Paasmorgen- 12 april 2020- Ds. Eibert Kok

Paasmorgen

Zondag 12 april 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Genesis 1: 1-5 en Matteüs 28: 1-10

preek 12 apr 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is dit jaar een hele rare Pasen,
want op dat grote feest van de kerk, de spil van ons geloof, wil je toch bij elkaar komen om samen Paasliederen te zingen,
liederen van geloof, tegen het ongeloof in,
liederen van het licht van Pasen dat als de zon opkomt, tegen de nacht en het donker in,
wil je samenkomen in een feestelijke dienst in de kerk
om te zingen van het geloof en vertrouwen dat het leven sterker is dan de dood,
dat God zijn lieve zoon niet aan zijn lot overlaat, niet laat omkomen in de dood,
maar hem vasthoudt door het donker heen naar het licht,
hem opwekt uit de dood, doet opstaan tot nieuw leven,
en dat wij allemaal in dat geloof mogen leven,
dat God ons nooit zal loslaten, zelfs niet in het donker van de dood, dat de nieuwe morgen gloort!
De Heer is waarlijk opgestaan. Halleluja!
Ja, dat zou ik graag willen.
Toen de eerste berichten kwamen, dat bijeenkomsten met veel mensen niet door konden gaan, was dat tot 6 april.
Dus, wie weet, misschien kunnen we Pasen weer samen vieren.
Dat hoopte ik. Maar nee, zelfs met Pinksteren zitten we nog in de lockdown, ieder op zijn eigen plek, afgezonderd van anderen.
Sommigen gelukkig niet alleen maar met huisgenoten, anderen helemaal alleen op hun kamer, omdat ze de deur niet uit durven of mogen.
Daar zit je dan met je eigen gedachten, met je eigen zorgen en je verdriet.
Sommigen vertellen me dat ze dat wel redden, dat alleen zijn, leuk is het niet, maar we komen er wel doorheen.
Anderen trekken het niet of nauwelijks en kwijnen weg.
Pasen 2020, zo anders dan we hadden gehoopt.
Niks feestelijkheid. Het is stil op straat.
Er hangt een dreiging in de lucht. Er waart een onheilspellend virus rond, waardoor met een schok heel onze samenleving stilgezet is,
een virus, waarvan je ziek kunt worden, en waaraan je, zeker als je tot de risicogroep behoort, kunt sterven.
Op de ic’s van ziekenhuizen maakt het personeel overuren om mensen te redden. Ineens is de dood dichtbij.
Houd afstand. Want overal loert het gevaar.
Hou bij voorkeur de deuren gesloten. Lock down.
Het lijkt een boze droom.
Een vreemde Pasen. Spoort het wel om nu halleluja te zingen?
Toen ik daar wat over na zat te denken, realiseerde ik me dat dat dat ook ongeveer de situatie moet zijn geweest waarin de volgelingen van Jezus zich bevonden op die eerste Paasdag.
Niks halleluja. Stil is de straat.
De volgelingen van Jezus leven in quarantaine, achter gesloten deuren. Met een schok is hun leven tot stilstand gekomen.
De zon die scheen, schijnt niet meer. Het licht is weg, het is donker geworden in hun leven.
En de doodsdreiging die in de lucht hangt, maakt hen bang. Overal schuilt het gevaar. Hoe moeten ze verder?
Hij, die de zoon van God genoemd werd, sprekend z’n hemelse vader, onschuldig ter dood gebracht, aan het kruis terecht gesteld, hij stierf, een gruwelijke dood.
Zijn missie, de mensen laten zien wie God is, wat Gods liefde betekent, zijn missie lijkt mislukt, doodgelopen.
Zo komen we op de Paasmorgen aan.
Vrolijk Pasen? Welnee, een grauwsluier is over hun leven gekomen, zij zijn verbijsterd, verslagen door de gebeurtenissen.
Zo gaan op de Paasmorgen twee vrouwen, twee Maria’s naar het graf. Zo vertelt Matteüs het.
Je vraagt je af wat er bij hen door hun hoofd gegaan is.
Herinneringen aan hoe het was hiervóór misschien?
Was alles maar gewoon, zoals het was, vóór dat akelige gebeuren.
Zijn ze zo verdoofd dat hun hoofd één grote chaos is? Alleen maar niet-begrijpen, verdriet om wat ze verloren, bang voor wat komen gaat?
Elke vrolijkheid kan dan teveel zijn, en – laten we eerlijk zijn – Bijbelwoorden nietszeggend.
‘En toch’, daar leeft geloof van, ‘en toch’,
toch is die andere kant er ook.
Toen God de wereld schiep, waren de eerste woorden die hij sprak: Er moet licht komen, en er was licht.
Wij zijn niet aan het donker overgeleverd.
In de opstandig van Jezus wordt dat op een uitzonderlijke manier bevestigd.
De twee vrouwen gaan op weg naar het graf, met hun hoofd vol van wat gaande is, verdoofd door onzekerheid, angst, verdriet.
Dan de eerste zin van het evangelie, veelzeggend: Toen de ochtend van de eerste dag gloorde…
Ze lopen nog in het donker, maar het licht van de eerste dag van de week, de dag dat God sprak “Er moet licht komen”,
het licht van die eerste dag gloort. Langzaam zal het lichter worden en zal het licht het donker verdrijven.
Dat gaat bij ons mensen niet van het ene op het andere moment, dat is een weg die afgelegd wordt.
Maar ze gáán. Dat is belangrijk: ze gaan.
Dan het wonderlijke verhaal van de opstanding.
Shocking: De aarde beeft, een engel van de Heer daalt af, rolt de steen van het graf en gaat erop zitten.
En hij spreekt de vrouwen aan: Wees niet bang,
– ik heb daar bij de voorbereiding drie vette strepen onder gezet – Wees niet bang… jullie zoeken de gekruisigde, die is hier niet, hij is immers opgestaan uit de dood.
Hij gaat jullie voor, naar Galilea, ga achter hem aan.
Wat hier gebeurt is niet alleen de opstanding van Jezus, maar ook de opstanding van de vrouwen, ook zij staan op tot nieuw leven!
De last van het donker die als een steen op hen drukte wordt op de een of andere manier van hen afgenomen.
Dat wat hen blokkeert en op hen drukt wordt van hen afgenomen, zodat zij weer volop in beweging komen.
De bewakers bij het graf beven van angst.
Zij die de dood bewaken, die moeten voorkomen dat het licht wordt, dat er een nieuwe tijd aanbreekt, zij nemen de benen.
Zo hebben ook wij soms in ons leven de bewakers van het donker, grafwachters, die voorkomen dat wij opstaan uit het donker.
Pasen is dat die grafwachters de benen nemen, omdat het nieuwe leven opstaat. Wees niet bang!
En dan: Ontzet, en opgetogen… verlieten zij haastig het graf.
Het is heel dubbel: Ontzet, nog steeds, niet opeens is alles anders, al het nare weg, ontzet, nog steeds, maar toch op een andere manier dan hiervoor.
En opgetogen: de vreugde van Pasen begint langzaam binnen te komen.
Wég bij dat graf.
Wat me dit keer heel erg opviel bij het Paasverhaal van Matteüs is dat we opgeroepen worden onze aandacht niet te richten op dat graf: fixeer je niet op het donker en de dood,
maar richt je op hem die je voorgaat naar Galilea.
Met andere woorden: blijf niet zitten waar je zit,
misschien ligt alle narigheid als een steen op je,
sta op, richt je op hem die je voorgaat… en je zult hem zien.
Pas als je het graf durft verlaten, kom je de opgestane tegen.
Als de vrouwen in beweging komen, dán zien ze hem,
niet als ze in de donkere grafkamer blijven zitten.
Hij komt hen tegemoet en groet hen.
En ook hij zegt, net als de engel: Wees niet bang.
Nog maar weer eens een dikke streep daaronder.
Ga het mijn broeders vertellen. Laat ze naar Galilea gaan. Daar zullen ze mij zien.
Iets dergelijks had de engel ook al gezegd, met dit verschil dat de engel sprak over leerlingen, discipelen, en Jezus spreekt over mijn broeders.
Die mannen die hem op de beslissende momenten in de steek gelaten hebben, die hem verloochend en verraden hebben.
Er klinkt geen enkel woord van verwijt.
Ga het mijn broeders vertellen.
God heeft zich over de gekruisigde ontfermd en in hem over de leerlingen die als broeders faalden.
En toch: mijn broeders.
Daarin klinkt verzoening door, een nieuw begin,
het licht is sterker dan het donker,
dat is Pasen!
Van de grootste lock down gaan de deuren open, hoe dan ook.
Dat ‘hoe’ weten we niet altijd, en soms gaat het anders dan we zouden willen.
Vorige week zondagavond liet ik dat prachtige lied van Bonhoeffer horen.
Afgelopen week was het 75 jaar geleden dat hij, hij was in de dertig, net als Jezus werd geëxecuteerd, omdat hij zich verzette tegen de macht, tegen het onrecht van het Hitler-regiem.
Een paar maanden daarvoor had hij dat lied geschreven:
“Door goede machten trouw en stil omgeven
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag…
Wij weten het, uw licht schijnt in de nacht”
Zijn laatste woorden waren: “Dit is het einde, voor mij het begin van nieuw leven.”
Dat is Pasen: Jezus is opgestaan, geloven dat het licht altijd sterker is dan het donker, hoe dan ook, en daaruit leven,
op weg gaan, opstaan tot nieuwe leven, door Gods kracht!
Ik wens iedereen mooie Pasen.
Houd moed, heb lief.

 

Grond onder je voeten- 29 maart 2020- Ds. Eibert Kok

Grond onder je voeten

Zondagmorgen 29 maart 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Matteüs 7:24 – 8:1

‘Waar baseren we ons leven op? Heeft het een stevig fundament of staat het op los zand?’
Met die vraag had ik het onderwerp van deze zondag aangekondigd in het kerkblad,
niet wetend dat de coronacrisis ons zo zou treffen,
dat we niet eens samen kunnen komen in de kerk.
Die vraag komt nu wel heel erg binnen.
Wat is mijn fundament? Wat geeft mij vastheid? nu allerlei zekerheid zomaar verdwenen is.
Bijna overal waar de crisis uitbreekt, zie je het verschijnsel dat mensen gaan hamsteren,
een voorraadje van iets aanleggen, om toch iets meer zekerheid te hebben, voedsel hamsteren.
Ik zag gisteren dat in de Verenigde Staten wapens gehamsterd worden. Ja, dat geeft toch iets meer zekerheid in deze onzekere tijden, hoorde ik iemand zeggen.
Het evangelie van vanmorgen wijst een andere weg.
Vandaag gaat het over het bouwen van een huis: op een rots of op zand.
En het gaat over standhouden, niet instorten als er regen komt en storm.
Als er iets duidelijk is in onze tijd dan is het wel dat dat gebeurt waar Jezus het over heeft: de regen valt neer, de storm steekt op, de winden waaien en storten zich op ons huis.
Hoe vast staat dat?
Net vóór het gedeelte van vandaag spreekt Jezus over mensen die heel vroom bidden en roepen ‘Heer, Heer’, maar die in de praktijk niets waarmaken van de woorden van God.
Mooie woorden, maar geen bijpassende daden.
Jezus spreekt die woorden met ongetwijfeld in zijn achterhoofd de houding van sommige Schriftgeleerden die heel vroom en serieus met de woorden van God bezig zijn maar die in de visie van Jezus er niets van bakken.
Ze voelen zich beter dan de andere mensen, stellen hoge eisen aan zichzelf en de andere mensen, maar de liefde die concreet wordt in daden voor de ander ontbreekt.
Eigenlijk zijn het mensen die God voor zichzelf claimen, zoals hamsteraars het vak met toiletpapier leegroven: zo, dit is allemaal voor mij, en helaas er is niets meer over voor jullie. God is voor mij, en niet voor jou. Pech gehad.
Zo’n manier van leven, dingen voor jezelf opeisen, niet willen delen met een ander, je niet willen inzetten voor een ander, je niet willen geven aan een ander, zo’n manier van leven is als iemand die zijn huis bouwt op het zand.
Als dan de storm opsteekt, en er wordt op het huis ingebeukt, dan stort het in en blijft er niets van over.
Wat in het Bijbelgedeelte van vandaag heel sterk naar voren komt is: mooie woorden, vrome woorden moeten wel samengaan met mooie daden.
Niet wat iemand met woorden naar voren brengt, al klinkt het nog zo gelovig en toegewijd, maakt iemand tot deelgenoot van het koninkrijk van God.
De maatstaf is of iemand de wil van de hemelse Vader doet.
Je kunt wel allerlei mooie dingen zeggen, maar waar het op aankomt is dat je goede dáden doet, dat die mooie woorden samengaan met mooie daden.
Dat wat je zegt en wat je doet met elkaar overeenkomen.
Dan lijk je op die verstandige man die zijn huis bouwt op stevige grond, zo staat het in de Bijbel in Gewone Taal.
of, zoals in onze vertaling staat, die zijn huis bouwt op een rots.
Wie de woorden van Jezus hoort én doet, is wijs en geeft aan het huis van zijn leven een stevig fundament, een fundament dat ook houvast geeft als de storm tegen het huis aan beukt.
Het beeld hier is: het bouwen van een huis.
Wat is dat, bouwen aan een huis?
Daar zijn we toe geroepen. Daartoe roept Jezus ons op.
Een huis – niet het eigen huisje, een eigen bestaan met alles van en voor onszelf.
Het gaat om zeg maar het messiaanse huis: samen iets maken van de wereld, samen bouwen aan het Koninkrijk van God, samen iets bouwen waarin je zelf kunt wonen, waarin een ander kan schuilen, waarin ook God kan wonen.
Dat is, zo hoor ik in de Bergrede, de roeping van ons leven, dat wat ons leven de moeite waard maakt, zin geeft en doel: een huis bouwen op een rots.
Bouwen op een rots – even denkend aan de situatie toen in Israël - is veel zwaarder werk dan bouwen op zand.
Het gaat ook minder snel.
Zo moeizaam dat je soms de neiging hebt om op te geven.
Het is hóren naar Jezus woorden, én gehoor geven, iets dóen met Jezus’ woorden.
Net als de woorden die de afgelopen tijd vanuit de regering tot ons gesproken zijn: je kunt ze aanhoren en naast je neer leggen, of je kunt ze serieus nemen en je leven ernaar inrichten.
Daar gaat het om: Jezus’ woorden niet voor kennisgeving aannemen, maar accepteren als stenen om te bouwen.
Dan bouw je op het goede fundament.
Laten we Jezus volgen op de weg die Hij gegaan is, in vertrouwen dat God met je meegaat, en je niet zal loslaten.
Dan kom ik bij het lied dat we zo gaan zingen, het is al een oud kerklied, Lied 905 in ons Liedboek, waarin datzelfde beeld terugkomt:
“Wie zich door God alleen laat leiden,
enkel van Hem zijn heil verwacht,
weet Hem nabij, ook in de tijden
die dreigend zwart zijn als de nacht.
Want wie op God alleen vertrouwt,
heeft nooit op zand zijn huis gebouwd.”
Het is een lied dat Georg Neumark schreef zo rond 1650, een tijd met heel veel minder zekerheid dan wij gewend zijn geraakt.
Ook in zijn leven had het gestormd. Hij was door het oog van de naald gekropen.
Toen schreef hij dit lied, een lied dat mij in deze tijd troost en bemoedigt.

Meer dan het gewone - 15 maart 2020 - Ds. Eibert Kok

Meer dan het gewone?

Zondagmorgen 15 maart 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Matteüs 5: 43-48

Wanneer doe je het goed?
Afgelopen dagen zag je het gebeuren in de supermarkten: er werd gehamsterd.
Hele schappen die leeg waren.
Geen brood meer te krijgen. De laatste melk.
Grote partijen toiletpapier en paracetamol werden er ingekocht.
Waarvoor? Om genoeg voorraad te hebben in deze onzekere tijd, denk ik.
En zo komt uit waar je, als iedereen normaal zou doen, niet bang voor hoeft te zijn: dat er tekort ontstaat in de winkel.
Maar ook dat mensen die echt paracetamol nodig hebben achter het net vissen omdat een ander onnodig veel heeft ingeslagen.
Dus de een heeft meer dan genoeg en de ander te weinig.
Ineens speelt heel dichtbij, wat op mondiaal niveau eigenlijk altijd speelt.
Is dat fout dan, tien doosjes paracetamol inkopen, dat mag toch? Ja, dat mag. Volkomen legaal. Je gaat tegen geen enkel gebod of verbod in. Maar is het daarmee ook goed?
Volgens mij hebben de woorden die we vanmorgen gelezen hebben daar wel iets over te zeggen.
Iets heel anders wat ik afgelopen dagen zag. Via social media zijn er mensen, jongeren, die hun diensten aanbieden aan anderen, ouderen, die de deur niet uitkunnen of durven,
jongeren die bijvoorbeeld boodschappen willen doen of de hond uitlaten. Dat zijn mooie initiatieven om juist in moeilijke tijden een ander te helpen.
Moet dat? Kun je je niet beter tot je eigen zaken beperken? Je doet toch niets fout als je dat niet doet? Nee, dat niet.
Maar is het daarmee ook goed?
Vandaag hebben we woorden gehoord uit de Bergrede van Jezus.
Regelmatig wordt de vraag gesteld of het wel realistisch is wat Jezus de mensen in de Bergrede voorhoudt.
De Bergrede is, in de historische context gezien, ook een soort twistgesprek met de Farizeeën en Schriftgeleerden, mensen die zich fanatiek proberen te houden aan de regels die gegeven zijn.
Ze vinden dat Jezus daar veel te vrij mee omgaat.
Jezus neemt in hun ogen de wetten en regels niet serieus genoeg.
Maar Jezus zit daar anders in. Hij zegt:
“Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.”
Er volgen dan allerlei voorbeelden hoe er toen vanuit de traditie gedacht werd over de manier waarop je behoorde te handelen in bepaalde situaties.
“Jullie hebben gehoord dat er ooit, vroeger, tegen jullie voorouders gezegd is…” en dan volgt een concrete situatie,
“maar ík zeg jullie…” en dan volgt de manier waarop Jezus daarin staat.

Er wordt weleens gedacht dat Jezus zich in de Bergrede afzet tegen de geboden van het Oude Testament.
Maar dat is niet zo. Jezus spitst het toe.
Jullie hebben gehoord dat destijds gezegd is…
Ik zeg jullie…
Wat hij dan zegt is een grotere opgave dan wat er vanouds gevraagd werd.
Wat hij zegt gaat niet ín tegen wat vanouds tegen de mensen gezegd is, maar geeft het wel een bepaalde richting.

Het is mooi te illustreren aan het eerste wat genoemd wordt.
Jullie hebben gehoord dat vroeger tegen het volk gezegd is: Niet doodslaan. Ik zeg jullie… Dan volgt Jezus’ invulling.
Niet doodslaan.
De meeste mensen kunnen zeggen: daaraan heb ik me niet bezondigd.
Dat klopt, maar is geen minimale interpretatie van die woorden? Als je niemand vermoord hebt, doe je niets fout. Dat klopt.
Maar is dat de bedoeling van die regel?
Klinkt daarin niet een pósitieve intentie door?
Daar wil Jezus de mensen oog voor geven.
De positieve bedoeling zou kunnen zijn dat we elkaar op we elkaar op Gods goede aarde ruimte geven, het leven mogelijk zouden maken.
Wat doen wij bijv. als we jarenlang boos zijn op een medemens? Je kunt hem niet luchten of zien.
Wat doen wij als we een ander veroordelen omdat die anders is?
Wat doen we als we achter de rug om van die ander hem of haar omlaag halen?
Wat doen wij als wij de ander negeren, doodverklaren, niet willen zien?
Is dat ook niet een manier van ‘de ander doden’?
De bedoeling van die regel is, zo lijkt Jezus hier te willen zeggen: de ander het leven mógelijk maken, ruimte geven,
en dat omvat veel meer dan iets níet doen, dat betekent dat je voor een ander iets wél doet.
Dan ineens ga ik snappen wat Jezus bedoelt als hij zegt: Laat jullie gerechtigheid groter zijn dan die van de Farizeeën en Schriftgeleerden.
Dan moeten we niet denken aan ons strafrecht: het kwade moet gestraft worden, en dat heet dan gerechtigheid.
Dat is een minimale invulling van het begrip gerechtigheid.
In de bijbel is gerechtigheid een veel royaler woord.
Gerechtigheid is doen wat er van je verwacht mag worden, functioneren naar je bedoeling.
Als ik in mijn auto stap, de auto start en hij doet het, dan is die auto rechtvaardig, hij functioneert naar zijn bedoeling.
Maar het kan ook gebeuren dat hij het niet doet, dan is hij onrechtvaardig, dan is dat zonde, dan schiet hij zijn doel voorbij.
Niet doen wat er van je verwacht mag worden is zonde.
Een mens is rechtvaardig, als hij werkelijk mens is voor God en zijn medemens.
Zo iemand loopt niet netjes op de paadjes, maar gaat royaal zijn weg, royaal naar een ander toe.
Geen minimale gerechtigheid, maar royale.
Meer doen dan het gewone.
Met hamsteren overtreed je geen enkele regel. Dus doe je niets fout. Maar daarmee is het nog niet goed, want je kijkt alleen naar jezelf en niet naar de ander.
Een minimale houding.
Daartegenover nodigt Jezus ons uit tot een royale houding.
Je hulp aanbieden via social media. Hoeft strikt genomen niet. Maar voegt zeker iets toe. Meer doen dan het gewone.

Ik sluit af met de woorden van Lied 973:

Om voor elkaar te zijn uw oog en oor,
te zien wie niet gezien wordt, niet gehoord,
en op te vangen wie zijn thuis verloor,
halleluja.

om voor elkaar te zijn uw hand en voet,
te helpen wie geen helper had ontmoet:
wie dorst of hongert wordt getroost, gevoed,
halleluja,

om voor elkaar te zijn uw hart en mond,
om op te komen voor wie is verstomd,
voor wie gevangen zit of is gewond,
halleluja,

roept U ons, Christus, uw gezicht te zijn,
gerechtigheid en vrede, brood en wijn,
uw liefde, hoop, geloof – uw zonneschijn.
Halleluja!

 

Zalig of gelukkig?-1mar-CWvdM

Overdenking op 1 maart 2020 – Atriumviering Ontmoetingskerk
Lezingen: Jesaja 30: 19-21 en Mattheus 5: 1-12 (hoofdlezing)
Thema: zalig of gelukkig?

Gemeente van Jezus Christus,

De Bergrede. Onder die naam kennen we de lange toespraak van Jezus die de evangelist Mattheus doorgeeft in de hoofdstukken 5, 6 en 7 van zijn evangelie. De woorden van de Bergrede brengen veel inspiratie. Maar ze hebben door de eeuwen heen ook voor veel discussie gezorgd. Want hoe leg je die woorden van Jezus uit? Daar zijn meters boeken over geschreven, dus ik zal er zeker het laatste woord niet over zeggen. Maar ik probeer er wel iets over te zeggen. Met name over de verzen die net gelezen zijn, het begin van de Bergrede.
Die eerste verzen van hoofdstuk 5 hebben een aparte naam gekregen: de zaligsprekingen. Niet omdat Jezus ze zo genoemd heeft. Maar omdat vertalers en uitgevers die naam bedacht hebben en als kopje boven de tekst hebben gezet. Als een hulpmiddel voor ons lezers. Maar zo’n hulpmiddel kan ook een struikelblok worden. Want vertalen is altijd al een beetje uitleggen. En de uitleg van Bijbelwoorden verandert door de eeuwen heen. Daarom zien we in de Nieuwe Bijbelvertaling dat kopje met het woord zaligsprekingen opeens niet meer terug. Waarom niet? Omdat het Griekse woord dat in de oude vertaling met zalig werd vertaald in de nieuwe vertaling met gelukkig wordt vertaald. En gelukkigsprekingen klinkt niet zo goed.
In die twee woorden: zalig en gelukkig zit een probleem verborgen over de uitleg van de woorden van Jezus aan het begin van de Bergrede. Wanneer je in de vertaling het woord zalig gebruikt zit daar een duidelijke verwijzing in naar het leven ná dit leven. Immers, als iemand zalig wordt verklaard weet je ook zeker dat diegene al een tijd gestorven is. We zeggen over iemand die gestorven is: zaliger nagedachtenis. Zalig zijn mensen in het hiernamaals. Het koninkrijk van de hemel, een term die twee keer voorkomt in deze verzen, wijst dan op een eeuwig leven. Daar mag je deel aan hebben wanneer je op aarde een vredestichter bent, wanneer je nederig van hart bent. De troost die je beloofd wordt, de verzadiging van wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, het zien van God – het komt er pas van ná dit leven. Het is de grote beloning in de hemel waar in vers 12, het laatste vers uit het gedeelte dat gelezen is, over gesproken wordt.
Ik zou me kunnen voorstellen dat er tijden zijn waarin die uitleg sterk op de voorgrond staat. In tijden, bij voorbeeld, waarin er sprake was van grote en zware vervolgingen van christenen door de overheid van het Romeinse rijk. In de eerste eeuwen van het bestaan van de kerk zijn er een aantal van die golven van vervolging geweest. En ook tegenwoordig zijn er nog plekken op de wereld waar christenen hun leven niet zeker zijn. In bepaalde regio’s in Afrika, in Pakistan, in Noord Korea, in toenemende mate in China: daar is het leven voor christenen vaak letterlijk een tranendal. En wij kunnen hier niet veel meer doen dan voor hen bidden. Alleen soms kunnen we een medechristen helpen, zoals Asia Bibi, die vrouw uit Pakistan, die een paar jaar in de dodencel heeft doorgebracht, beschuldigd van godslastering, en die met veel hulp vorig jaar via Nederland de weg naar Canada heeft gevonden.
Maar toch zitten er ook haken en ogen aan wanneer we de woorden van Jezus uit het begin van de Bergrede alleen maar op die manier kunnen begrijpen. Heeft de boodschap van Jezus geen andere troost dan een eeuwig leven nà dit leven? Dan blijft er weinig te zingen over in de kerk, behalve het bekende liedje van Hanna Lam: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde. Een mooi liedje, om te troosten wie erg verdrietig zijn. Maar bieden de woorden van Jezus ook nog inspiratie voor het leven hier op aarde? Als het leven hier op aarde er nauwelijks toe zou doen, als het niet meer is dan een soort voorportaal van de hemel, waarom is Jezus ons leven hier op aarde dan komen delen?
Als je alles in dit leven laat verwijzen naar het hiernamaals dreigt het geloof iets van een karikatuur te krijgen. Ik moet denken aan een verhaal dat ik lang geleden hoorde van mijn leraar godsdienst op de middelbare school. Die was een paar jaar wijkpredikant geweest, maar dat werk paste hem niet zo goed. Hij vertelde over een kerkdienst waarbij hij aan het eind, bij de deur, iedereen een goede zondag wenste. Er kwam een gemeentelid op hem af, een mevrouw in een bontjas, die hem verwijtend aankeek en zei: ‘Dominee, u hebt veel te vrolijk gepreekt. U moet niet vergeten: de wereld is een tranendal’. En ze liep het kerkpad af waar een chauffeur de deur van een grote auto openhield waarin ze naar huis gereden werd. Of denk aan de afgebeulde huisvrouw die in de biechtstoel aan de pastoor vertelt dat haar man haar dagelijks in elkaar slaat. ‘Het zal je in het hiernamaals vergolden worden’, zegt de pastoor. Hebben we in de kerk geen andere troost?
Wel degelijk hebben we die. En in de nieuwe Bijbelvertaling hebben de vertalers geprobeerd dat duidelijk te maken door een ander woord te gebruiken: het woord gelukkig. De woorden van Jezus zetten ons leven in een ander licht. Niet alleen later, in een hiernamaals. Maar nu al. Alleen dreigt dan een ander misverstaan van Jezus’ woorden. Er zijn mensen die denken dat Jezus ons aan het begin van de Bergrede allerlei plichten oplegt. Dat Jezus ons vertelt wat er allemaal moet, willen we iets van geluk ervaren. Alsof je geluk moet verdienen. Door nederig van hart te zijn, vooral niet te vrolijk, zachtmoedig en vol verlangen naar rechtvaardigheid, noem het hele rijtje maar op. Dan ligt de lat behoorlijk hoog. Dan is geluk blijkbaar de beloning voor een vrome prestatie. Daar gaat weinig troost van uit, in mijn ogen. Dan legt geloven een zware last op de schouders van een mens.
Het is zaak om, als we de woorden van Jezus willen begrijpen, een hele andere ingang kiezen, denk ik. Laten we, om te beginnen, proberen te luisteren met Joodse oren. Want we moeten niet vergeten dat Jezus een Joodse man was, die leefde vanuit het Joodse geloof, die zich liet inspireren door de Joodse heilige schrift. En in de woorden van Jezus klinken de woorden door van die Joodse heilige geschriften, met name de boeken van de profeten en de boeken van Mozes. Het begin van Mattheus 5 legt meteen al een verband met de persoon van Mozes. Want Mozes ging de berg Sinaï op om het verbond tussen God en het volk Israël te bevestigen. Ook in de woorden van de profeet Jesaja, in Jesaja 40, horen we de oproep om op een hoge berg te klimmen om het herstel van de verbondsrelatie tussen God en zijn volk uit te roepen. Dat Mattheus vertelt dat Jezus de berg opgaat is dus heel veelzeggend. Het is niet zomaar een plek die toevallig voorhanden was. Het is de plek die aangeeft dat er iets gaat klinken dat met de verbondsrelatie van God met het volk Israël te maken heeft. Jezus gaat woorden spreken die het verbond tussen God en mensen bevestigt.
Het woord dat Jezus gebruikt wijst ook op die verbondsrelatie. Het Griekse woord dat Mattheus gebruikt, of we dat nu vertalen met zalig of met gelukkig, is door Jezus nooit gesproken. Jezus sprak Aramees, met een achtergrond van Hebreeuwse teksten in de wet van Mozes en de boeken van de profeten. Hij heeft hoogstwaarschijnlijk een woord gebruikt dat je in het Oude Testament vaak tegenkomt in het kader van het verbond tussen God en mensen. Dat woord kunnen we het beste vertalen met: gezegend. Mensen die zich opgenomen weten in het verbond met God mogen zich gezegend weten.
Die zegen is om te beginnen een belofte. Een belofte voor wie nederig van hart zijn, voor mensen die treuren, mensen die zachtmoedig zijn en mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Die eerste vier uitspraken wijzen niet op morele prestaties die mensen moeten leveren. Die uitspraken wijzen op hoe mensen er aan toe kunnen zijn. In de woorden van de profeet Jesaja kom je die groepen ook tegen. Mensen die door de ballingschap van het Joodse volk van hun wortels zijn losgesneden. Onderdrukt in een vreemd land. Mensen die zich gebroken voelen, mensen die treuren, mensen die geen hoge dunk van zichzelf hebben, mensen die vurig verlangen dat hun eindelijk recht wordt gedaan. De woorden van Jezus wijzen er op hoe mensen zich kunnen voelen: vertrapt, verdrietig, onder aan de ladder, uitgeput door onrecht. En Jezus voedt hun vertrouwen dat God hen niet in de steek zal laten. Hun gebroken hart zal weer geheeld worden, ze zullen troost ontvangen, opgericht worden. Hun zal weer gerechtigheid worden gedaan. Jezus spreekt over de zegen van een verbond met God, wanneer mensen zich daar aan toe durven vertrouwen.
De woorden van Jezus beginnen met wat God voor mensen doet. En ze gaan verder met het antwoord dat dan van mensen gevraagd wordt. Want wie zich toevertrouwt aan Gods zegen krijgt ook nieuwe kracht. De kracht om barmhartig te zijn, om zuiver van hart te zijn, om vrede te stichten. En om alles over te hebben voor de gerechtigheid. Zelf vervolging en smaad. Zoals de eerste reeks van vier uitspraken eindigt met het begrip gerechtigheid, de gerechtigheid die God zal schenken, zo eindigt ook de tweede reeks van vier uitspraken met het woord gerechtigheid. De gerechtigheid waar mensen aan vast moeten houden. Door alles heen. De zegen van God geeft hun die kracht. Dat zie je, om haar naam nog maar eens te noemen, aan die Pakistaanse vrouw, Asia Bibi, die in haar jaren in de dodencel niet één keer haar christelijk geloof verloochend heeft. Ze bleef zich daaraan vasthouden. Ze wist dat alleen daar zegen mee in haar leven kwam.
Dat is waar de woorden van Jezus over gaan, geloof ik. In Hem mogen we degene herkennen over wie de profeet Jesaja spreekt in de woorden die we vanmorgen ook gehoord hebben: Met eigen ogen zul je je leermeester zien, met eigen oren zul je een stem achter je horen zeggen: ‘Dit is de weg die je moet volgen. Hier moet je rechts. Ga daar naar links’. Jezus wil ons vertrouwen voeden dat we ons gezegend mogen weten wanneer we ons aan Gods liefde durven toevertrouwen. Zegt dat iets over het leven na de dood? Ongetwijfeld. Maar het zegt ook iets over ons leven hier op aarde. Dat is lang niet zalig. Het is ook niet altijd gelukkig. Maar we mogen ons door alles heen gezegend weten met de liefde die God ons in het leven van Jezus geopenbaard heeft. Ik hoop dat we daar onze kracht zullen zoeken en vinden. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.