Bijzonder vriendelijk- Oecumenische viering Adrianuskerk- 19 januari 2020

Overdenking op 19 januari 2019 – Oecumenische viering Adrianuskerk
Lezingen: Handelingen 27: 18-44; 28: 1-2, 7-10 (hoofdlezing); Mattheus 5: 43-48.
Thema: Bijzonder vriendelijk
Gemeente van Jezus Christus,
Zou Paulus bang geweest zijn, in de storm waar het verhaal ons over vertelt? Wat denkt u? We horen er weinig van in het verhaal dat is voorgelezen. Mooi verhaal. Spannend verhaal. Je kan er zo een film van maken. Maar dat is niet de bedoeling bij een Bijbelverhaal. Als je naar een film kijkt blijf je toeschouwer. Je staat er bij en je kijkt er naar. Een Bijbelverhaal vraagt meer van ons. Een Bijbelverhaal houdt ons een spiegel voor en leert ons op een bijzondere manier naar ons eigen leven te kijken. Als we kijken naar de rol die Paulus speelt in dit verhaal, samen met die 275 andere mensen aan boord van dat schip, gebeukt door een storm, dient zich onvermijdelijk de vraag aan naar de rol die wij in ons eigen leven spelen, de storm die soms door ons leven kan jagen.
We moeten daarom niet aan de buitenkant van het verhaal blijven hangen. Het gaat er om dat we proberen te begrijpen wat er door de mensen in dit verhaal heengaat. Zodat we beter gaan begrijpen wat er soms door ons heengaat. Daarom begon ik met de vraag of Paulus bang geweest zou zijn. Dat kan haast niet anders, zou je zeggen. Aan boord van een schip dat dagenlang over zee zwalkt, voortgedreven door een vliegende storm, zakt de moed je wel eens in de schoenen. We lezen het ook in het verhaal dat door Lukas, de reisgenoot van Paulus, is geschreven: …zodat we tenslotte elke hoop op redding verloren, schrijft Lukas. ‘We’, daar hoort Paulus bij.
Maar dit verhaal is niet alleen een verhaal over angst. Het is ook een verhaal over vertrouwen. Er is geen beter medicijn tegen angst dan vertrouwen. En we horen hoe Paulus dat medicijn ontvangt. Hij krijgt bezoek van een engel die hem oproept om niet bang te zijn. God staat garant voor zijn leven en dat van alle opvarenden die bij hem op het schip zijn. Nou zult u misschien denken: dat is makkelijk, ik wou dat er bij mij ook eens een engel op bezoek kwam. Maar misschien staan wij wel dichter bij Paulus dan we denken. Paulus werd namelijk in de nacht bezocht door een engel van God, vertelt Lukas. Dat betekent dat hij een droom heeft gehad, of een ingeving. Die hebben wij ook wel eens. Maar durven we daar gehoor aan te geven? Durven we net als Paulus de innerlijke stem te volgen die ons oproept om ons vertrouwen sterker te laten zijn dan onze angst?
Ik probeer een voorbeeld te geven. Er zijn steeds meer mensen die angstige gedachten hebben over de klimaatverandering. De aarde kreunt onder de last van al onze consumptiedrift. Dat kan niet goed gaan, denken steeds meer mensen. Ze liggen er wakker van. En me dunkt dat alle milieuproblemen een stevige storm veroorzaken waar we met z’n allen in zitten. Maar tegelijk zijn er zoveel mensen die bereid blijken om op een andere manier te gaan leven, zodat de aarde minder belast wordt. Waarom zou die beweging stoppen? Ik hoor een innerlijke stem zeggen dat we met z’n allen op tijd het roer om zullen gooien en kiezen voor een manier van leven die de deur voor toekomstige generaties niet op slot gooit. Ik voel mij in dat vertrouwen gesteund door ieder bericht over mensen die in hun huizen, in hun buurten, in hun dorpen voor een bewustere manier van leven kiezen. Is dat net zoiets als een engel die bij je op bezoek komt om je moed in te spreken? Misschien wel.
Vertrouwen geeft je leven in ieder geval meer kracht dan angst. Dat zie je aan wat Paulus zegt en doet. Hij geeft de mensen om zich heen niet alleen nieuwe moed. Hij werpt ook een dam op tegen het egoïsme dat de angst in mensen oproept. Want de bemanning van het schip wil de boel stiekem in de steek laten. Ze hopen het vege lijf te redden in de sloep. Als zij het er maar levend van af brengen. Dan mag de rest het uitzoeken. Maar zonder de zeelieden zijn de passagiers aan hun lot overgelaten. En door zijn vertrouwen houdt Paulus zijn verstand bij elkaar. Hij schakelt de Romeinse officier en diens soldaten in om het egoïsme aan boord te beteugelen. Ze kappen de touwen van de sloep, die zonder bemanning het ruime sop kiest. Samen uit, samen thuis. De zeelieden worden als het ware gedwongen tot solidariteit. Dat is een mooi voorbeeld voor onze regering, wanneer ze proberen te bedenken hoe ze rijke en machtige bedrijven kunnen laten meebetalen aan de opbouw van ons land, in plaats van de belasting te ontduiken om hun miljarden te stallen in belastingparadijzen.
Delen maakt het leven zoveel mooier. Dat zien we aan boord van het schip gebeuren. Midden in de storm. Paulus raadt iedereen aan iets te eten. Met een lege maag is het moeilijk om op redding te hopen. Daarom geeft Paulus het voorbeeld. Hij neemt een stuk brood, dankt God in aanwezigheid van allen, breekt het brood en begint te eten. Het is alsof hij midden in de storm voorgaat in een Heilig Avondmaal. Hij vertrouwt op redding door God en laat anderen daarin meedelen. En iedereen krijgt er een brok van in de keel. Ze krijgen moed, ook zij gaan eten.
Vertrouwen werkt aanstekelijk, blijkbaar. En dat is maar goed ook, want angst kan altijd weer de kop opsteken. Als het licht is komt er land in zicht. Het schip komt op een zandbank vast te zitten, dicht bij het strand. En de soldaten slaat de schrik om het hart. Stel je voor dat er gevangenen ontsnappen, zwemmend. Dan worden zij daarvoor verantwoordelijk gesteld. Ze steken de gevangenen maar liever overhoop dan ze te laten vluchten. Maar hun officier verijdelt dat plan. Hij roept de angst van zijn soldaten een halt toe. Hij heeft gezien dat vertrouwen kracht geeft, en hij zorgt ervoor dat iedereen behouden aan wal komt.
En daar wacht hun een verrassing. Want ze treffen er mensen die hen bijzonder vriendelijk ontvangen. Dat hadden ze vast niet verwacht. In de vertaling staat het heel netjes: de plaatselijke bevolking. Maar in het Grieks staat er iets heel anders, een woord dat ik niet hoef te vertalen: ze worden op het vasteland ontvangen door barbaren. Mensen met een andere taal en andere gewoonten dan wat algemeen beschaafd werd gevonden werden zo genoemd. Van zulke mensen werd weinig goeds verwacht. De meeste mensen waren daar een beetje bang voor. Maar angst blijkt al te vaak niet gegrond. De barbaren blijken buitengewoon vriendelijk. De barbaren zorgen voor een warme ontvangst. En Paulus doet niet voor hen onder. Hij brengt troost en verlichting overal waar mensen ziek zijn. Wie goed doet, goed ontmoet. Maar om goed te zijn voor elkaar heb je vertrouwen nodig. Als je angst hebt voor elkaar kun je niet voor elkaar zorgen.
Het is in onze samenleving heel gewoon om over elkaar te praten in plaats van met elkaar. Het is heel gewoon om angst te hebben voor andere groepen in de bevolking en gevangen te blijven in vooroordelen. In dit verhaal horen we dat het anders kan. Mensen kunnen buitengewoon vriendelijk voor anderen zijn. En dat is een voorbeeld dat we mogen volgen. Zo staat het ook in het Evangelie. Als we kinderen van de Vader in de hemel willen zijn moeten we ons niet opsluiten in ons eigen kringetje. Dan moeten we niet onderworpen zijn aan angst. In de Bijbel worden we opgeroepen onze kracht te zoeken in vertrouwen. Dat stelt ons in staat om iets buitengewoons te doen. Om buitengewoon vriendelijk te zijn voor mensen die aanspoelen op de kust van ons leven. Als de barbaren ons daarin voorgaan, dan kunnen de kinderen van de Vader in de hemel niet achterblijven. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

 

Vernieuwing-22dec-CWvdM

Overdenking op 22 december 2019 - Ontmoetingskerk Naaldwijk - Vierde Advent

Lezingen: 2 Koningen 22: 1-2. 11-13; 23: 1-3. 25 (hoofdlezing); Johannes 7: 18-24

Thema: Vernieuwing

 

Gemeente van Jezus Christus,

Er wordt wel gezegd dat religie meer en meer uit beeld raakt in onze samenleving en cultuur. Dat is voor mij nog maar de vraag. Als je om je heen kijkt zie je meer reli-gieuze verschijnselen om je heen dan je misschien zou denken. Je ziet het bij voor-beeld in de sport. Ik weet wel dat Feijenoord in het Westland meer aanhangers heeft dan Ajax, maar dat de spelers van die laatste voetbalclub ’godenzonen‘ genoemd worden geeft toch wel te denken. Er zijn mensen die wijzen op de symboliek die je in voetbalstadions ziet: vlaggen en liederen. De manier waarop spelers worden toege-juicht. Er zijn mensen die het voetbalstadion de moderne kathedraal noemen. Dat lijkt me wat overdreven, maar er zitten zeker religieuze kantjes aan de plek die sport in onze cultuur heeft.
Er is ook heel veel heilig geloof in onze cultuur. Er is bij voorbeeld het heilige geloof in de groei. Er is een wijdverbreid geloof dat we alleen kunnen voortbestaan wanneer onze economie groeit. Economen lijken soms wel op priesters die ons bezwerend voorhouden dat we met z’n allen ten onder gaan als het bruto nationaal product niet langer stijgt. Ze hebben het alleen maar over vermenigvuldigen, zelden over delen. We worden niet langer richting het altaar, maar richting de etalage gedreven. Of, voor wie online aan het shoppen slaat: de tablet.
Er is ook groot vertrouwen in onze samenleving. Dat wil zeggen: een groot vertrou-wen op macht. We vertrouwen dat het goed komt wanneer we maar zorgen dat we sterker zijn dan de ander. Die macht wordt gebruikt om het gelijk van de eigen groep af te dwingen. Dat betekent dat anderen worden gewantrouwd. Er is heel weinig ver-trouwen in de samenleving in die zin dat we elkaar nog durven te vertrouwen. Van de religie, die we naar mijn idee om ons heen zien, wordt het leven dan ook niet veel be-ter. Integendeel. Het drijft mensen uit elkaar en maakt ons wantrouwig en ongelukkig.
Beetje kort door de bocht wat ik allemaal zeg? Misschien, kunnen we het onder de koffie over hebben. Het doet me in ieder geval denken aan het onderscheid dat een Zwitserse theoloog ooit maakte. Die theoloog heette Karl Barth, en in de jaren zestig en zeventig was hij erg bekend. Zijn visie op geloof en kerk was gestempeld door wat er gebeurd is in de eerste helft van de twintigste eeuw in Europa. Hij zag wat er ge-beurde in met name Duitsland: een door en door religieuze natie waar binnen een halve eeuw twee keer de barbarij de overhand kreeg. Wat is religie dan nog waard? Niets, vond hij. Religie is een gevaar. Religie is een samenraapsel van opgefokte emo-ties die mensen op een dwaalspoor brengt richting een onmenselijke samenleving.
Daar stelde hij iets anders tegenover: geloof. Geloof is iets heel anders dan religie. Religie is franje, geloof is een diep doorleefde overtuiging die je manier van leven be-paald. Religie is een misbaksel van vrome poespas, door mensen gemaakt. Geloof is een manier van leven waarbij je je laat gezeggen: God heeft het eerste en het laatste woord. De Bijbel staat in dat geloof centraal.
Met die gedachten komen we als vanzelf terecht bij het verhaal over koning Josia, waar we vanmorgen naar luisteren. Eigenlijk zouden we heel hoofdstuk 22 en 23 moeten lezen om het verhaal recht te doen, maar dan wordt de koffie koud. Gelukkig horen we in het eerste vers dat Sjoukje gelezen heeft meteen al iets veelzeggends: Josia was acht jaar oud toen hij koning werd. Een klein kind wordt als een poppetje op de troon gezet temidden van een spel om de macht. In een land dat door en door verziekt is. Een land waar op elke heuvel een heiligdom was gebouwd maar waar te-gelijkertijd uitbuiting en corruptie welig tierden. De grootvader van Josia, Manasse, die maar liefst vijfenvijftig jaar geregeerd heeft in Jeruzalem, had zelfs een heiligdom laten bouwen waar kinderoffers werden gebracht om de gunst van de goden af te smeken. Josia’s vader, Amon, leek datzelfde spoor te gaan volgen. Maar hij kreeg niet veel tijd, want hij werd vermoord door een kliek op macht beluste hovelingen.
Dan komt er een beweging op in het volk van Jeruzalem. Ze zijn de machtsspelletjes aan het hof meer dan zat. De hofkliek wordt opzij geschoven en ze zetten Josia op de troon. Nog maar acht jaar oud. Wat moet een kind in het leven met zo'n geestelijke erfenis, zou je denken. Maar één van de moed gevende dingen in dit bijbelgedeelte is, vind ik, dat een mens er blijkbaar niet toe veroordeeld is om, oog in oog met de puin-hopen van het verleden, bij de pakken neer te gaan zitten. Integendeel. Josia wil weer opbouwen. Hij geeft bevel om de tempel, die zwaar in verval is, weer te repareren. Een groot karwei, dat hij andere mensen toevertrouwt. Ook dat is al bijzonder, vind ik. Dat iemand, die is opgegroeid in een klimaat van wantrouwen en angst, zo expliciet zijn vertrouwen in andere mensen durft uit te spreken.
En zijn vertrouwen wordt niet beschaamd. Al staat hem wel een grote schok te wach-ten. Want je bent er niet wanneer alleen de buitenkant gerestaureerd wordt. Ook de binnenkant van het leven moet onderhouden worden. Ook de binnenkant van ons le-ven kan zwaar in verval zijn. En hoe ernstig dat verval is hoort Josia wanneer hem de boekrol wordt voorgelezen met de tekst van de wet van God. Geen wetboek van strafrecht, maar de tekst die in het Hebreeuws 'tora' wordt genoemd. Letterlijk bete-kent dat zoiets als 'waar je van leren kunt', of 'wat je de weg wijst'.
Het zijn de woorden uit de boeken van Mozes. De boeken waarin het volk geopen-baard wordt hoe leven samenleven kan worden, hoe je kunt leven in vrijheid en tege-lijk verbonden kunt zijn met de ander. Daar was in Jeruzalem al heel lang niets meer van te merken geweest. De boekrol met de wet van God lag dik onder het stof. De mensen wisten nauwelijks meer dat die boekrol bestond. En wanneer Josia de woor-den uit die boekrol krijgt voorgelezen beseft hij hoe groot de puinhoop is in Jeruzalem. Dat niet alleen het gebouw van de tempel in verval is, maar dat de hele manier van leven zwaar vervallen is en om verbetering en vernieuwing schreeuwt.
Dat is in eerste instantie een schokkende ervaring. De koning scheurt zijn kleren. Dat is een teken van groot verdriet en rouw. Maar het blijft in de bijbel niet bij tranen van verdriet. Wie het verhaal van Josia verder leest ziet dat tranen van verdriet ook tra-nen van vreugde en dankbaarheid kunnen worden. Want Josia heeft niet alleen de puinhopen gezien. Hij ziet ook een nieuwe weg voor zich. Een weg die het hele volk kan gaan. In het vervolg lees je hoe Josia, samen met het volk, alle sporen van afgo-dendienst uit het land wegruimt. En hij doet dat niet op een gewelddadige manier. Maar op een zuiverende manier. Er komt een nieuwe mentaliteit in het land. Mensen leven vanuit een vernieuwd besef van verbondenheid. Verbondenheid met God en met elkaar.
Die ervaring wordt ons, geloof ik, meegedeeld in dit verhaal. Een ervaring waarin wij, wie weet, mee kunnen delen. Al ga ik u natuurlijk niet hier, vanaf deze kansel, even meedelen hoe dat zit, in uw leven. Dat moet het onderwerp zijn van het gesprek dat we met elkaar voeren, het gesprek over geloof en leven. Wat ik er hier over zeg is hooguit een aanzet voor dat gesprek. Het gesprek over wat ons kan schokken. Over de weg van verbondenheid die ons in het Woord van God wordt voorgehouden. En hoe ver weg dat staat van de vervreemding die in onze samenleving soms lijkt te heer-sen. De vervreemding van elkaar. De vervreemding van de natuur, die het leven draagt en die we met elkaar dreigen te vernietigen. De vervreemding die ontstaat door hebzucht, heerszucht en behoudzucht.
We moeten kritisch kijken naar wat we doen hier in de kerk. Belijden we met elkaar een diep doorleefde overtuiging, die doorwerkt in ons leven, of kwasten we ’s zondags alleen een laagje religieuze vernis bij dat over ons leven ligt? Dat is de kritiek die doorklinkt in het verhaal dat is voorgelezen uit het Evangelie naar Johannes. Jezus wijst de Joodse leiders er op dat de wet van Mozes voor hen niet meer is dan een lijst regeltjes, waar mensen zich aan moeten houden. Het gaat alleen om de buitenkant. Ze worden er geen andere, geen nieuwe mensen van. Want als er iemand door Jezus helemaal nieuw, helemaal gezond wordt gemaakt, staan ze op hun achterste benen. Want dat werd op de rustdag gedaan, op sabbat. De leer staat bij hen boven het le-ven. De menselijkheid gaat gebukt onder het dogma.
Ik ben blij dat we naar Kerst toe leven. Want wanneer we dat feest vieren dringt het licht door dat het duister van valse religie en onmenselijkheid doorbreekt. Het feest van Kerst laat zien dat het licht van de liefde onstuitbaar is. We mogen dat ieder jaar weer ontdekken. Zoals Josia het boek van Gods liefde ontdekte en het leven zuiverde. Zo zal de ontdekking van Gods liefde in het kind Jezus ons de ogen openen en ons leven in een zuiver licht plaatsen. Ik hoop dat we zo mogen toeleven naar het feest van Kerst. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Rejoice! - 15 december 2019- ds. Eibert Kok

Rejoice!

Zondag 15 december 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: 2 Samuël 7: 4-19 en Lucas 1: 31-33

preek 15 dec 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afgelopen donderdag waren de verkiezingen voor het Britse parlement.
Vrijdagmorgen las ik de uitslag. De partij van Boris Johnson had een absolute meerderheid in het Lagerhuis behaald, ruim meer dan de helft van de zetels.
Zijn Brexitplan kan zonder steun van andere partijen worden uitgevoerd. Een klinkende overwinning. Toen kwam ik vrijdag deze tegen: Rejoice! Boris gaat voor een verpletterende overwinning.
In het Nederlands zeggen we dan: verpletterende nederlaag, voor de andere partij, maar het effect is hetzelfde: de een verplettert de ander. De een heeft de macht, en de ander heeft niks meer te vertellen. Deze voorkant van de Daily Mail trok mijn aandacht.
Rejoice, Wees blij! Het kan bijna geen toeval zijn: Het is de naam van deze zondag, deze derde zondag van Advent. Wees blij!
En waarom blij zijn?
Nou, dan moeten we kijken naar de Bijbeltekst waar deze zondag naar genoemd is, een fragment uit de brief van de apostel aan de Filippenzen.
Hij zegt daar dat wij verwachten onze redder, de Heer Jezus Christus. En omdat we geloven en vertrouwen dat hij komt met zijn heerschappij, zijn leiderschap – daar waar Jezus voor stond zal werkelijkheid worden, dat rijk van vrede komt, met Jezus als onze gids, onze leidsman, onze leider – daarom is er alle reden tot blijdschap: Wees blij, rejoice!
Dat zet de toon voor de derde zondag van Advent: die heer, die koning, die leider verwachten wij, door wie alles anders wordt, met hem begint een nieuwe werkelijkheid.
Als ik er zo over nadenk, vind ik dit bijna godslasterlijk, alsof met de verkiezingen van donderdag een nieuwe werkelijkheid begonnen is, nu deze schreeuwer – met in mijn ogen alleen maar lege retoriek en niets constructiefs – de macht in handen gekregen heeft. Niet iemand, naar mijn indruk, die mensen verbindt, maar eerder iemand die mensen tegen elkaar uitspeelt. Alsof hij een soort messias is.
Toen hij zich ook nog presenteerde met deze slogan “The People’s Government”, De regering van het volk, dacht ik: waar zijn we beland?
Meestal zijn leiders die heel hard roepen dat ze de wil van het volk vertegenwoordigen voor al heel erg met zichzelf bezig.
Wat is goed leiderschap?
Wie is er nu eigenlijk voor wie?
Is hij er voor het volk, of is het volk er voor hem?
Het zijn vragen die ook spelen in het Bijbelgedeelte van vandaag.
In de lijn van voorouders van Jezus staan we vandaag stil bij de persoon van David, koning David.
Ook bij hem merken we dat, als je macht krijgt, er allerlei krachten aan je gaan trekken, dat het niet vanzelfsprekend is dat je op het goede spoor blijft, dat je soms gecorrigeerd moet worden.
Dat is, denk ik, ook het bijzondere aan koning David in de Bijbel. Niet dat hij niet de mist in gaat, want dat gaat het meerdere keren, en soms ook flink de mist in, met misschien wel als dieptepunt de moord op Uria, de man van Batseba. Het bijzonder aan koning David is dat hij bereid is zich te laten corrigeren. Zo ook in het Bijbelgedeelte van vandaag.
In het Bijbelboek 2 Samuël wordt verteld dat David koning wordt, dat hij een hoofdstad sticht, dat hij de ark naar Jeruzalem brengt. En dat in die hoofdstad Jeruzalem een passend huis voor hemzelf gebouwd wordt, een paleis.
Als je het echt gemaakt hebt, laat je dat zien.
En een koning, een groot leider, woont in een paleis.
Zo heeft David ook een passend huis voor zich laten bouwen.
Weliswaar met hulp uit het buitenland, want paleizen kende men in Israël nog niet zo goed.
Het is een heidens karwei om zo’n koninklijk paleis te bouwen.
Zo vertelt de Bijbel het verhaal. De collega-koning van Tyrus helpt een handje met bouwmaterialen en ambachtslieden. Zij bouwen het huis voor koning David.
Hij is niet langer een opkomende ster, maar een gevestigde macht. One of the guys.
En David past zich snel aan aan wat lijkt te horen bij groot leiderschap. Nog meer vrouwen en bijvrouwen. En een prachtig paleis, vol allure. De mensen kijken hun ogen uit.
Zo’n paleis vergroot natuurlijk wel de afstand tussen jou als leider en het gewone volk,
voor wie je het allemaal doet. Toch?
Jij bent er toch voor het volk. Of is het volk er voor jou?
Word je zo niet onbereikbaar, hoog daar op je troon?
Koning David krijgt een nieuw plan, hij lijkt zichzelf onsterfelijk te willen maken, want hij wil meer.
Net als bij de koningen om hem heen: Hij wil een huis maken voor God, een paleis, daar waar God kan wonen in pracht en praal.
De ark van God in een tent, dat is het te laag, te volks.
Hij legt het plan voor aan de profeet Natan en die is gelijk enthousiast.
Maar dan komen we bij het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben.
“Het woord van de Heer geschiedde tot Natan…”
Het is de tegenstem die gaat klinken, zoals we zo vaak in de Bijbel de tegenstem horen, de stem die ingaat tegen de stroom, de tegenstem die een halt toeroept aan macht, pracht en praal, macht, pracht en praal die mensen niet bij elkaar brengt, maar afstand schept.
“Dit zegt de HEER: Wil jij, David, voor mij een huis bouwen om in te wonen? Ik heb toch nooit in een huis gewoond…”
Dat vind ik mooi. God woont niet in een huis of in een paleis, niet in een tempel, een kerk of een kathedraal, zelfs niet als dat bouwwerk de naam Sint Pieter draagt.
God trekt met mensen mee en woont daar waar mensen hem binnenlaten, waar zijn woorden landen, waar mensen met hem meetrekken en zijn liefde werkelijkheid wordt.
God is niet ver weg, op afstand, op een troon, in een paleis, maar dichtbij, onder ons. Immanuel, God met ons, onder het volk, hij trekt met ons mensen mee. Ik vind dat een prachtige gedachte.
Later bouwt Davids zoon Salomo toch een tempel, een huis voor God, maar het boek Samuël moet daar eigenlijk niet zo veel van hebben, net zoals het niet zo veel moet hebben eigenlijk van het koningschap.
Waarom wil je een koning? Jullie hebben God toch als je koning, als je leider! Met een koning gaat het bijna altijd mis. Dat is zo ongeveer de inzet.
Maar áls je dan een koning wilt, dan is David met al zijn missers, misschien nog wel degene die in de buurt komt van wat goed leiderschap moet zijn. Allereerst iemand die bereid is zich te laten corrigeren, te luisteren naar de tegenstem, niet alleen naar al die ja-
stemmers en jaknikkers, maar ook te luisteren naar de tegenstem.
Bij David komt die tegenstem van de kant van de profeet Natan, die vervolgens dan in naam van de Heer spreekt over goed leiderschap.
preek 15dec 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een goede leider is als een goede herder, die oog en hart heeft voor zijn schapen, die met ze meetrekt, die zijn kudde niet tegen elkaar opzet, maar zijn kudde bij elkaar houdt.
David is zijn carrière begonnen als herder, zoals vele leiders van Israël: een goede leerschool. Natan verwijst ernaar.
“Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk Israël te leiden. Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam…”
Dan zegt Natan dat God het is die hem, David, heeft groot gemaakt. En dan, en dat vind ik ook weer een heel bijzonder zinnetje: “De HEER zegt je dat hij voor jou een huis zal bouwen.” De beweging wordt omgekeerd.
Wij mensen willen iets voor God doen, een plek maken waar hij kan wonen, een huis, een tempel, waarin we hem misschien wel willen vasthouden, opsluiten,
maar de beweging is andersom: God is er voor ons. Hij maakt ons leven mogelijk, bouwt voor ons een huis, een plek om te wonen, te schuilen, te leven.
Afhankelijkheid hoor ik hierin, durven leven in afhankelijkheid, uit dat wat je geschonken wordt, het leven als een geschenk aanvaarden, een geschenk van God.
In dit hoofdstuk verwijst het naar het koningshuis dat Israël gegeven wordt als een geschenk,
dat koningshuis van David zal altijd voortbestaan. Dat is de belofte. “Je koningshuis zal eeuwig voortbestaan en je troon nooit wankelen”, horen we Natan zeggen.
Dat koningshuis heeft ook lang voortbestaan, meer dan vier eeuwen, ook al was het na David en Salomo niet meer zo groots en machtig.
Altijd is er in Israël de hoop en de verwachting blijven bestaan dat er een nieuwe telg uit het geslacht van David zou opstaan, een nieuwe leider, die vrede brengen zou.
Wat voor iemand zou dat zijn? Daarover vinden we verschillende gedachten. Eén daarvan is deze: iemand die zijn volk zal leiden als een herder, die zich helemaal geeft voor zijn schapen. In het hoofdstuk van vandaag vinden we die gedachte terug.
preek 15 dec 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ander beeld dat opkomt uit het lied dat we na de preek zullen zingen is het beeld van het riet, een lied dat Jaap Zijlstra gemaakt heeft bij Jesaja 42, ook een gedeelte dat toegepast is op Jezus.
Wanneer ben je een goede leider? Jesaja zegt dan:
“Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het openbaar;
het geknakte riet breekt hij niet af,
de kwijnende vlam zal hij niet doven.
Het recht zal hij zuiver doen kennen.”
Prachtig. Een goede leider maait niet wilt in het rond met een grote mond.
Een goede leider maakt niet stuk wat al kwetsbaar en gebroken is. Geen verpletterende overwinning of nederlaag.
De ander wordt niet verpletterd of gebroken, maar wat gebroken is, krijgt alle aandacht, zodat er misschien iets geheeld kan worden.
Heiland is niet voor niets het woord dat in de loop van de geschiedenis voor Jezus gebruikt is. Het gaat niet om verpletteren, maar om heel maken.
Een leider is er voor het volk, niet het volk voor de leider.
Niet op afstand op een troon in een paleis, maar onder de mensen.
Dat is in de verhalen van de Bijbel leiderschap, koningschap dat de toekomst heeft.
preek 15dec 4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Heer zegt je dat hij voor jou een huis zal bouwen.
De Hebreeuwse letter Beth. Beth betekent huis.
Beth is de letter waarmee de Bijbel begint.
Dat is het huis dat God voor mensen bouwt
Grond onder onze voeten.
Een steun in de rug – Hebreeuws lees je van rechts naar links.
Een dak boven ons hoofd.
En hij houdt de toekomst open.
Zo wil God voor mensen zijn, als een huis,
zo wil God onder mensen zijn, Immanuel, God met ons.
Rejoice!

 

Explosief- 17 november 2019- Ds. Eibert Kok

Explosief

Zondagmorgen 17 november, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: De brief aan Filemon

preek 17okt 1

Eén van de leuke dingen van een doopviering voor mij als predikant is het voorgesprek, het gesprek met de ouders over de vraag: Waarom laat je je kind dopen?
Soms komen dan antwoorden van de verschillende ouders die in elkaars verlengde liggen, soms komen er ook heel verschillende antwoorden.
Zo ook deze keer.
Jezus was natuurlijk een revolutionair, zei een van de ouders, belangrijk om dat te weten en ook om door te geven. Uiteindelijk gaat het om omzien naar elkaar. Het gaat om normen en waarden, reageerde een ander. Dat is de basis die ik wil meegeven. En gemeenschap vind ik dan heel belangrijk. Die vorm je samen met elkaar. Nou, zei een weer een ander, voor mij gaat het om houvast. Dat je weet dat er altijd iemand is bij wie je terecht kunt, die zich over je ontfermt. Waarop een volgende aanvulde: Het gaat om een manier van leven die je wilt doorgeven.
Revolutionair, omzien naar elkaar, normen en waarden, houvast, een manier van leven, het zijn allemaal elementen die samenkomen in de brief aan Filemon.
Het is een van de kleinste Bijbelboekjes, ik heb er nooit eerder over gepreekt, maar ik was verrast door de revolutionaire, explosieve kracht van deze korte brief van de apostel Paulus.
Hierboven een fragment uit een grotere striptekening waarin helder wordt uitgelegd wat de inhoud van deze brief is. Op internet is een filmpje te zien waarin de weg door deze strip gevolgd wordt: https://www.youtube.com/watch?v=aW9Q3Jt6Yvk&fbclid=IwAR3BKIDZOKj7hG_Is0qCa_1IRvvjco1gNJDBKQHM8mLr8z3zO3-C62_uT4Q.

Het is omstreeks het jaar 55 na Christus.
Paulus zit in de gevangenis. Waarschijnlijk in Efeze in het huidige Turkije. Dat is aan de westkust, een beetje tegenover het eiland Samos.
Hij zit in de gevangenis vanwege de boodschap die hij verkondigt. De vrijheid van meningsuiting was beperkt.
Hij schrijft aan een zekere Filemon. Die woonde in Kollosse, zo’n 200 km oostwaarts Turkije in.
Filemon was een welgesteld volgeling van Jezus in Kolosse. Bij hem aan huis kwam een gemeente bijeen, een gemeenschap, een huisgemeente, zoals er in die tijd in heel dat gebied veel meer waren: kerkjes-aan-huis van zo’n dertig, veertig mensen.
Deze Filemon had een jonge slaaf – slavernij was in die tijd heel gewoon -, Onesimus, maar die jongen is weggelopen of weggevlucht, omdat hij Filemon benadeeld heeft. Hij heeft iets uitgevreten. Geld gestolen misschien?
Paulus zegt dat Onesimus bij Filemon in de schuld staat.
Dat betekende dat Filemon, de baas, het recht had om zijn slaaf Onesimus te straffen, af te ranselen of wat dan ook.
Onesimus vluchtte naar Efeze en kwam daar op de een of andere manier in contact met Paulus.
Paulus zit in de gevangenis, maar het lijkt er op dat daar in de gevangenis ook een soort gemeenschap is van gelovigen die af en toe contact hebben met elkaar.
Het kan zomaar zijn dat die Onesimus gevangen gezet is als gevluchte slaaf.
Of misschien bezoekt hij Paulus in de gevangenis, is hij door iemand in dienst genomen om Paulus van eten en drinken te voorzien. We weten het niet precies.
Maar Onesimus is tot geloof gekomen, volgeling van Jezus geworden. Paulus heeft goed contact met hem.
In dat contact komt ook het verleden ter sprake. Dat Onesimus een slaaf geweest is, dat hij iets gedaan heeft wat niet door de beugel kan, dat hij vervolgens bij zijn meester is weggelopen.
Dan komt een pijnlijk punt aan de orde.
Paulus vindt dat Onesimus moet terugkeren naar zijn meester, of misschien wil Onesimus dat zelf wel, als slaaf naar zijn heer, als schuldige naar degene die hij schade heeft berokkend, naar Filemon. Dat moet weer goedgemaakt worden.
Als volgeling van Jezus kan Onesimus onmogelijk met een leugen door het leven gaan. Hij wil schoon schip maken. Dit kan niet aan hem blijven hangen.
Maar ja, wat zullen de gevolgen zijn?
Hoe zal zijn heer hem ontvangen? Slaat hem slaag te wachten – zo ging dat in die tijd? Komt hij daar nog een keer in een donker hok achter slot en grendel?
Paulus besluit Onesimus een brief mee te geven, waarin hij Filemon vraagt zijn slaaf weer in genade aan te nemen.
Dat is tricky, want je kunt niet van tevoren inschatten hoe Filemon zal reageren.
Hoe pakt Paulus dat aan?
Nou, hij begint met dat wat ze samen delen, de gemeenschappelijke basis, de normen en waarden waaruit ze allebei willen leven vanuit hun verbondenheid met Jezus.
Hij schrijft: ik hoor vaak over ‘de liefde en trouw, die je de Heer Jezus en alle heiligen toedraagt’.
Liefde, trouw…, naar Jezus toe, naar alle heiligen toe, d.w.z. naar alle gelovigen toe.
Wat Filemon nog niet weet is dat Onesimus nu ook een gelovige is geworden.
Paulus vervolgt: Ik vraag je om een gunst, het gaat om Onesimus, jouw slaaf. Hij is bij mij terecht gekomen. Ik heb me over hem ontfermd. Hij is me dierbaar geworden als een kind van mij. Ik stuur hem naar je terug, al zou ik hem graag bij me houden, want hij heeft hier in de gevangenis goed voor me gezorgd.
Ik geef hem aan je terug. Besef wel, Filemon, dat jij je slaaf op een geheel nieuwe voet terugkrijgt: niet meer als slaaf, maar als een broeder! Wil je hem daarom verwelkomen alsof ik het was…
Heel tricky wat Paulus doet. En tegelijk maakt het exact duidelijk waar het in het christelijk geloof om gaat.
Paulus zegt over Onesimus: ‘Hij is tijdens mijn gevangenschap mijn kind geworden’.
Dat is hele andere taal dan mijn slaaf.
Niet slaaf, maar kind, mijn kind. En jij, Filemon, benader hem niet als je slaaf, maar als je broeder, je broer.
Met een kind, met een broer ga je anders om dan met een slaaf.
Een kind, een broer heeft andere rechten dan een slaaf.
Onesimus heet die slaaf. Je schrikt als je weet wat dat betekent: bruikbaar betekent dat.
Alsof het om een werktuig gaat, een ding dat op jouw bevel moet doen wat jij vindt dat die moet doen.
Geen mens wordt gelukkig als die in een rol wordt geduwd van iets wat die moet doen of moet zijn, geen mens komt tot zijn recht als die niet mag zijn wat zou moeten zijn: broer, zus, kind, kind van God.
Een mens is geen ding, maar een mens, die mag zijn als een broer, als een kind.
Ergens wordt hier een bom gelegd onder heel de sociale verhoudingen van die tijd.
Zo is de jonge christenheid met het instituut van de slavernij omgegaan. De slavernij afschaffen was in die tijd geen optie, de hele economie draaide op de arbeid van slaven.
Maar in de gemeente van Jezus wordt de slavernij van binnen uitgehold, doordat vrijen en slaven als gelijken met elkaar omgaan. Dan ben je echt bruikbaar, nuttig voor elkaar.
Accepteer elkaar zoals Jezus ons mensen accepteert, kijk naar elkaar zoals God naar ons mensen kijkt, met ogen van liefde.
preek 17okt 2En het allerbelangrijkste: handel daarnaar! Laat jouw manier van leven zo zijn dat dat wat je gelooft, dat wat je ontvangt in je geloof, niet daar binnen blijft zitten, maar naar buiten komt.
Pas als geloof handen en voeten krijgt, als die normen en waarden zich vertalen in een manier van leven waarbij weer contact gemaakt wordt met de ander,
dan wordt het spannend, tricky misschien wel om te geloven.
preek 17okt 3Dat vraagt je om uit je comfortzone te komen,
om zoals God zijn hand uitsteekt naar ons, zelf ook de hand uit te steken naar de ander.
Bij mensen lijkt het bijna onuitroeibaar om, als een ander iets verkeerd gedaan heeft, hem of haar dat te blijven nadragen. Eens een dief altijd een dief.
Toen heb je me belazerd, ik vertrouw je nooit meer.
Zo gaat God niet met mensen om, en in het verlengde daarvan is het dat Paulus aan Filemon vraagt om zijn gewezen slaaf in de ogen te kijken als broer. Revolutionair!
We weten niet hoe het afgelopen is.
Dat is vaak zo met een tekst met een open einde: dat laat de vraag aan ons: wat doen wij met slavernij? Wat doen wij met mensen die in een rol geduwd worden waarin ze klem zitten, waarin ze gekleineerd worden, waarin ze niet als mens behandel worden, maar als ding, als een nummer, als een productiemiddel, alleen maar goed om geld te verdienen voor een ander?
Paulus staat daartegenop. Vanuit de liefde die hij in Jezus heeft leren kennen. Hij springt in de bres voor die ene die als vluchteling zijn heil zocht in Efeze.
Misschien is er wel iemand voor wie jij in de bres kunt springen. Tricky misschien, spannend, maar vaak de moeite waard.
Opstaan tegen slavernij, in wat voor vorm ook, die mensen kleineert, opstaan tegen seksisme, tegen racisme!
Als je mensen in hokjes stopt worden ze onbruikbaar, een ding, een nummer, een massa,
als je mensen in de ogen kijkt als een broer, als een zus, als kinderen van die ene hemelse vader,
met de ogen vol liefde van onze hemels vader dan ontstaat er gemeenschap,

preek-20191117-4.jpgdan kan er in muren van beton
een opening ontstaan,
een glimp van een nieuwe werkelijkheid.