me er elke keer weer over als dat op een bus of een tram zie staan. Vroeger stond er dan gewoon: Geen dienst.
Sorry als een nietszeggend woord.
“Sorry seems to be the hardest word”.
Als je het echt serieus neemt, is dat inderdaad waar, als je het echt serieus neemt wat je fout gedaan hebt of wat je een ander aangedaan hebt.
Maar sorry is een makkelijk en veelgebruikt woord geworden in onze samenleving, een sorry cultuur.
Als er weer eens een keertje iets niet goed gegaan is, in de politiek, op het werk, in de kerk, op school, waar dan ook.
Even sorry zeggen, en klaar, je hoeft verder geen verantwoordelijkheid meer te nemen.
Volgens mij is dat het, dat mensen door het makkelijk sorry zeggen verantwoordelijkheid van zich afschuiven. Sorry, ik kan er eigenlijk ook niks aan doen.
Soms bij voorbaat sorry zeggen, zoals op die bus.
Er is niks fout aan een bus die geen dienst heeft.
Zo kan sorry zomaar een nietszeggend woord worden en vooral aangeven dat mensen hun schouders ophalen en soms wat al te gemakkelijk verantwoordelijkheid wegschuiven.
Natuurlijk moet ik dan ook denken aan onze zoektocht naar nieuwe vrijwilligers voor alles wat er gedaan wordt in de kerk.
En gelukkig, we hebben een hele grote groep vrijwilligers die zich inzetten,
en er zijn weer nieuwe mensen die zich willen gaan inzetten,
maar ook heel vaak is de reactie op de uitnodiging om mee te doen: Sorry, maar… vul zelf maar aan wat voor reden daarvoor gegeven wordt.
Het kan heel terecht zijn als mensen nee zeggen. Maar of dat altijd zo is vraag ik me af.
Zo’n uitnodiging. Het is niet verplicht. Maar het is ook niet vrijblijvend. En het doet ook wat met mensen om ja te horen, en ook om nee te horen.
Wie iets wil met de kerk, van de kerk, met de zaak waar het in de kerk om gaat, wordt ook gevraagd verantwoordelijkheid te nemen!
Geloof vraagt verantwoordelijkheid, tegenover God, tegenover elkaar, tegenover je medemens.
Misschien dat het daaraan wel ontbrak bij de mensen met wie Jezus daar aan tafel zat.
Je hoort bij de kerk, bij God, en daarmee klaar!?
Nee, daarmee begint het pas. Tot uw dienst!
Wanneer?

preek-20190818-2.jpgHet juiste moment, soms is dat nu.
We worden uitgenodigd om niet met de handen in de zakken aan de kant te gaan staan.
De drie tegenwerpingen die in de gelijkenis genoemd worden zijn dingen die we vaker in het Lucasevangelie tegenkomen.
We kunnen zo in beslag genomen worden door wat we hebben, ons bezit, dat dat ons belemmert om ons ook nog te focussen op de inhoud die vanuit de Bijbel naar ons toekomt.
Ik heb net een stuk land gekocht. Dat is nou even mijn prioriteit.
We kunnen zo druk zijn met ons werk en onze vrije tijd, met alles waarvan we vinden dat we dat moeten doen, dat er geen ruimte overblijft voor de stem die naar ons toekomt
en ons uitnodigt.
Nee, geen gaatje meer in de agenda.
En het derde dat we bij Lucas vaker tegenkomen is dat de binding aan familie, vrienden, partner, ook een belemmering kan zijn.
Dat is ook de gedachte achter het celibaat, dat als je je niet bindt aan een aardse partner, je je meer zou binden aan de hemelse partner, aan God.
Daar is misschien wat voor te zeggen, maar ook wel wat op af te dingen.
Maar de achterliggende vraag is steeds: door wie en door wat laat je je leven bepalen?
Hoeveel ruimte heb je voor en geef je aan de uitnodiging die naar je toekomt? Dat is de boodschap die ik in deze gelijkenis hoor. Niet verplicht, maar ook niet vrijblijvend.
preek-20190818-3.jpgIn de gelijkenis zien we de focus van de gastheer verschuiven naar de armen en kreupelen en blinden en verlamden. En nog is er plek.
Ga buiten de stad, buiten de veilige stadsmuren en nodig iedereen uit.

preek-20190818-4.jpgIk moest hieraan denken. Een prachtig beeld. Kortgeleden in het nieuws. Tegelijk ook weer heel schrijnend.
Trump wil een muur bouwen tussen de Verenigde staten en Mexico, om mensen uit het zuiden tegen te houden, maar hier heeft een ontwerper bij de grens tussen de VS en Mexico een installatie geplaatst waar mensen van beide zijden van de grens met elkaar kunnen wipwappen, zodat er contact kan ontstaan, mensen elkaar kunnen aankijken.

Ook hieraan moest ik denken. Vorig jaar hier in het Atrium van de Ontmoetingskerk op initiatief van Vluchtelingwerk en de Raad van kerken een ontmoeting: een maaltijd met mensen uit Eritrea.preek-20190818-5.jpgDe gelijkenis eindigt met die beweging dat iedereen, ook over grenzen heen, wordt uitgenodigd, mensen die nooit verwacht hadden een uitnodiging te krijgen.
Daarmee eindigt de gelijkenis.
We lezen niet hoe zij reageren.
Daarmee heeft deze gelijkenis een open eind.
Dat betekent dat het antwoord aan de lezer, aan de hoorder is, aan ons dus.
Dan nog een uitsmijter van Jezus: Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.
Ook al dacht je van wel: er zijn geen gereserveerde plaatsen.
Zo hoor ik deze gelijkenis als een uitnodiging. Het antwoord is aan ons.

 

Doen en leven-11aug-CWvdM

Overdenking op 11 augustus 2019
Lezingen: Deuteronomium 6: 4-9 en Lukas 10: 25-37 (hoofdlezing)
Thema: Doen en leven

Gemeente van Jezus Christus,

In het eerste vers van het evangeliegedeelte, dat Erik heeft voorgelezen, staat volgens mij een behoorlijke tegenstrijdigheid. Al haal je dat er in de vertaling niet zo één, twee drie uit. Er lijkt alleen een duidelijke, zij het moeilijke vraag te klinken. Wat moet ik doen, vraagt een wetgeleerde aan Jezus, om deel te krijgen aan het eeuwige leven? We zijn er natuurlijk niet zomaar achter wat die wetgeleerde daarmee bedoelt: eeuwig leven. Misschien bedoelt hij: hoe kom ik in de hemel – maar dan stellen we alles dat met eeuwig leven te maken heeft uit tot na de dood. Ook in ons leven hier, vandaag, kunnen we dingen ervaren die ons leven eeuwigheidswaarde geven, geloof ik. Iedere ervaring die ons dichter bij God brengt kan ons leven een diepere zin en betekenis geven waar de tand van de tijd niet aan kan knagen. Maar ja, dat gaat vast niet vanzelf. Wat moet je allemaal doen om daar deel aan te krijgen?
Als je het zo leest – wat voor de hand ligt, omdat het zo vertaald wordt – dan lijkt het of het allemaal een kwestie van verdienen is. Je moet er van alles voor doen. Veel bijbellezen. Iedere dag mediteren. Een lange lijst met goede doelen steunen. Geen kerkdienst overslaan. Ik noem maar wat zaken uit het dikke boek met religieuze plichten. De lijst is nog lang niet compleet, natuurlijk. Daarom stelt die wetgeleerde deze vraag ook aan Jezus. Het goede antwoord is niet te geven. De lijst is te lang. En daar kun je een ander dan over aanvallen. Dan krijg je het soort gesprekken waar kerkscheuringen door ontstaan zijn. Dat is in ieder geval de bedoeling van de wetgeleerde. Hij wil Jezus met zijn vraag op de proef stellen, vertelt Lukas.
Maar in zijn vraag zit, zoals ik al zei, een tegenstrijdigheid, die in de vertaling verloren dreigt te gaan. De wetgeleerde vraagt niet hoe hij deel kan krijgen aan het eeuwige leven. Hij vraagt hoe hij er erfgenaam van kan worden. En erven is heel iets anders dan verwerven, lijkt me. Erven heeft met verdienen niets te maken. Mensen erven van een ander omdat er een liefdeband is. Je erft van je ouders, of van familie. Of omdat iemand erg op je gesteld is. Als iemand onterfd wordt is het in de regel foute boel. Dan is de relatie verstoord. In feite hoor je in dit eerste vers al waar het om gaat. Het gaat om de relatie die je met elkaar hebt. Tussen God en mensen gaat het niet in de eerste plaats om wat je doet, om het afvinken van acties op een lijst met verdienstelijke werken. Tussen God en mensen gaat het in de eerste plaats om de vraag of er liefde is. Tussen God en mensen is er geen sprake van een zakelijke transactie. Het gaat om een verbond van liefde.
Zo laat de Bijbel zich lezen, geloof ik. Dat kan niet vaak genoeg gezegd worden vanaf een kansel, naar mijn idee. Als tegenwicht tegen de angst en de gewetensdwang die door de eeuwen heen ook vaak vanaf kansels in mensenharten gezaaid is. Het gaat erom dat we de Bijbel lezen als het boek van de liefde tussen God en mensen. Dat moeten we ons bewust zijn. Daarom stelt Jezus de wetgeleerde ook een tegenvraag. Wat staat er in de wet geschreven, vraagt Jezus. En er komt een nog belangrijker vraag achteraan. En dan moeten we de vertaling weer een keer loslaten. Jezus vraagt niet: Wát lees je? Dan zou hij zijn vraag alleen maar herhalen. Jezus vraagt: Hóé lees je? Hoe begrijp je wat daar staat. Hoe pas je dat toe in je leven?
De wetgeleerde laat zien dat hij weet wát er staat. Hij kan de woorden uit het hoofd opzeggen. Maar dat zegt nog weinig over de vraag hoe hij het leest. Dat doet me denken aan een verhaal van de cabaretier Fons Jansen. Die in één van z’n programma’s vertelde hoe de kloosterzusters, die les gaven op de school waar hij als kind zat, in verlegenheid gebracht werden. De zusters hadden de kinderen geleerd wat de werken van barmhartigheid waren. Eén van die werken was het bevrijden van de gevangenen. En de leerlingen brachten dat in de praktijk. Waarop de politie op school verscheen. En de zusters zeiden geschrokken: we hebben niet gezegd dat ze het moesten doen, we hebben alleen gezegd dat ze het uit hun hoofd moesten leren. Hoe lees je? Lees je het zo dat je er wat mee doet? God liefhebben, met hart en ziel, met al je kracht en verstand, en je naaste liefhebben als jezelf – doet dat wat me je? Maakt dat je leven anders? Maakt dat een ander mens van je? En doe je er dan iets mee?
Doe dat en je zult leven, zegt Jezus. Maar de wetgeleerde was niet van plan om een richting voor zijn leven gewezen te krijgen. Hij wilde juist voor elkaar krijgen dat Jezus de richting kwijt raakte. Dus komt hij weer met een vraag. Een vraag die misschien wel nog moeilijker is. Als je je naaste moet liefhebben als jezelf – wie is dan mijn naaste?
Uit die vraag blijkt nogmaals dat de wetgeleerde vooral bezig is met de vraag wat hij moet doen. Voor wie moet ik me allemaal inzetten? Voor familie, voor buren? Voor mensen van de kerk? Voor mensen die hun eten bij de voedselbank halen? Voor arme mensen dichtbij? Of voor arme mensen ver weg? Van die laatste groep zijn er nog veel meer. Hoeveel acceptgirokaarten moet een mens invullen? Wanneer is het genoeg? Wanneer je het geloof op die manier benadert is het nooit genoeg. Dan is er geen afdoende antwoord op de vraag: wie is mijn naaste?
Maar het antwoord van Jezus gaat voorbij aan alle kuilen die hij probeert te graven. Het antwoord van Jezus opent de ware dimensie van het geloof in God. Jezus maakt geen lijstjes met religieuze verplichtingen. Jezus vertelt een verhaal. Een gelijkenis. Een gelijkenis die ons laat zien hoe bevrijdend en grensoverschrijdend liefde kan zijn. Een gelijkenis die ons laat zien hoe liefde het leven eeuwigheidswaarde kan geven.
Een man is op weg van Jeruzalem naar Jericho door rovers kaalgeplukt en halfdood geslagen. Hij ligt langs de kant van de weg dood te gaan. Er en komen mensen langs van wie je zou verwachten dat ze hem als naaste zouden zien, en helpen. Het zijn volksgenoten. Kinderen van Abraham, net als hij. En ook nog eens mensen met een religieuze functie. Een priester en een leviet. Ze weten wat er in de wet staat. Maar ze doen er niets mee. Er zijn dingen in hun leven die zwaarder wegen dan liefde. Angst, afkeer, eigenliefde. Het kan van alles zijn. Maar er is geen liefde. Er is geen band die sterker is dan de dood. Dus lopen ze voorbij aan de mens die dood ligt te gaan.
En dan komt er iemand voorbij met wie helemaal geen band lijkt te zijn. Een Samaritaanse man. Joden en Samaritanen – ze konden elkaar niet luchten of zien. Als Joodse mensen vanuit Galilea op weg gingen naar Jeruzalem, om daar het Paasfeest te vieren, maakten ze liever een omweg door het land aan de overkant van de Jordaan dan dat ze de kortste weg namen, dwars door het land van de Samaritanen. Alles wat mensen vandaag de dag soms aan lelijks over moslims weten te zeggen werd in die tijd door Joden over Samaritanen gezegd. En andersom, natuurlijk. Dus dat Jezus in zijn gelijkenis een Samaritaan ten tonele voert, dat is in Joodse oren een regelrechte provocatie.
Maar des te duidelijker maakt Jezus op die manier waar het in het leven echt om gaat. Wat ons leven eeuwigheidswaarde geeft. Het gaat er niet om wat je bent als mens. Jood of Samaritaan, christen of moslim, zwart of blank, hetero of homo rijk of arm – het gaat er om of je liefde voor een ander voelt. En dat is wat we in de gelijkenis, die Jezus vertelt, horen. De Samaritaanse man ziet iemand liggen die slachtoffer is. En het raakt hem van binnen. Hij voelt met hem mee. Hij heeft medelijden. En hij zorgt voor hem. Het draait in deze gelijkenis om liefde. Liefde die alle grenzen doorbreekt. Liefde die nergens voor terugdeinst. Liefde die mensen verbindt met elkaar. En met God – maar dat ervaren we vaak pas achteraf, als we zien hoe rijk liefde ons leven heeft gemaakt.
Nog iets anders leert deze gelijkenis ons. Wie is mijn naaste? We denken dan altijd maar dat we moeten uitkijken naar iemand die ons nodig heeft. Iemand die arm is, die honger heeft, die verdriet heeft. Maar let op hoe het evangeliegedeelte eindigt. Jezus vraagt de wetgeleerde: wie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers? Het woord Samaritaan kan de wetgeleerde niet uit z’n mond krijgen. De man die medelijden met hem heeft getoond, zegt hij. Wie is de naaste? Niet degene die hulp heeft gekregen, maar degene die hulp heeft geboden. Het Evangelie leert ons dat de liefde wederkerig is. Het gaat niet alleen om liefde die wij geven. Het gaat ook om liefde die wij durven ontvangen. Het klinkt natuurlijk heel stoer om te zeggen: Ik heb geen ander nodig. Mijn vraag zou dan zijn: wat kom je dan zoeken in de kerk? Wij hebben juist om te beginnen een ander nodig. Wij hebben om te beginnen dé Ander nodig. Wij hebben God nodig, die ons in Jezus tegemoet komt en ons leven vult met liefde. Liefde die wij aan elkaar mogen doorgeven. Met hart en ziel, met al onze kracht en al ons verstand. Ik hoop dat we het Evangelie zo verstaan. En dat we het doen en leven. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.