Vuur-9jun-EBK

Zondagmorgen 9 juni 2019,
Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Joël 3: 1-5 en Handelingen 2: 1-14a


preek 20190609 1Vandaag vieren we het Pinksterfeest. Ik vind Pinksteren een prachtig feest. Een feest met een heerlijke, warme gloed. Vandaag is rood de kleur. Dat is niet voor niets.
Pinksteren is Pasen in het kwadraat, 7 keer 7 dagen na die 1e Paasdag de 50e Paasdag: Pinksteren.
Dat woord, Pinksteren, betekent ook vijftigste.
Maar wat is Pinksteren?
Op internet circuleren wel filmpjes waarin aan mensen op straat gevraagd wordt wat Pinksteren is,
en het is hilarisch - maar misschien ook wel een beetje droevig - wat mensen dan antwoorden.
Veel mensen weten het gewoon niet.
Ja, dat we dan een extra vrije dag hebben, en dat er Pinkpop is, en andere festivals, om deze dagen naar toe te gaan.
Hooguit een enkeling weet te vertellen dat het gaat om de ‘uitstorting van de heilige Geest’.
Maar wat is dat: uitstorting, heilige Geest?
Bij het woord ‘uitstorting’ denk ik aan een bloeduitstorting, of aan iemand die een heel verhaal over mij uitstort,
of aan een stortbui die over me heen komt, buien die ineens over je heen komen, zulke buien als gisteren, waar je in een mum van tijd doornat van wordt.
In al die gevallen komt er eigenlijk in korte tijd te veel bij je binnen, over je heen. Je kunt het niet gelijk verwerken, je moet het weer kwijt. Is dat het? Is het zo overweldigend?
Nou, in het verhaal van Pinksteren zoals dat verteld wordt in Handelingen 2 is het best wel heftig, ja: de leerlingen van Jezus helemaal in vuur en vlam, Petrus die een vurige toespraak houdt, vol enthousiasme, mensen die daarop reageren. Ja, het heeft iets overweldigends, Pinksteren.
Toch aarzel ik bij dat woord ‘uitstorting’, want een stortbui of een stortvloed over me heen vind ik helemaal niet fijn. Daar wordt ik niet beter van.
Dat woord ‘uitstorten’ komt bij de profeet Joël vandaan, uit het eerste Bijbelgedeelte dat we vandaag gelezen hebben.
Daar horen we God door de woorden van de profeet zeggen: “Ik zal mijn geest uitstorten over al wat leeft.”
Tenminste, zo staat het in de oude vertaling.
In de NBV wordt het net iets anders vertaald: “Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.” Uitgieten.
Misschien is dat wel beter.
Twee weken geleden heb ik een stukje gras gezaaid, en die grond moet je dan vochtig houden. Dan kun je mooi met de gieter daar zachtjes water over uitgieten,
je moet het water er niet uitstorten want dan gaat het mis,
nee, zachtjes uitgieten.
En inmiddels begint het al mooi te groeien, kleine sprietjes, fris groen, kwetsbaar nog.
Zonder water redden ze het niet, een stortbui zou ze kunnen verpletteren, en dat moet niet.
“Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.” Mild en weldadig. Dat is Pinksteren. Uitgieten van de geest.
Maar wat is die geest?
Nou, eigenlijk is dat niet zo heel moeilijk te snappen.
Jezus is er niet meer. Tien dagen geleden, Hemelvaartsdag. Jezus is van de aardbodem verdwenen.
Als iemand er niet meer is, dan kun je in zijn of haar geest verdergaan. Dat kennen we wel.
Noem maar wat. Moeder is er niet meer, maar we komen altijd in een bepaald weekend bij elkaar, rond haar verjaardag, want dat vond ze altijd mooi om te doen, en zo gaan wij nu in haar geest verder.
Of de oprichter van de vereniging is overleden, hij heeft een duidelijk stempel gezet, veel betekend, en wij willen als vereniging in zijn geest verdergaan.
Soms kan dat wel eens wat wegzakken. Dan is het goed als verhalen over moeder, of over de oprichter van de vereniging weer verteld worden, wat die zei, wat die deed,
dat kan je weer inspireren om in de geest van haar of hem verder te gaan, keuzes te maken, te blijven bij je uitgangspunten.
“Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.” Mijn geest, de geest van mijn liefde, mijn grenzeloze liefde, de geest die in Jezus was, die geest zal ik uitgieten over al wat leeft, over iedereen. Dat is Pinksteren!
Dat wat daar heel concreet in die ene persoon, in Jezus aanwezig was, giet ik nu uit over al wat leeft. Ieder mens mag meedoen!
Wat Jezus heeft achtergelaten bij zijn Hemelvaart is dit ene: zijn liefde,
en dat wordt uitgegoten over al wat leeft, zodat het kan gaan groeien en bloeien, zijn geest, zijn liefde!
Mensen zeggen wel eens dat Pinksteren een vaag feest is, maar eigenlijk is het heel concreet:
die geest, die liefde binnenin jou, geboren uit zijn liefde, die naar buiten komt in woorden en daden, in zijn geest. Dat laat geen mens koud. Daar word je warm van. Rood.
De warmte van Gods liefde die stromen gaat.
“Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.”
Waar je ook vandaan komt – in het Pinksterverhaal worden niet voor niets al die verschillende landen opgenoemd, heel de wereld van toen, rond de Middellandse Zee, komt voorbij –ieder mens kan die geest krijgen, een geest die mensen niet meer scheidt, maar verbindt, grenzen worden doorbroken, mensen gaan elkaar verstaan, in die geest.

In het Bijbelverhaal dat we gelezen hebben komen we verschillende beelden tegen van de geest.
Misschien wel het meest bekend is het beeld van de wind.
Ik heb gekozen voor het beeld van het vuur, ook omdat dat beeld in beide lezingen van vandaag terugkomt. Pinksteren is een feest van vuur.
Mensen worden in vuur en vlam gezet.
Toen ik op zoek was naar afbeeldingen kwam ik allerlei afbeeldingen van vuur tegen: aan vuur kun je je warmen, vuur geeft energie, vuur geeft licht in het donker,
maar de afbeelding hierboven vond ik de mooiste.
Een klein vlammetje. Een heel vuur is gelijk weer zo groot.
Een klein vlammetje kan een heel vuur ontsteken.
En het is heel klein begonnen daar in Israël, daar in Jeruzalem.
Maar mensen hebben elkaar wel aangestoken,
waardoor er een beweging is gaan groeien heel de wereld over, grenzeloos.
Of misschien moet ik het anders zeggen: ze zijn aangestoken door de Geest van God, de Geest van Jezus.
Bij henzelf van binnen is dat vuurtje gaan branden,
en dat heeft weer anderen aangestoken.
En de Geest is als olie op het vuur.
Dit vlammetje wordt gevoed door de olie in de fles.
Dat is voor mij ook Pinsteren: dat wij mogen leven uit de bron van ons bestaan, uit de liefde van God, die we hebben leren kennen in Jezus, uit die geest mogen we leven en ons laten voeden, dat mag onze inspiratie zijn.
Inspiratie, daar zit het woord spiritus, geest in.
Ik heb gekozen voor dit kleine vlammetje, omdat het in het Pinksterverhaal ook over vlammen gaat, niet over een groot vuur.
“Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten.”
Bij hen allemaal ging dat vuurtje branden.
Maar als we dan kijken naar de lezing uit Joël, dan gaat het daar wel om een groot vuur. Apocalyptische beelden: bloed en vuur en zuilen van rook. Om bang van te worden.
Zo wordt het soms uitgebeeld. Een soort einde der tijden.
Met vuur wordt dan alles vernietigd wat niet goed is, een strijd van het goede tegen het kwade, waarbij het goede overwint. Vuur heeft dan een zuiverende functie.
Maar het bijzondere vind ik dan dat dat heftige overweldigende beeld uit Joël van dat vuur in het Pinksterverhaal verandert in het aanstekelijke vuur dat daar brandt bij de leerlingen van Jezus, waardoor weer anderen aangestoken worden door dat waar Jezus voor stond, door zijn geest, door zijn liefde,
niet overweldigend en verpletterend op de manier van een stortbui, maar weldadig, warm en mild.
Dat verterende van vuur komt nog wel terug in het lied dat we zullen zingen, maar heel mooi verwoord, vind ik:
“De Geest van God is als een vuur,
als vlammen felbewogen,
verterend wat aan onrecht leeft,
een gloed vol mededogen.
Een vonk van hoop in onze nacht,
een wenkend licht dat op ons wacht,
een warmte in hart en ogen.”
En dat alles levend uit de bron die ons voedt en inspireert, die het vuur brandend houdt.
preek 20190609 2Deze wil ik nog laten zien.
Ik kwam op dit plaatje n.a.v. een ander Pinksterlied dat we eerder in de dienst gezongen hebben waarin staat: “O hemelvuur, brand ons vooruit”.
Ik zocht een plaatje bij: Niet vooruit te branden, en toen kwam ik deze tegen.
Wij hebben jaren een hond gehad, en iedereen die een hond heeft of gehad heeft kent dat wel, soms is dat beest niet vooruit te branden.
Soms is dat met mensen ook zo. Ik herken het wel bij mezelf, ik herken het in verhalen van mensen om me heen, ik herken het in het kerkenwerk. Gelukkig lang niet altijd, maar ze zijn er wel, die momenten, dat je uitgeblust bent, niet vooruit te branden, het vuur is er uit.
Daarbij vond ik dit plaatje.
En toen vond ik ook nog dat passiviteit besmettelijk is.
Als je een uitgeblust voorbeeld hebt, word je daar niet actief van, maar juist passief.
preek 20190609 3Pinksteren is daartegenover het feest van de aanstekelijkheid,
het feest van vuur, het feest dat je in beweging zet,
het feest om weer aangestoken te worden door de Geest van God, de geest van Jezus, de Geest van liefde en warmte.
preek 20190609 4Dat vraagt van mij:
openheid en ontvankelijkheid,
hier mooi verbeeld in een kleurrijke afbeelding (van Ed de Guzman).
Zeven hoofden tel ik: mooi het getal van de volheid, iedereen mag meedoen.
En op die hoofden vlammen. In vuur en vlam staan ze.
En handen zie ik, handen die zich uitstrekken, uitstrekken naar de ander, open handen.
Laat zo met Pinksteren het vuur in jezelf ontwaken.
Er is in verschillende kerken de traditie om de Paaskaars, die met Pasen nieuw en brandend de kerk is binnengebracht, en tot dan toe elke keer gebrand heeft, met Pinksteren uit te blazen,
niet om het te doven,
maar als symboliek dat dat vuur, dat licht van Christus, uitgeblazen wordt over iedereen
en bij ieder van ons gaat branden.
Het licht van Pasen is niet meer daar alleen, maar verspreidt zich over iedereen.
Dat is Pinsteren.
Laat zo met Pinksteren het vuur in jezelf ontwaken.
Zo houden we het Pinkstervuur brandend.
Kom, Schepper Geest. Opdat ons hart van liefde brandt, en wij leven vanuit de kracht die God ons geeft.

 

God reist met ons mee-19mei-CWvdM

Overdenking op 19 mei 2019
Tekst: Exodus 25: 10-22
Thema: God reist met ons mee


Gemeente van Jezus Christus,
In 1982 kwam er een film uit met de titel Raiders of the lost Ark. Het ging over een avontuurlijke archeoloog, Indiana Jones geheten, die op zoek ging naar de ark van het verbond, de heilige kist van het Joodse volk waar de stenen platen in bewaard zouden zijn met de tekst van de Tien Geboden. Die film was een gigantisch succes. Hij wordt af en toe nog herhaald op één van de vele televisiezenders waar we uit mogen kiezen. De ark wordt in die film gezien als een mysterieus voorwerp waar bijzondere krachten in schuil gaan. Aan het eind worden de slechteriken in de film door die krachten vernietigd. Eind goed, al goed.
Tegen die achtergrond lijkt het Bijbelgedeelte waar we vanmorgen naar luisteren wat bleekjes af te steken. We lezen uit het boek Exodus, waarin verteld wordt hoe het Joodse volk is bevrijd uit het slavenbestaan in Egypte en nu op weg is naar het beloofde land. Onderweg, zo wordt verteld, krijgt het Joodse volk richtlijnen mee voor een leven in vrijheid. Woorden van leven, door God geopenbaard aan Mozes, de leider van het Joodse volk. De bekendste van die woorden zijn de Tien Woorden, of Tien Geboden. Maar daar blijft het niet bij. Vele hoofdstukken achter elkaar worden gevuld met allerlei voorschriften. Gedragsregels. Voorschriften voor wat je wel en niet mag eten. En opdrachten voor de bouw en de inrichting van een heiligdom.
Eén van die opdrachten hebben we vanmorgen gehoord. De opdracht om een ark te bouwen. Die opdracht wordt tot in detail uitgewerkt. Moeten wij dat weten? Wat voegt het aan ons leven toe om te weten wat de precieze maten van die ark waren, en van wat voor materiaal die ark was gemaakt? Niet veel, denk ik. Hooguit interessant voor een bijbelquiz, wanneer die weer een keer georganiseerd wordt. Maar wat worden wij daar wijzer van wanneer we onze weg proberen te vinden in ons leven, in de wereld van vandaag? Wat worden we daar wijzer van wanneer we ons afvragen hoe we onze kinderen groot moeten brengen in deze tijd?
Toch denk ik dat het Bijbelverhaal van vanmorgen ons daarbij verder helpt. Maar dan moeten we letten op de details. Het zijn de kleine dingen die het doen, zal ik maar zeggen. Wat mij opvalt in dit Bijbelgedeelte is om te beginnen de zorgvuldigheid die betracht wordt. Er wordt een kist gemaakt voor de verbondstekst, de stenen platen waarin de woorden gegrift staan die ons de weg wijzen naar een leven van liefde, recht en vrede. We horen tot in detail hoe die kist, die ark eruit moet zien. En dat die kist niet van steigerhout en oud metaal gemaakt moet worden, maar van acaciahout en goud. Het moet een kist zijn die je niet in een donker hoekje zet, maar op een ereplaats. Want de woorden in die kist herinneren ons er aan hoe waardevol het leven is. Hoe belangrijk het dus is dat we zorgvuldig met het leven omgaan. Dan moet de kist, waarin die woorden bewaard worden, zelf ook op een zorgvuldige manier gemaakt worden. Met aandacht en met liefde. Met de beste materialen. Dat verwijst naar de manier waarop wij mogen leven, geloof ik. Dat verwijst naar de manier waarop wij ons leven vorm geven, aan het leven bouwen. Dat moeten we zorgvuldig doen. Met respect voor elkaar. Letten op kleine dingen, die het leven mooier maken. Je wilt het beste voor elkaar. Je wilt het beste voor je kinderen. Dat is de koers die uitgezet wordt in de opdracht voor het bouwen van de ark.
Ik haal nog een detail naar voren. We hebben ook gehoord over de cherubs, engelachtige, gevleugelde wezens die bovenop de ark moeten staan. Van goud gemaakt, uit één stuk met het gouden deksel van de ark. De deksel die verzoeningsplaat wordt genoemd. Daar kom ik nog op terug. In de vertaling horen we dat die twee cherubs tegenover elkaar staan, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gericht. Maar dat staat er niet. Er staat dat hun gezichten zo moeten staan dat ieder op zijn broeder gericht is, én op de verzoeningsplaat. Ook dat zegt iets over onze manier van leven. We zijn niet geschapen als individuen, we zijn niet bedoeld als eenlingen. We zijn bedoeld als mensen met elkaar, op elkaar gericht. Dat kun je in deze tijd, waarin digitaal kwetsen soms tot nationale sport verheven lijkt te zijn, naar mijn idee niet vaak genoeg hardop herhalen.
Dat zegt ook iets over die verzoeningsplaat. Eens in het jaar, op Grote Verzoendag, bracht de hogepriester van het Joodse volk een klein offer op die gouden deksel van de ark. Om het kwaad en het conflict tussen God en mensen, tussen mensen onderling, uit te wissen en een nieuwe start te maken. Een offer om duidelijk te maken dat we leven van vergeving. Niet wat we presteren vormt de basis onder ons bestaan, maar wat we ontvangen. Zoals de liefde die kinderen ontvangen de basis zal vormen onder hun bestaan. Een legaat dat ze weer door mogen geven aan een volgende generatie. Verzoening komt er alleen wanneer we in ons leven de houding aannemen van de cherubs op die verzoeningsplaat. Op elkaar gericht. En op God gericht. Die twee kun je niet uit elkaar halen. Zo is het ook met de cherubs op de ark. Ze zijn uit één stuk gemaakt. Zo te leven, dat is wat God van mensen vraagt en waar de woorden uit Exodus ons aan herinneren.
Een laatste detail: de ark moet vier gouden ringen krijgen, waar draagbomen doorheen gestoken worden. De ark wordt gedragen. De ark gaat mee op de weg van het leven. Zoals God met ons meegaat op de weg van ons leven. Het beeld van de ark die wordt meegedragen voedt het vertrouwen dat God bij ons is, onderweg. En wat lezen we? We lezen dat die draagbomen in de ringen moeten blijven. De ark moet altijd reisklaar zijn. Er is geen plek op aarde of een plek in de tijd waar we de ark kunnen vastzetten. Zoals we God op geen enkele plek of in geen enkele tijd kunnen vastzetten. Het leven staat niet stil. Het verandert, het gaat verder. Iedere generatie gaat een eigen weg. En de ark staat altijd klaar om meegenomen te worden. Als symbool van Gods aanwezigheid. De aanwezigheid van God die met je meereist door het leven op weg naar de toekomst die het Beloofde Land wordt genoemd. Een toekomst van licht, liefde en vrede. Een toekomst waar we met zorgvuldigheid aan bouwen. Een toekomst die we samen bouwen. Die toekomst gunnen we elkaar. Die toekomst gunnen we onze kinderen. We mogen vertrouwen dat God op de weg naar die toekomst met ons meegaat. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.