Weeskind-2jun-EBK

Zondag 2 juni 2019, Atriumdienst, ds. Eibert Kok

Vandaag is een beetje een rare zondag, een zondag overal tussenin, het weeskind, zo wordt deze zondag wel genoemd.
Afgelopen donderdag was het Hemelvaartsdag, Jezus opgevaren naar de hemel, Jezus is weg, uit het zicht, verdwenen. Volgende week zondag is het pas Pinksteren, het feest van de uitstorting van de heilige Geest, op een nieuwe manier zal Jezus present zijn.
Maar vandaag, daar tussenin, zo’n rare zondag, een zondag die mij een wat onbestemd gevoel geeft. Het weeskind.
Die naam voor deze zondag, zondag weeskind of weeskinderen, is ontleend aan het Johannesevangelie, waarin we een lange redevoering van Jezus tegenkomen die gesitueerd is vlak voordat Jezus gevangen genomen zou worden. Afscheidswoorden zijn het.
We gaan dus even terug in de tijd.
We horen daar allerlei instructies uit de mond van Jezus voor de tijd die komt, de tijd dat hij er niet meer zal zijn.
Bij herhaling zegt hij daar: Ik kom terug, ik zal jullie niet als weeskinderen achterlaten.
Dus op deze gekke zondag – Hemelvaart net geweest, Jezus is er niet meer, de Geest is nog niet uitgestort, Pinksteren moet nog komen – zondag weeskind, grijpen we terug op woorden van Jezus die hij ooit als instructie, als een soort handleiding aan zijn leerlingen meegaf, en ook natuurlijk om hen een hart onder de riem te steken: ik zal jullie níet als wezen achterlaten. Niet!
Weeskind.
Als we even stilstaan bij dat woord dan weten we allemaal wat het betekent.
Het is natuurlijk een beeld dat gebruikt wordt – want de leerlingen zijn geen kinderen van Jezus.
Maar wat het wil aanduiden is volstrekt helder.
Op een bepaalde manier is er een innige verbondenheid,
en die wordt door het afscheid van Jezus verbroken.
Dat laat een enorme leegte achter.
Verweesd blijven ze achter.
In die leegte groeit het verlangen, de hunkering naar contact, naar die verbinding die er was en er nu niet meer is,
verlangen naar dat wat die ander voor jou betekende, intens verlangen naar gekend worden, naar verbinding, verbondenheid.
Dat is misschien wel de grondtoon van deze zondag, aangeduid met dat ene woord ‘weeskind’.
Het verwoordt het gemis van, en het verlangen naar: verbondenheid, gekend worden,
verlangen naar iemand die je liefheeft, onvoorwaardelijk, die je bij wijze van spreken omarmt, bij wie je mag zijn wie je bent. Erkenning, warmte, liefde, verbondenheid.
Afgelopen dagen zaten deze gedachten in mijn hoofd, en toen was ik vrijdag in Amsterdam bij het TranScreen festival.
Dat is een filmfestival met allemaal films waarin transgenders een rol spelen. Transgenders, je bent als man geboren, maar je ontdekt bij jezelf: ik ben geen man, of je bent als vrouw geboren, maar je ontdekt: ik ben geen vrouw.
Ik was daar omdat mijn dochter in de organisatie zit van dat festival. Daar is ze ooit via een stage ingerold. Daarom was ik uitgenodigd.
Na de filmvertoning waar ik bij was, was er een panel met drie jonge mensen, twintigers, drie verschillende verhalen.
Een had op een bepaald moment ontdekt dat hij in het verkeerde lichaam geboren was en in de middelbare schooltijd had die een transitie ondergaan.
Een ander voelde zich geen vrouw, maar ook geen man. en zou het liefst x in het paspoort hebben staan.
Het was ontroerend om te horen hoe zij de periode beleefd hadden toen ze ermee voor de dag kwamen, hoe ze soms bang geweest waren om verbondenheid met mensen om hen heen te verliezen, hoe ze soms ook vrienden verloren hadden, maar ook hoe er mensen waren geweest die hen wel omarmt hadden, of waren blijven omarmen, bij wie ze mochten zijn wie ze waren.
Toen ik die verhalen hoorde, realiseerde ik me weer hoe oneindig belangrijk het is voor een mens om gekend te zijn, om je gekend te weten, verbonden, omarmd, aanvaard,
en hoe verweesd, leeg je je kunt voelen als dat er niet is, als verbondenheid verbroken wordt.
Je voelen als een weeskind: leegte, gemis,
en verlangen naar niets anders dan je gekend weten, erkend, gezien.
Dat raakt aan de thematiek van deze zondag. Mensen moeten niet als ‘weeskinderen’ achtergelaten worden, maar zich gezien en gekend weten.
In het Bijbelgedeelte van vandaag gaat het ook over zien en niet zien, kennen en niet kennen, en in het verlengde daarvan over gezien worden en gekend worden.
“Ik zal de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven. Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug. Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar jullie zullen mij wel zien.”
Dat kennen en dat zien gaat hier verder dan kennen in de zin van ‘o die en die, ja die ken ik geloof ik wel’, verder dan zien met je ogen,
het gaat hier over kennen en gekend worden, zien en gezien worden, het gaat over verbondenheid, die er altijd zal blijven. Ik laat jullie níet als wezen achter.
Deze zondag is de zondag van de blijvende verbondenheid met hem, die ons in doen en laten, in woorden en werken de liefde van God liet zien, die mensen zag en doorzag en aanvaardde, mensen wisten zich door hem gezien, door hem gekend, en in geloof mogen we hem zien en kennen, en door hem God die de bron van ons leven is.
“Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons nooit alleen.
Wat wij in hem bezaten is altijd om ons heen
als zonlicht om de bloemen een moeder om haar kind.
Teveel om op te noemen zijn wij door hem bemind.”
Mooier dan dit lied kan ik het niet te zeggen.
Het is liefde waar het om draait.
De evangelielezing van vanmorgen begint en eindigt daar ook mee,
niet alleen de liefde die van God uit naar ons toe komt,
maar ook de liefde van ons uit de andere kant op.
‘Als je mij liefhebt…’ daarmee begint het bijbelgedeelte, ‘houd je dan aan mijn geboden.’
Liefde uit zich in een bepaalde manier van leven, hier weergegeven met de woorden ‘mijn geboden’.
Mijn geboden, welke zijn dat? Zou Jezus daarmee hier misschien bedoelen: mijn aanwijzingen, mijn levensrichting, mijn levensstijl?
In het hoofdstuk hiervoor gebruikt Jezus het woord ‘gebod’ ook, dat is misschien wel verhelderend: ‘Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief.’
‘Als je mij liefhebt…’ daarmee begint dus het evangelie van vanmorgen, ‘houd je dan aan mijn geboden.’
En het eindigt ermee:
‘Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen…’
Het is een heen en weer van die kracht van de liefde.
Zó is Jezus aanwezig, in de kracht van Gods liefde.
Met dat Jezus niet meer lijfelijk op aarde aanwezig is, zal hij er op een andere manier zijn.
In het bijbelgedeelte horen we Jezus zeggen:
‘Ik zal de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid.’
Pleitbezorger, zo vertaalt de NBV.
Parakleet, staat daar letterlijk in de tekst.
In de vorige vertaling stond er dan: voorspraak.
En de oude Statenvertaling vertaalde dat woord met: trooster.
Jezus lijfelijke aanwezigheid wordt afgelost door een Parakleet (letterlijk) die altijd en overal bij je zal zijn.
Wat betekent dat woord?
Letterlijk betekent het: iemand die erbij geroepen wordt, die te hulp geroepen wordt.
De Parakleet geeft bijstand, is pleitbezorger voor wie er zelf niet uitkomt.
De vertaling ‘trooster’ zoals die in Statenvertaling staat, hebben we te danken aan Luther die 500 jaar geleden de bijbel in het Duits vertaalde.
Het Duitse Trost (verwant aan het Engelse trust) had toen nog volop de betekenis van: bijstand, helper, kracht geven.
Later ging het woord ‘troosten’ veel minder een actieve handeling aanduiden en kreeg het meer de betekenis die wij eraan geven, meer een emotionele lading.
Dat is dus de kracht van de Geest, dat die mensen bijstaat, helpt, kracht geeft.
Zo is Jezus, door de kracht van zijn Geest, zo is de werkelijkheid van Jezus present onder mensen, daar waar mensen leven in zijn Geest, met elkaar het brood delen
“Al heeft hij ons verlaten, Hij laat ons nooit alleen.
Wat wij in Hem bezaten is altijd om ons heen.”
Als wij leven in zijn spoor.
Dat laatste element zit heel duidelijk in de lange afscheidsrede van Jezus in het Johannesevangelie.
Niets voor niets geeft hij zo’n lange instructie: het komt op de achterblijvers aan.
We weten wat ons te doen staat. Leven in zijn Geest.

Vuur-9jun-EBK

Zondagmorgen 9 juni 2019,
Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Joël 3: 1-5 en Handelingen 2: 1-14a


preek 20190609 1Vandaag vieren we het Pinksterfeest. Ik vind Pinksteren een prachtig feest. Een feest met een heerlijke, warme gloed. Vandaag is rood de kleur. Dat is niet voor niets.
Pinksteren is Pasen in het kwadraat, 7 keer 7 dagen na die 1e Paasdag de 50e Paasdag: Pinksteren.
Dat woord, Pinksteren, betekent ook vijftigste.
Maar wat is Pinksteren?
Op internet circuleren wel filmpjes waarin aan mensen op straat gevraagd wordt wat Pinksteren is,
en het is hilarisch - maar misschien ook wel een beetje droevig - wat mensen dan antwoorden.
Veel mensen weten het gewoon niet.
Ja, dat we dan een extra vrije dag hebben, en dat er Pinkpop is, en andere festivals, om deze dagen naar toe te gaan.
Hooguit een enkeling weet te vertellen dat het gaat om de ‘uitstorting van de heilige Geest’.
Maar wat is dat: uitstorting, heilige Geest?
Bij het woord ‘uitstorting’ denk ik aan een bloeduitstorting, of aan iemand die een heel verhaal over mij uitstort,
of aan een stortbui die over me heen komt, buien die ineens over je heen komen, zulke buien als gisteren, waar je in een mum van tijd doornat van wordt.
In al die gevallen komt er eigenlijk in korte tijd te veel bij je binnen, over je heen. Je kunt het niet gelijk verwerken, je moet het weer kwijt. Is dat het? Is het zo overweldigend?
Nou, in het verhaal van Pinksteren zoals dat verteld wordt in Handelingen 2 is het best wel heftig, ja: de leerlingen van Jezus helemaal in vuur en vlam, Petrus die een vurige toespraak houdt, vol enthousiasme, mensen die daarop reageren. Ja, het heeft iets overweldigends, Pinksteren.
Toch aarzel ik bij dat woord ‘uitstorting’, want een stortbui of een stortvloed over me heen vind ik helemaal niet fijn. Daar wordt ik niet beter van.
Dat woord ‘uitstorten’ komt bij de profeet Joël vandaan, uit het eerste Bijbelgedeelte dat we vandaag gelezen hebben.
Daar horen we God door de woorden van de profeet zeggen: “Ik zal mijn geest uitstorten over al wat leeft.”
Tenminste, zo staat het in de oude vertaling.
In de NBV wordt het net iets anders vertaald: “Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.” Uitgieten.
Misschien is dat wel beter.
Twee weken geleden heb ik een stukje gras gezaaid, en die grond moet je dan vochtig houden. Dan kun je mooi met de gieter daar zachtjes water over uitgieten,
je moet het water er niet uitstorten want dan gaat het mis,
nee, zachtjes uitgieten.
En inmiddels begint het al mooi te groeien, kleine sprietjes, fris groen, kwetsbaar nog.
Zonder water redden ze het niet, een stortbui zou ze kunnen verpletteren, en dat moet niet.
“Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.” Mild en weldadig. Dat is Pinksteren. Uitgieten van de geest.
Maar wat is die geest?
Nou, eigenlijk is dat niet zo heel moeilijk te snappen.
Jezus is er niet meer. Tien dagen geleden, Hemelvaartsdag. Jezus is van de aardbodem verdwenen.
Als iemand er niet meer is, dan kun je in zijn of haar geest verdergaan. Dat kennen we wel.
Noem maar wat. Moeder is er niet meer, maar we komen altijd in een bepaald weekend bij elkaar, rond haar verjaardag, want dat vond ze altijd mooi om te doen, en zo gaan wij nu in haar geest verder.
Of de oprichter van de vereniging is overleden, hij heeft een duidelijk stempel gezet, veel betekend, en wij willen als vereniging in zijn geest verdergaan.
Soms kan dat wel eens wat wegzakken. Dan is het goed als verhalen over moeder, of over de oprichter van de vereniging weer verteld worden, wat die zei, wat die deed,
dat kan je weer inspireren om in de geest van haar of hem verder te gaan, keuzes te maken, te blijven bij je uitgangspunten.
“Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.” Mijn geest, de geest van mijn liefde, mijn grenzeloze liefde, de geest die in Jezus was, die geest zal ik uitgieten over al wat leeft, over iedereen. Dat is Pinksteren!
Dat wat daar heel concreet in die ene persoon, in Jezus aanwezig was, giet ik nu uit over al wat leeft. Ieder mens mag meedoen!
Wat Jezus heeft achtergelaten bij zijn Hemelvaart is dit ene: zijn liefde,
en dat wordt uitgegoten over al wat leeft, zodat het kan gaan groeien en bloeien, zijn geest, zijn liefde!
Mensen zeggen wel eens dat Pinksteren een vaag feest is, maar eigenlijk is het heel concreet:
die geest, die liefde binnenin jou, geboren uit zijn liefde, die naar buiten komt in woorden en daden, in zijn geest. Dat laat geen mens koud. Daar word je warm van. Rood.
De warmte van Gods liefde die stromen gaat.
“Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.”
Waar je ook vandaan komt – in het Pinksterverhaal worden niet voor niets al die verschillende landen opgenoemd, heel de wereld van toen, rond de Middellandse Zee, komt voorbij –ieder mens kan die geest krijgen, een geest die mensen niet meer scheidt, maar verbindt, grenzen worden doorbroken, mensen gaan elkaar verstaan, in die geest.

In het Bijbelverhaal dat we gelezen hebben komen we verschillende beelden tegen van de geest.
Misschien wel het meest bekend is het beeld van de wind.
Ik heb gekozen voor het beeld van het vuur, ook omdat dat beeld in beide lezingen van vandaag terugkomt. Pinksteren is een feest van vuur.
Mensen worden in vuur en vlam gezet.
Toen ik op zoek was naar afbeeldingen kwam ik allerlei afbeeldingen van vuur tegen: aan vuur kun je je warmen, vuur geeft energie, vuur geeft licht in het donker,
maar de afbeelding hierboven vond ik de mooiste.
Een klein vlammetje. Een heel vuur is gelijk weer zo groot.
Een klein vlammetje kan een heel vuur ontsteken.
En het is heel klein begonnen daar in Israël, daar in Jeruzalem.
Maar mensen hebben elkaar wel aangestoken,
waardoor er een beweging is gaan groeien heel de wereld over, grenzeloos.
Of misschien moet ik het anders zeggen: ze zijn aangestoken door de Geest van God, de Geest van Jezus.
Bij henzelf van binnen is dat vuurtje gaan branden,
en dat heeft weer anderen aangestoken.
En de Geest is als olie op het vuur.
Dit vlammetje wordt gevoed door de olie in de fles.
Dat is voor mij ook Pinsteren: dat wij mogen leven uit de bron van ons bestaan, uit de liefde van God, die we hebben leren kennen in Jezus, uit die geest mogen we leven en ons laten voeden, dat mag onze inspiratie zijn.
Inspiratie, daar zit het woord spiritus, geest in.
Ik heb gekozen voor dit kleine vlammetje, omdat het in het Pinksterverhaal ook over vlammen gaat, niet over een groot vuur.
“Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten.”
Bij hen allemaal ging dat vuurtje branden.
Maar als we dan kijken naar de lezing uit Joël, dan gaat het daar wel om een groot vuur. Apocalyptische beelden: bloed en vuur en zuilen van rook. Om bang van te worden.
Zo wordt het soms uitgebeeld. Een soort einde der tijden.
Met vuur wordt dan alles vernietigd wat niet goed is, een strijd van het goede tegen het kwade, waarbij het goede overwint. Vuur heeft dan een zuiverende functie.
Maar het bijzondere vind ik dan dat dat heftige overweldigende beeld uit Joël van dat vuur in het Pinksterverhaal verandert in het aanstekelijke vuur dat daar brandt bij de leerlingen van Jezus, waardoor weer anderen aangestoken worden door dat waar Jezus voor stond, door zijn geest, door zijn liefde,
niet overweldigend en verpletterend op de manier van een stortbui, maar weldadig, warm en mild.
Dat verterende van vuur komt nog wel terug in het lied dat we zullen zingen, maar heel mooi verwoord, vind ik:
“De Geest van God is als een vuur,
als vlammen felbewogen,
verterend wat aan onrecht leeft,
een gloed vol mededogen.
Een vonk van hoop in onze nacht,
een wenkend licht dat op ons wacht,
een warmte in hart en ogen.”
En dat alles levend uit de bron die ons voedt en inspireert, die het vuur brandend houdt.
preek 20190609 2Deze wil ik nog laten zien.
Ik kwam op dit plaatje n.a.v. een ander Pinksterlied dat we eerder in de dienst gezongen hebben waarin staat: “O hemelvuur, brand ons vooruit”.
Ik zocht een plaatje bij: Niet vooruit te branden, en toen kwam ik deze tegen.
Wij hebben jaren een hond gehad, en iedereen die een hond heeft of gehad heeft kent dat wel, soms is dat beest niet vooruit te branden.
Soms is dat met mensen ook zo. Ik herken het wel bij mezelf, ik herken het in verhalen van mensen om me heen, ik herken het in het kerkenwerk. Gelukkig lang niet altijd, maar ze zijn er wel, die momenten, dat je uitgeblust bent, niet vooruit te branden, het vuur is er uit.
Daarbij vond ik dit plaatje.
En toen vond ik ook nog dat passiviteit besmettelijk is.
Als je een uitgeblust voorbeeld hebt, word je daar niet actief van, maar juist passief.
preek 20190609 3Pinksteren is daartegenover het feest van de aanstekelijkheid,
het feest van vuur, het feest dat je in beweging zet,
het feest om weer aangestoken te worden door de Geest van God, de geest van Jezus, de Geest van liefde en warmte.
preek 20190609 4Dat vraagt van mij:
openheid en ontvankelijkheid,
hier mooi verbeeld in een kleurrijke afbeelding (van Ed de Guzman).
Zeven hoofden tel ik: mooi het getal van de volheid, iedereen mag meedoen.
En op die hoofden vlammen. In vuur en vlam staan ze.
En handen zie ik, handen die zich uitstrekken, uitstrekken naar de ander, open handen.
Laat zo met Pinksteren het vuur in jezelf ontwaken.
Er is in verschillende kerken de traditie om de Paaskaars, die met Pasen nieuw en brandend de kerk is binnengebracht, en tot dan toe elke keer gebrand heeft, met Pinksteren uit te blazen,
niet om het te doven,
maar als symboliek dat dat vuur, dat licht van Christus, uitgeblazen wordt over iedereen
en bij ieder van ons gaat branden.
Het licht van Pasen is niet meer daar alleen, maar verspreidt zich over iedereen.
Dat is Pinsteren.
Laat zo met Pinksteren het vuur in jezelf ontwaken.
Zo houden we het Pinkstervuur brandend.
Kom, Schepper Geest. Opdat ons hart van liefde brandt, en wij leven vanuit de kracht die God ons geeft.

 

God reist met ons mee-19mei-CWvdM

Overdenking op 19 mei 2019
Tekst: Exodus 25: 10-22
Thema: God reist met ons mee


Gemeente van Jezus Christus,
In 1982 kwam er een film uit met de titel Raiders of the lost Ark. Het ging over een avontuurlijke archeoloog, Indiana Jones geheten, die op zoek ging naar de ark van het verbond, de heilige kist van het Joodse volk waar de stenen platen in bewaard zouden zijn met de tekst van de Tien Geboden. Die film was een gigantisch succes. Hij wordt af en toe nog herhaald op één van de vele televisiezenders waar we uit mogen kiezen. De ark wordt in die film gezien als een mysterieus voorwerp waar bijzondere krachten in schuil gaan. Aan het eind worden de slechteriken in de film door die krachten vernietigd. Eind goed, al goed.
Tegen die achtergrond lijkt het Bijbelgedeelte waar we vanmorgen naar luisteren wat bleekjes af te steken. We lezen uit het boek Exodus, waarin verteld wordt hoe het Joodse volk is bevrijd uit het slavenbestaan in Egypte en nu op weg is naar het beloofde land. Onderweg, zo wordt verteld, krijgt het Joodse volk richtlijnen mee voor een leven in vrijheid. Woorden van leven, door God geopenbaard aan Mozes, de leider van het Joodse volk. De bekendste van die woorden zijn de Tien Woorden, of Tien Geboden. Maar daar blijft het niet bij. Vele hoofdstukken achter elkaar worden gevuld met allerlei voorschriften. Gedragsregels. Voorschriften voor wat je wel en niet mag eten. En opdrachten voor de bouw en de inrichting van een heiligdom.
Eén van die opdrachten hebben we vanmorgen gehoord. De opdracht om een ark te bouwen. Die opdracht wordt tot in detail uitgewerkt. Moeten wij dat weten? Wat voegt het aan ons leven toe om te weten wat de precieze maten van die ark waren, en van wat voor materiaal die ark was gemaakt? Niet veel, denk ik. Hooguit interessant voor een bijbelquiz, wanneer die weer een keer georganiseerd wordt. Maar wat worden wij daar wijzer van wanneer we onze weg proberen te vinden in ons leven, in de wereld van vandaag? Wat worden we daar wijzer van wanneer we ons afvragen hoe we onze kinderen groot moeten brengen in deze tijd?
Toch denk ik dat het Bijbelverhaal van vanmorgen ons daarbij verder helpt. Maar dan moeten we letten op de details. Het zijn de kleine dingen die het doen, zal ik maar zeggen. Wat mij opvalt in dit Bijbelgedeelte is om te beginnen de zorgvuldigheid die betracht wordt. Er wordt een kist gemaakt voor de verbondstekst, de stenen platen waarin de woorden gegrift staan die ons de weg wijzen naar een leven van liefde, recht en vrede. We horen tot in detail hoe die kist, die ark eruit moet zien. En dat die kist niet van steigerhout en oud metaal gemaakt moet worden, maar van acaciahout en goud. Het moet een kist zijn die je niet in een donker hoekje zet, maar op een ereplaats. Want de woorden in die kist herinneren ons er aan hoe waardevol het leven is. Hoe belangrijk het dus is dat we zorgvuldig met het leven omgaan. Dan moet de kist, waarin die woorden bewaard worden, zelf ook op een zorgvuldige manier gemaakt worden. Met aandacht en met liefde. Met de beste materialen. Dat verwijst naar de manier waarop wij mogen leven, geloof ik. Dat verwijst naar de manier waarop wij ons leven vorm geven, aan het leven bouwen. Dat moeten we zorgvuldig doen. Met respect voor elkaar. Letten op kleine dingen, die het leven mooier maken. Je wilt het beste voor elkaar. Je wilt het beste voor je kinderen. Dat is de koers die uitgezet wordt in de opdracht voor het bouwen van de ark.
Ik haal nog een detail naar voren. We hebben ook gehoord over de cherubs, engelachtige, gevleugelde wezens die bovenop de ark moeten staan. Van goud gemaakt, uit één stuk met het gouden deksel van de ark. De deksel die verzoeningsplaat wordt genoemd. Daar kom ik nog op terug. In de vertaling horen we dat die twee cherubs tegenover elkaar staan, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gericht. Maar dat staat er niet. Er staat dat hun gezichten zo moeten staan dat ieder op zijn broeder gericht is, én op de verzoeningsplaat. Ook dat zegt iets over onze manier van leven. We zijn niet geschapen als individuen, we zijn niet bedoeld als eenlingen. We zijn bedoeld als mensen met elkaar, op elkaar gericht. Dat kun je in deze tijd, waarin digitaal kwetsen soms tot nationale sport verheven lijkt te zijn, naar mijn idee niet vaak genoeg hardop herhalen.
Dat zegt ook iets over die verzoeningsplaat. Eens in het jaar, op Grote Verzoendag, bracht de hogepriester van het Joodse volk een klein offer op die gouden deksel van de ark. Om het kwaad en het conflict tussen God en mensen, tussen mensen onderling, uit te wissen en een nieuwe start te maken. Een offer om duidelijk te maken dat we leven van vergeving. Niet wat we presteren vormt de basis onder ons bestaan, maar wat we ontvangen. Zoals de liefde die kinderen ontvangen de basis zal vormen onder hun bestaan. Een legaat dat ze weer door mogen geven aan een volgende generatie. Verzoening komt er alleen wanneer we in ons leven de houding aannemen van de cherubs op die verzoeningsplaat. Op elkaar gericht. En op God gericht. Die twee kun je niet uit elkaar halen. Zo is het ook met de cherubs op de ark. Ze zijn uit één stuk gemaakt. Zo te leven, dat is wat God van mensen vraagt en waar de woorden uit Exodus ons aan herinneren.
Een laatste detail: de ark moet vier gouden ringen krijgen, waar draagbomen doorheen gestoken worden. De ark wordt gedragen. De ark gaat mee op de weg van het leven. Zoals God met ons meegaat op de weg van ons leven. Het beeld van de ark die wordt meegedragen voedt het vertrouwen dat God bij ons is, onderweg. En wat lezen we? We lezen dat die draagbomen in de ringen moeten blijven. De ark moet altijd reisklaar zijn. Er is geen plek op aarde of een plek in de tijd waar we de ark kunnen vastzetten. Zoals we God op geen enkele plek of in geen enkele tijd kunnen vastzetten. Het leven staat niet stil. Het verandert, het gaat verder. Iedere generatie gaat een eigen weg. En de ark staat altijd klaar om meegenomen te worden. Als symbool van Gods aanwezigheid. De aanwezigheid van God die met je meereist door het leven op weg naar de toekomst die het Beloofde Land wordt genoemd. Een toekomst van licht, liefde en vrede. Een toekomst waar we met zorgvuldigheid aan bouwen. Een toekomst die we samen bouwen. Die toekomst gunnen we elkaar. Die toekomst gunnen we onze kinderen. We mogen vertrouwen dat God op de weg naar die toekomst met ons meegaat. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Overdenking op Paasmorgen 21 april-Carel van der Meij

Overdenking op 21 april 2019 – Paasmorgen
Lezing: Johannes 20: 1-18
Gemeente van Jezus Christus,
Stel dat u plotseling oog in oog met een engel zou staan – en die engel zou u nog wat te vertellen hebben ook. Zou uw leven daardoor veranderen? Laat ik de vraag nog een beetje aanscherpen. U bent verdrietig, en u bent op zoek naar een begaanbare weg in uw leven. Dan staat u opeens oog in oog met twee figuren in witte kleren – onmiskenbaar engelen. En ze vragen u waarom u verdrietig bent. Zou dat een troost voor u zijn? Hebt u dan gevonden waar u naar op zoek bent?
Als u die vraag met ‘ja’ beantwoordt bent u blijkbaar een stuk vromer dan Maria van Magdala. Want voor haar betekent het niets, zo lijkt het. Ze ziet twee engelen, onmiskenbaar, levensgroot, maar ze ziet het niet zitten, met die engelen. Zien, en geloven dat vertrouwen is, dat sluit niet naadloos op elkaar aan. We hebben het gezegde ‘eerst zien en dan geloven’ wel aan de Bijbel ontleend. Het komt uit hetzelfde Evangelie waar Marja net uit voorgelezen heeft. We horen het uit de mond van Thomas, een leerling van Jezus. Maar het Evangelie zet geen streep onder dat gezegde. Het zet er een kras door heen. Geloven doe je in wat je niet ziet. ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’, horen we Jezus zeggen aan het eind van hoofdstuk 20.
Is wat we zien met onze ogen de voedingsbron van ons geloof? Voor Maria van Magdala in ieder geval niet. Door wat ze ziet zinkt het hart haar in de schoenen. Ze gaat naar het graf en ze ziet dat de zware steen, die de toegang tot het graf afsluit, is weggenomen. Wat ze ziet is voor haar een bron van wanhoop en verdriet. Ze hoeft verder niets meer te zien. Want ze ziet het als een vervolg op alle rampspoed die zich de afgelopen dagen voor haar ogen heeft afgespeeld. Ze zet het op een lopen en vertelt twee leerlingen van Jezus – ja, wat vertelt ze eigenlijk?
Ze vertelt niet wat ze gezien heeft. Ze heeft alleen gezien dat de sluitsteen van het graf is weggenomen. Maar ze vertelt dat ‘ze’ de Heer hebben weggenomen en dat ‘wij’ niet weten waar ze Hem gelegd hebben. Dat heeft ze niet gezien, maar wat ze wel gezien heeft is blijkbaar voldoende om daar een heel verhaal aan vast te knopen. Een verhaal over grafschending, waarbij duidelijk is wie de schuldigen zijn: ‘ze’ hebben de Heer weggenomen. Daar zal ze de Joodse leiders mee bedoelen, die ze verantwoordelijk acht voor wat Jezus is aangedaan.
Dat zou je kunnen opvatten als een vorm van nepnieuws. Daar hebben we nog steeds last van. Mensen zien iets, en trekken meteen hun conclusies. Het verhaal wordt er meestal niet mooier van. Afgelopen week werden we opgeschrikt door de berichten over de brand in de Notre Dame, de kathedraal die als een icoon van christelijke cultuur al 850 jaar midden in de Franse hoofdstad Parijs staat. Toen ik een foto zag van het verwoeste interieur leek het voor mij alsof ik in een open graf keek. Al lichtte het kruis boven het altaar nog altijd op. En de eerste toezeggingen van steun voor de wederopbouw waren nog maar nauwelijks binnen, of mensen hadden hun praatje al weer klaar: ‘ze’ – daar heb je ze weer – ‘ze’ gaven die steun alleen omdat het grootste deel van dat bedrag aftrekbaar is voor de belasting. In feite kwamen de bedrijven, die steun beloofden, op die manier alleen aan lekker goedkope reclame.
Het lijkt wel of wat onze ogen zien eerder een bron van cynisme dan van hoop is. Of de bron van een machteloos gevoel, dat in ons opkomt. Dat is wat, zo op het oog, de twee leerlingen overkomt die na het bericht van Maria van Magdala naar het graf toe rennen, de een nog harder dan de ander. Ze staan in het graf en zien de linnen doeken en de doek die Jezus’ gezicht bedekt had. Ze staan in een leeg graf met een leeg gevoel. ‘Ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan’, vertelt Johannes. Maar dat is typisch zo’n zin die achteraf opgeschreven wordt. Verhalen in de Bijbel helpen ons om beter te kijken en te begrijpen wat er om ons heen, in ons leven gebeurt. Maar daar zijn deze twee leerlingen van Jezus nog niet aan toe. Ze gingen terug naar huis. Dat klinkt vrij moedeloos. Zo hoor ik ook wel eens mensen praten als ze te lang naar het NOS journaal gekeken hebben. En vergeten dat er meer in ons leven gebeurt dan wat onze ogen op het beeldscherm voorbij zien komen.
Wat gebeurt er dan meer? Dat vertelt Johannes. En als je goed luistert hoor je hoe bijzonder het gewone is. Ons leven wordt anders, wordt bijzonder, door datgene wat we als gewoon zijn gaan beschouwen. Dat zien we wel eens over het hoofd. We kijken uit naar de sensatie. Stel je voor dat er opeens twee engelen de kerk binnenvliegen om ons het Evangelie te vertellen. Dan zou de kerk de komende tijd te klein zijn. Camera’s voor de deur. De dominee wordt uitgenodigd bij Jeroen Pauw. Ik zie het al voor me. Maar vergeet het maar. Niet alleen omdat sensatie aan slijtage onderhevig is. Het levert niet meer op dan een tijdelijk effect, dat snel verdwijnt achter nog weer nieuwe bijzondere berichten. Maar vooral omdat het Evangelie ons een andere weg wijst.
Die twee engelen zijn niet meer dan figuranten in het verhaal over de opstanding, zoals Johannes het ons vertelt. Ze veranderen het leven van Maria niet. Ze kan alleen haar verdrietige verhaal kwijt aan de engelen: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem naartoe gebracht hebben’. Toch is dat het begin van iets nieuws. Dat ze haar verdriet kan uiten brengt haar ertoe ook een andere kant uit te kijken. Ze kijkt niet langer alleen in het lege graf. Ze kijkt om. En ze ziet iemand staan. Een heel gewone man. Maria denkt dat het de tuinman is. Maar die heel gewone man doet iets heel bijzonders. Hij vraagt naar haar verdriet. Hij vraagt wat ze zoekt in haar leven. En bovenal: hij noemt haar naam. Hij noemt haar naam op zo’n bijzondere manier dat het leven van Maria anders wordt.
‘Ze draaide zich om’, horen we. Maar dat betekent meer. Het betekent dat er een ommekeer in haar leven is. Ze hoort haar naam uitspreken op zo’n manier dat geloof, hoop en liefde weer terugkeren in haar leven. Die heel gewone man spreekt haar naam uit met liefde. En in één klap is haar geloof weer tot leven gewekt. Ze herkent in die stem de liefde die tot haar spreekt. Ze herkent in de stem van de liefde die Ene, van wie ze dacht dat Hij dood was. Maar Hij is niet dood. Hij leeft. ‘Rabboeni’, zegt Maria. ‘De Heer is waarlijk opgestaan’, zeggen wij haar na.
Natuurlijk klinken er dan stemmen die melden dat dat eerst maar eens uitgezocht moet worden. Heb je het gezien? Zijn er anderen die het gezien hebben? Bestaan er beelden van? Kun je het bewijzen? Nee, dat kan ik niet. En daar heb ik ook geen behoefte aan. ‘Houd me niet vast’, zegt Jezus. Blijf er met je vingers van af, van het mysterie dat de stem van de liefde blijft klinken. Het mysterie dat de dood geen vat blijkt te hebben op het leven van Jezus. Het mysterie dat God zich laat kennen in een mens als wij. Een gewone mens, die de naam van Maria uitspreekt op zo’n manier dat ze daarin de goddelijke liefde herkent die haar leven draagt en zegent. Een gewone mens, die onze naam uitspreekt op zo’n manier dat we mogen vertrouwen dat ons leven gedragen wordt door diezelfde onverwoestbare kracht van liefde die we hebben leren kennen door het leven van Jezus. Met Pasen vieren we dat de dood geen vat krijgt op die liefde. Dat de dood geen vat krijgt op dat leven. Zo schijnt het licht van Pasen over ons leven. En in dat licht leren we op een heel andere manier naar het leven kijken. We zien hoe bijzonder gewone, kleine dingen kunnen zijn. We geloven niet langer alleen wat we zien. We zien veel meer in het leven omdat we geloven in de kracht van de liefde van Jezus. Die niet verloren is gegaan, maar die is opgestaan. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.