Het is een wonder-6sep-CWvdM

Overdenking op zondag 6 september 2020 – Ontmoetingskerk Naaldwijk
Lezingen: 1 Koningen 17: 1-16 (hoofdlezing) en Marcus 12: 38-44
Thema: Het is een wonder

Gemeente van Jezus Christus,

Hier in het Westen van het land valt het nog wel mee. Maar in het Oosten van Nederland is sprake van droogte. Hier en daar staat de natuur op omvallen, las ik vorige week in de krant. Het is immers al het derde jaar dat er een tekort aan neerslag is in ons land. Dat hadden we toch nooit kunnen denken. Een tekort aan water in wat bekend staat als een waterland. We zijn al eeuwen bezig het water in bedwang te houden. En nu komen we water tekort.
We lezen in de krant ook wat de oorzaken zijn. Niet alleen een tekort aan regen. Maar, nog veel belangrijker, de manier waarop wij mensen water verbruiken. De grondwaterstand die kunstmatig laag gehouden wordt om agrarische belangen te dienen. De zwembadjes in de tuinen. En nog zo wat meer.
Ik heb nog niemand horen zeggen dat de droogte in Nederland een straf van God is. Dat horen we wel in het Bijbelverhaal dat vanmorgen gelezen is. De regering van koning Achab is een toonbeeld van onrechtvaardigheid en goddeloosheid. En dat heeft gevolgen. Drie jaar lang zal er geen regen of dauw zijn in het land. Dat is het woord van God dat de profeet Elia aan de koning over moet brengen.
Is droogte een straf van God? Het antwoord op die vraag hangt samen met de manier waarop wij de werkelijkheid om ons heen ervaren. In de tijd dat de profeet Elia leefde hadden mensen geen zicht op ontwikkelingen rond het klimaat. Ze hadden maar één antwoord op vragen over ziekte of rampen: daar moest een mens de hand van God in zien.
Het is ook nog niet zo heel lang geleden dat dezelfde antwoorden in ons deel van de wereld klonken. Een pestepidemie of een choleraepidemie werd in ons land tot in de negentiende eeuw ook als een straf van God gezien. Tot we begrepen dat meer hygiëne een eind maakte aan die ziektes. En van hoeveel kansels zal geroepen zijn dat de watersnoodramp in 1953 een straf van God was?
Dat zult u vanmorgen van deze kansel niet horen. Wij hebben andere antwoorden op zulke vragen. We hebben een ander beeld van God. We geloven immers ook niet meer dat de aarde plat is, zoals iedereen dacht in de tijd dat de profeet Elia leefde. We hebben een andere ervaring van de werkelijkheid om ons heen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat we in die andere werkelijkheid niets meer van God kunnen ervaren. Het verhaal waar we vanmorgen naar luisteren heeft ook ons, in onze ervaring van de werkelijkheid, meer dan genoeg te bieden, denk ik.
Dan moeten we ons alleen niet laten verleiden tot heftige gesprekken die niet verder komen dan de vraag: Is dit letterlijk precies zo gebeurd of niet? Soms zijn de meest inspirerende, de meest prachtige verhalen uit de Bijbel de bron geweest voor de meest verschrikkelijke gesprekken over het geloof in God. Gesprekken waarin mensen tegenover elkaar staan met rode hoofden. Gesprekken waarin het gaat over gelijk hebben, en of iets wel of niet echt gebeurd is.
Dat die vraag opgeroepen wordt is niet zo vreemd bij een bijbelgedeelte waarin verteld wordt over bijzondere dingen. We horen over meel en olie die niet opraken. Dat zijn niet bepaald dingen die vanzelfsprekend zijn. Misschien moet dat ook als eerste gezegd worden in een woordenstrijd over wonderen: dat ze niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is niet letterlijk zo gebeurd. Er gebeuren dingen die niet vanzelfsprekend zijn. Dat moet ook gezegd worden tegen mensen die zeggen: dat is letterlijk zo gebeurd. Een wonder, daar moet je niet over praten alsof het zo vanzelfsprekend is als een recept voor appeltaart.
En dat moeten we zeker vanmorgen niet doen. Want we hebben gehoord over het wonder van het meel en de olie die niet opraken. Maar ik geloof dat ons vanmorgen veel meer wonderen verteld worden dan dat ene. Het is maar net of je het wilt zien, het wonder in ons leven. Mensen zijn daarin heel verschillend, mogen dat, denk ik, ook zijn. En wat ons vanmorgen geopenbaard wordt is, geloof ik, vol wonderen. Ik luister met verwondering. Ik luister met verwondering naar de opdracht die de profeet Elia krijgt van God.
Hij krijgt om te beginnen de opdracht om naar de overkant van de Jordaan te gaan. Daar zal hij een plek vinden waar het leven nog leefbaar is. Daar licht iets op van een ander beeld van God dan een god die vanuit de hemel, op grote afstand, de mensen en de wereld met harde hand bestuurt. Daar licht het beeld op van God die voor mensen zorgt. God die de vlam van de hoop in mensen levend houdt. God die mensen de moed geeft om vol te houden. God die mensen inspiratie geeft om onverwachte wegen te vinden die hen in het leven verder helpen. En de natuur helpt een handje mee. Dat kan ons er aan herinneren dat we ons leven niet los moeten zien van de natuur. Ik moet denken aan de enorme terugval van het aantal insecten in ons land. Geen insecten betekent geen bevruchting van bloemen, planten, gewassen. Zonder hulp van de natuur loopt het leven gevaar. Met hulp van de natuur gaat het leven van Elia verder.
Maar daar stopt het verhaal niet. Hij moet verder. Hij moet naar het plaatsje Sarefat. Dat ligt vlak onder de grote, machtige stad Sidon. Sidon, de stad waar Izebel vandaan komt, de koningin die haar man Achab op weg stuurt in een godsdienst die het recht van de sterkste belijdt. Elia moet naar het hart van het land waar zij vandaan komt. Is dat veilig? Is dat verstandig? Wat moet hij in dat land? Wat moet hij met die mensen? Zulke vragen duiden aan in welke valkuil wij mensen, geloof ik, wel vaker trappen. De valkuil van algemene praatjes en vooroordelen. We praten over landen, en volken, en hele groepen mensen in het algemeen. We hebben het over Marokkanen, en over Turken, en over vluchtelingen. En in alle woorden wordt hoorbaar: blijf er maar ver vandaan. In de Bijbel klinkt de stem van God tot Elia: ga naar Sarefat, dat tot Sidon behoort. Want daar zul je iemand ontmoeten die een mens naar mijn hart is.
Dat vind ik ook zal zo'n wonder: dat je mensen tegenkomt die voor een ander willen zorgen. "Ik heb daar een weduwe geboden u te verzorgen", zo horen we de stem van God. Dat nodigt ons natuurlijk niet uit om over God te denken als een sergeant voor het gelid van de troepen, die een vrijwilliger aanwijst. Nee, maar God maakt liefde en betrokkenheid in mensen wakker, God maakt dat mensen hun portemonnee trekken, hun deur open zetten. God maakt dat mensen hun leven met elkaar willen delen. Niet omdat ze zoveel bezitten. Nee, alleen omdat ze willen delen. Zo hoor je oude Amsterdammers met weemoed vertellen over de Jordaan, voor de oorlog. Nee, ze hadden het vreselijk arm - er was nauwelijks wat te eten. Maar het was zo gezellig - mensen deelden het weinige dat ze bezaten, mensen deelden hun leven met elkaar. Een wonder, in onze tijd van individualisme. Mensen zijn bereid te delen wat ze bezitten, zelfs al lijkt er helemaal niets meer te zijn. In Beiroet, in Libanon, gebeurt dat wonder dagelijks, denk ik.
En dan gebeurt er weer iets waar ik met verwondering naar luister. Niets heeft de weduwe meer. Ze maakt haar laatste broodkoek klaar. En dan zit er voor haar en haar zoon niets anders op dan te wachten op de dood. Ze brengt haar zorgen en haar angst onder woorden. Ze deelt zelfs haar machteloosheid met een ander mens. Dat moet in onze ogen, mensen van een tijd waarin het gaat over grenzeloze mogelijkheden en "alles moet kunnen" toch wel haast een wonder zijn: dat mensen hun machteloosheid met elkaar delen. En juist daar, waar het leven dat wonder laat zien, zie je ook dat God nieuwe wegen wijst. In dit verhaal wordt dat ons geopenbaard door het beeld van het meel dat niet opraakt, de olie die niet ontbreekt.
Dat kun je zo opvatten dat je zegt: het verhaal laat ons zien dat je met heel weinig heel ver komt, als je maar bereid bent om te delen. Ik heb ook eens iemand horen zeggen: mensen waren zo onder de indruk dat die weduwe nog gastvrij kon zijn in haar armoede, dat ze het aan meel en olie niet lieten ontbreken. Het werd aan huis bezorgd. Je kunt ook zeggen: er gebeuren wonderen, dingen die onze zintuigen en ons verstand te boven gaan, maar ze gebeuren, dus waarom zou dit niet letterlijk zo gebeurd kunnen zijn? Als we dit maar vast houden: de Bijbel openbaart ons het wonder van Gods liefde, die voor het leven van de mensen, zijn kinderen, wil zorgen.
De Bijbel openbaart ons het wonder van Gods zorg, die ons leven op nieuwe wegen brengt, wegen waarop de verwondering doorgaat. De verwondering over het vertrouwen waarmee de weduwe leeft. Want als de profeet haar zegt dat ze eerst iets voor hem klaar moet maken, en daarna iets voor haar zoon, dan gebeurt het ook zo. Ze wordt niet geleid door de angst of er voor haar dan nog wel genoeg overblijft. Ze vertrouwt dat God voor haar leven zal zorgen, en ze doet wat haar hand vindt om te doen. Net als die andere weduwe, over wie we horen in het Evangelie naar Marcus. Ze geeft alles wat ze heeft. Letterlijk staat er: ze geeft heel haar leven. Ze vertrouwt haar leven toe aan de zorg van God.
Zo leert de Bijbel ons te geloven, tegen allerlei andere vormen van geloof in. De Bijbel verkondigt ons geen geloof van regeltjes en dogma's, van angst en doem. De Bijbel verkondigt ons het geloof in God die woorden spreekt van nieuw leven, die ons leven nieuwe wegen wijst, die voor ons zorgen wil. Dat is het perspectief van ons leven. Moge het grote wonder van Gods liefde en zorg de inspiratie voor ons leven zijn. In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

 

Slagboom - 23 augustus 2020 - ds. Eibert Kok

Slagboom?

Zondagmorgen 23 augustus 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Matteüs 22: 34-40

preek 23 aug 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vandaag gaat het over het grootste gebod in de wet.
Welk gebod, welke regel is het belangrijkste? Dat is de vraag die gesteld wordt.
Een vraag die misschien nog daaraan voorafgaat is hoe we tegen geboden, regels aankijken. Hoe gaan we daarmee om?
Gistermorgen was ik op het strand bij Molenslag en bij die parkeerplaats daar zijn dit jaar nieuwe slagbomen geplaatst.
Eerlijk gezegd heb ik een beetje een hekel aan dat soort slagbomen.
Op Molenslag mag je twee uur gratis parkeren. Wil je wegrijden, weigert dat kaartje in het automaat. De boom bleef dicht. Pas na hulp van parkeerwachten ging de boom open.
Die bomen geven mij dan het gevoel dat mij iets van mijn vrijheid ontnomen wordt.
Bij campings met een slagboom krijg ik datzelfde gevoel.
Waarom die afgrenzing? Die onnodige betutteling? Nou ja, soms is er ook wel wat voor te zeggen, maar het doet wel afbreuk aan mijn gevoel van vrijheid in de vakantie.
Nu brachten wij dit jaar een deel van onze vakantie door op een natuurcamping in Drenthe.
Bij een natuurcamping denk ik: daar komen natuurliefhebbers, rustzoekers op af, die zich ook zo gedragen. Vanzelfsprekend: geen auto bij je kampeerplek. Rust. Daar heb je op een natuurcamping, denk ik dan, geen slagboom voor nodig.
preek 23aug 2

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar wat schetst mijn verbazing? Nee, geen slagboom, maar een veel dichter hek dan ik ooit bij een camping gezien heb.
En dat ging alleen maar open om aan het begin van je verblijf je spullen bij de plek te brengen, en aan het eind van je verblijf om je spullen op te halen.
Een hek, een slagboom: tot hier en niet verder.
Het zou zomaar kunnen zijn dat heel wat mensen zo’n idee hebben bij geboden en regels: Een slagboom, een hek, tot hier en verder mag je niet, je wordt beknot in je vrijheid.
Het is nog maar de vraag of dat idee past bij de Bijbelse geboden en regels.
Natuurlijk, zo kun je er mee omgaan. En misschien hebben sommige mensen dat wel zo van huis uit meegekregen.
De Bijbelse geboden, dan gaat het vooral over wat moet, en wat niet mag, een afgrenzing, een slagboom, vrijheid die beknot wordt, een keurslijf.
Regels die je als kind al vreemd vond en die je ouders ook niet goed konden uitleggen. Waarom? Dat hoort nu eenmaal zo.
Hoe ga je om met de geboden?
preek 23aug 3

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik denk ook aan nog iets anders. I.v.m. de coronacrisis worden ons ook allerlei regels opgelegd, wat moet en wat niet mag.
Dicht bij elkaar komen in één dezelfde ruimte, dat mag niet, 1,5 meter afstand houden dat moet. Daarmee wordt ons ook iets van onze vrijheid ontnomen.
Er lijkt ook een groeiende groep mensen te zijn die zich er niet meer aan willen houden,
die zich beroepen op de vrijheid die is vastgelegd in de grondwet, en die al die regels maar onzin vinden, ballast.
Ook dan wordt naar die regels gekeken als naar een slagboom. Je vrijheid wordt beknot. En dat willen we niet.
Is er ook een andere manier om tegen geboden en regels aan te kijken?
Ja, die is er. Als je kijkt naar de achtergrond van de geboden in de Bijbel dan zijn er twee woorden die daarbij ontzettend belangrijk zijn: vrijheid en liefde.
Eerst over dat ene woord: vrijheid. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de tien geboden. Die komen niet uit de lucht vallen.
Die hebben hun plaats in het doorlopende verhaal van het boek Exodus waar verteld wordt van de bevrijding uit Egypte: een slavenvolk dat de vrijheid krijgt.
Hoe kun je nou in die vrijheid goed leven? Dat vertellen de tien geboden. Zo, kun je die vrijheid die je gekregen hebt bewaren, op die manier van leven.
En dan is het Bijbelgedeelte van vandaag helpend.
Het is maar een klein fragment een veel langer gedeelte van wat er volgens het Matteüsevangelie gedaan en gezegd wordt tussen de intocht in Jeruzalem en de arrestatie van Jezus. Dus die spanning hangt in de lucht.
En er zijn allerlei mensen die hem hinderlijk voor de voeten lopen, o.a. de farizeeën en de sadduceeën.
Ik stel me dat zo voor hoe afgelopen donderdag kamerlid Pieter Omzigt hinderlijk voor de voeten gelopen werd en bevraagd werd en zo geïntimideerd werd door demonstranten tegen de coronamaatregelen.
Zo wordt Jezus hier meermaals hinderlijk voor de voeten gelopen.
Daar begint het mee: “Nadat de farizeeën vernomen hadden dat hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar. Om hem op de proef te stellen” – ze willen er nog wel een schepje bovenop doen – klinkt dan de vraag: Meester, wat is het grootste gebod in de wet?
Of het een serieuze vraag is of een vraag om hem iets te ontlokken waarmee ze hem kunnen pakken, ik weet het niet.
Maar Jezus geeft een prachtig antwoord en zit daarmee gelijk bij het hart van de zaak.
preek 23aug 4

 

 

 

 

 

 

 

 

Het gaat om liefhebben. Om liefde. Om hart voor de zaak hebben. Om hart hebben voor God, én om hart hebben voor je medemens. Het gaat om allebei, en het gaat bij allebei om liefde.
Jezus geeft de mensen die hem lastig vallen repliek met een heel belangrijk en centraal citaat uit de wet zelf, uit de Tora: Heb de Heer, je God, lief met heel je hart en met heel je ziel en met heel je verstand.
Dat is een citaat uit Deuteronomium 6, een hele belangrijke tekst in Israël.
Maar daar laat hij het niet bij. Hij voegt er een tekst aan toe die ook in de Tora staat, uit Leviticus 19 – misschien een wat minder belangrijke tekst in Israël, maar zeer zeker wel uit de heilige Tora: Heb je naaste lief als jezelf.
Dat zijn de twee belangrijkste geboden, en – zo staat er dan bij – de grondslag van alles wat er de Wet en de Profeten staat.
Het draait bij alles om liefde, om het hart.
En het draait om de relatie tot de ander, de Ander met een hoofdletter en de ander met een kleine letter.
Je doet iets wel of niet met het oog op die A/ander, uit liefde!
Dan past ook het beeld van die slagboom niet meer.
preek 23aug 5

 

 

 

 

 

 

 

 

Een veel beter beeld is dan dat van de wegwijzer.
Het gaat er niet om dat je netjes binnen de lijntjes leeft,
het gaat er om dat je je de weg wilt laten wijzen door Gods goede geboden.
Het is niet leven binnen de lijntjes, maar leven in de lijn van, met liefde voor de A/ander.
Het is niet zo dat je iets wel of niet doet omdat dat zo volgens de regels moet, maar omdat je hárt hebt voor de A/ander.
Als ik vanuit die gedachte naar bijvoorbeeld de coronamaatregelen kijk, dan besef ik dat daarmee iets van mijn vrijheid ontnomen wordt,
maar het gaat niet alleen om mijn vrijheid.
preek 23aug 6

 

 

 

 

 

 

 

 

Jouw vrijheid heeft altijd ook met de A/ander te maken, heeft te maken met hart voor de ander.
Jouw ruimte om te leven wordt begrensd door de ander, door zijn/haar ruimte om te leven.
Leven is sámenleven, als het moet op anderhalve meter afstand, met hart voor elkaar.
preek 23aug 7

 

 

 

 

 

 

 

 

Jezus maakte het aan het eind van die week heel concreet door het brood te breken, en de beker te delen,
symbool ook van wat komen zou: die vrijdag en die zondag.
Dat is het ware leven, het hart van de zaak,
leven uit de liefde die ons gegeven is,
breken en delen,
die liefde verder brengen.
Geen slagboom, maar liefde, het hart van de zaak.

Vergeving-16aug-CWvdM

Overdenking op zondag 16 augustus
Lezingen: Exodus 32: 1-14 en Mattheus 18: 21-35
Thema: Vergeving

Gemeente van Jezus Christus,

Vergeving is iets heel moois, iets heel kostbaars. Het woord wordt dan ook vaak op een schandelijke manier misbruikt. Neem nou de fraaie Nederlandse zegswijze “vergeven en vergeten”. Ik ben bang dat die woorden, hoe mooi ze ook klinken, ook wel eens aan mensen voorgehouden worden in situaties waarin dat helemaal niet kan. In situaties waarin iemand iets heel ergs is aangedaan. Ik moet denken aan mensen die in de jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn mishandeld door Japanse soldaten in interneringskampen in Indonesië. Of die als krijgsgevangene dwangarbeid hebben moeten verrichten op Japanse scheepswerven of in mijnen in Japan.

Wat daar is gebeurd is meestal niet uitgepraat tussen slachtoffer en dader.. De dader heeft niet om vergeving gevraagd. Er is geen sprake van boete, in de verste verte niet. Maar het leven gaat verder. We kunnen er niet mee bezig blijven, vindt de omgeving. Dus tegen het slachtoffer wordt gezegd: “Vergeven en vergeten”, dat is maar het beste. Dat er dingen zijn die mensen nooit zullen kunnen vergeten, dat vergeten we dan maar even. En hoe moet iemand een ander vergeven, als die ander nooit om vergeving gevraagd heeft? Als die ander nooit blijk heeft gegeven van het besef iets verkeerds gedaan te hebben? Als die ander nooit berouw getoond heeft?

Het gaat in het Evangeliegedeelte van vanmorgen over vergeving. Maar vergeving is geen rookgordijn waarachter het kwaad verborgen kan worden ten gunste van de dader en ten nadele van het slachtoffer van het kwaad. Bij vergeving wordt er geen ruimte genomen, maar ruimte gegeven. En dat is niet vanzelfsprekend. Daarvoor moet eerst iets uitgesproken worden. Iemand moet roepen om hulp. Iemand heeft kwaad gedaan en dat maakt dat zijn leven vastgelopen is. Hij heeft hulp nodig. Hij zit ergens aan vast, en als hij daar niet van los gemaakt wordt kan hij niet verder, dan loopt zijn leven dood. Hij moet van een enorme ballast in zijn leven losgemaakt worden. Dat is vergeving. Maar kan een mens dat voor een ander opbrengen? En waar ligt de grens?

Dat is de vraag die Petrus stelt. Hoe dikwijls moeten we iemand vergeven? En hij zet meteen in: tot zevenmaal toe? Daaruit blijkt dat hij begrepen heeft dat Jezus zijn volgelingen vraagt om ommekeer. In het Oude Testament zijn een aantal plaatsen te vinden waar gesproken wordt over zevenvoudige wraak. Daar stelt Petrus zevenvoudige vergeving tegenover. Dat is al heel wat. We zouden onszelf eens af moeten vragen of wij die zeven keer wel halen. Misschien is ons geduld na drie keer wel helemaal op.

Hoe dan ook, in de visie van Petrus, hoe ruim hij ook lijkt, is er sprake van een grens. Als het aan ons mensen ligt, houdt het een keer op, vergeving. In het antwoord van Jezus worden we op een totaal ander spoor gezet. Het gaat daarin niet om een ander getal. We moeten niet het getal zeven naast het getal zevenenzeventig zetten. Het gaat in Jezus’ antwoord om een andere opvatting van ons leven als mensen naast elkaar en tegenover God.

Ook Jezus verwijst in zijn antwoord naar een plaats in het Oude Testament. In de oerverhalen uit het boek Genesis horen we over Lamech, een macho van het eerste uur. Lamech maakt duidelijk dat hij niet met zich laat sollen. Als iemand hem te na komt zal dat zevenenzeventig keer gewroken worden. Bij zo’n uitspraak hoef je niet meer te tellen. Je weet gewoon dat er nooit meer een einde aan de wraak komt. De wereld wordt een baaierd van bloed en geweld.

En Jezus wil een andere wereld. Jezus roept ons op onszelf te zien als burgers van het koninkrijk van de hemel. Daar kijken we anders naar elkaar. Daar vergeven we tot zeventigmaal zevenmaal. Ook hier hoeven we niet te tellen. Het getal zeven geeft in de Bijbel immers de volheid aan. Zoals bij de zevende dag uit het scheppingsverhaal. Het getal zeven geeft geen begrenzing aan, het opent onze ogen voor de ruimte in het bestaan. Er komt geen einde aan de vergeving, dat is wat Jezus wil zeggen. De wereld wordt een huis waar mensen samenwonen. Maar hoe kan het ooit zover komen? Kunnen wij mensen dat wel opbrengen? Hebben wij zoveel geduld, zoveel liefde, zoveel goedheid in huis?

Het antwoord van Jezus op die vraag wordt gegeven in de vorm van de gelijkenis. In die gelijkenis probeert Jezus ons leven op een ander spoor te brengen. Hij vertelt het verhaal over een koning die rekening en verantwoording vraagt van zijn dienaren. Dat is eigenlijk iets te braaf vertaald, want er staat gewoon: ‘slaven’. In onze tijd klinkt dat onfatsoenlijk, maar in de tijd dat Jezus leefde waren slaven een heel gewoon verschijnsel. We praten hier dus niet over werknemers met een cao. We praten over slaven die af moeten wachten wat hun heer over hen beslist.

En één van die slaven heeft een schuld. Ook hier geldt dat tellen zinloos is. Een talent was de grootste betaaleenheid en tienduizend was in het Grieks het hoogste getal. Het is een onoverzienbare en eindeloze schuld. Die slaaf heeft geen recht van bestaan meer. Die slaaf staat voor zijn heer in leegte en gemis, in wanhoop en verdriet. Het bijzondere van deze heer is dat dat hem niet koud laat. Hij krijgt medelijden. Hij wordt van binnen geraakt.

Het woord dat daar in het Grieks gebruikt wordt komt nog vier keer voor in het Evangelie naar Mattheus. Al die keren wordt het gezegd over Jezus, die met mensen te doen heeft, die van binnen geraakt wordt door de verwarring en de hulpeloosheid van mensen die voor Hem staan. De Heer heeft medelijden met zijn slaaf, hij neemt het gewicht van zijn schouders. Het onverwachte, het onvoorstelbare gebeurt: zijn schuld wordt vergeven, die mens krijgt weer ruimte om te leven.

Maar dan is het vervolgens wel de vraag hoe die mens met die geschonken ruimte omgaat. In de gelijkenis wordt dat voor iedereen een bittere teleurstelling. Een medeslaaf smeekt hem, vraagt hem om hulp. Maar hij geeft geen centimeter ruimte. Die keuze brengt hem weer voor zijn heer. Weer moet hij rekening en verantwoording afleggen. En deze keer ontmoet de slaaf geen medelijden, maar toorn. Want de slaaf kent zijn plaats niet. Voor de heer zijn alle slaven gelijk. Als de heer medelijden voelt voor zijn slaven, hoe zouden de slaven het dan in hun hoofd mogen halen om hard en koud voor elkaar te zijn? De slaaf wordt dus niet aangesproken op een soort innerlijke goedheid, die hij aan zijn medeslaaf onthouden heeft. Hij wordt erop aangesproken dat hij vergeten heeft hoe goed zijn heer voor hem geweest is. Een slaaf die zijn plaats niet meer kent voor zijn heer, haalt vreemde dingen uit met zijn medeslaaf. Een mens die zijn plaats niet meer kent voor God, haalt vreemde dingen uit met zijn medemens.

De gelijkenis maakt duidelijk dat we ons niet af moeten vragen hoe vaak we zullen vergeven. Dan krijgen we alleen maar discussies over hoe goed we zijn en hoelang we het dan volhouden met elkaar. De gelijkenis roept de vraag op waaróm we elkaar zouden vergeven. En hoe mensen staan tegenover elkaar heeft volgens deze gelijkenis alles te maken met hoe ze staan tegenover God. Dat betekent dat wij elkaar niet vergeven uit de goedheid van ons hart. Want vergeving op die basis levert een diepe valkuil op waar we voor op moeten passen bij het woord ‘vergeving’.

Als iemand ons om vergeving vraagt kunnen we in de verleiding komen om die situatie te gebruiken om macht over een ander mens te krijgen. Die ander stelt zich immers afhankelijk op. Wij kunnen ons opstellen op het voetstuk van onze goedheid. We kunnen zelfs voorwaarden stellen. We kunnen die ander krijgen waar we hem hebben willen. Vergeving kan gebruikt worden als een middel om mensen jarenlang in de tang te houden, door de ander steeds fijntjes te herinneren aan datgene wat vergeven is, ooit. Wat er dan gebeurt heeft met vergeving weinig te maken. De hele verhouding blijft beladen met schuld. Aan beide kanten.

We hebben elkaar dan, als in de gelijkenis, bij de keel. En uit die wurggreep wil Jezus ons bevrijden. Door ons in het scherpe beeld van de gelijkenis uit te leggen dat de vraag niet moet zijn hoe vaak we een ander moeten vergeven, maar waaróm we die ander zouden vergeven. En hoe wij tegenover een ander staan houdt verband met de vraag hoe wij tegenover God staan.

In de gelijkenis wordt fijntjes duidelijk gemaakt dat het daar eigenlijk over gaat. Als de slaaf tegenover zijn heer staat lezen we in de vertaling: “de dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte..”. En als even verderop twee mensen tegenover elkaar staan lezen we weer: “De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte”. Maar in het Grieks staat er iets anders. Wanneer de slaaf voor de heer staat smeekt hij in onderworpenheid en verering. Het werkwoord dat daar staat wordt ook wel vertaald met ‘vereren’, vereren van God wel te verstaan. En als de twee slaven tegenover elkaar staan horen we een werkwoord dat zoiets betekent als ‘te hulp roepen’.

We staan voor elkaar anders dan we tegenover God staan. Maar het staat niet los van elkaar. Oog in oog met de ander moeten we ons afvragen waar onze plaats is voor God. Oog in oog met de ander die ons om ruimte vraagt moeten we ons eerst bedenken waar onze eigen ruimte om te leven eigenlijk vandaan komt. Komt die niet van God, die keer op keer met ons bewogen is, en het leven van de mensen steeds weer nieuwe kansen geeft? Als het gaat over vergeving, dan moeten we bedenken dat we elkaar geen ruimte geven uit de goedheid van ons hart. We geven elkaar ruimte in het dankbare besef dat God ons vergeving schenkt, telkens weer. Als wij elkaar vergeven, dan tellen we niet onze verdiensten. Dan tonen we onze dankbaarheid. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

De balk en de splinter-9aug-CWvdM

Overdenking op 9 augustus 2020
Lezingen: Jesaja 5: 20-21 en Mattheus 7: 1-5 (hoofdlezing)
Thema: De balk en de splinter

Gemeente van Jezus Christus,

Er is een fraai verhaal uit de tijd dat wijlen paus Paulus VI zijn encycliek Humanae Vitae het licht deed zien, in 1968. In dat document werd het gebruik van kunstmatige voorbehoedmiddelen, zoals het condoom en de pil, aan leden van de Rooms-Katholieke kerk verboden. Kort na de publicatie van die encycliek bleek het Vaticaan echter een pakket aandelen te bezitten in de farmaceutische industrie. Laat het Vaticaan nou geld verdiend hebben aan de productie van de pil. Dat wist de paus natuurlijk niet. En die aandelen zijn toen snel verkocht. Maar het is een fraaie illustratie van het verhaal over de balk en de splinter, waar we vanmorgen naar luisteren.
In 2020, ruim vijftig jaar na het verhaal over de pil, heeft het verhaal over de balk en de splinter weer een heel andere lading gekregen. We zijn ons steeds meer bewust geworden dat je niet zo maar alles kunt zeggen over een ander. Want er is vaak een heleboel dat we over die ander niet weten. Gebrek aan kennis over de levensgeschiedenis van andere mensen, hun culturele achtergrond, zou ons voorzichtig moeten maken. We hebben ook wel eens last van vooroordelen. Dan is die balk, waar Jezus het over heeft, een gebrek aan kennis, of een vooroordeel. En als je je niet bewust bent dat je die balk in je oog hebt kun je hele stomme of oneerlijke dingen over een ander zeggen. We moeten nadenken voor we iets zeggen, anders doen we de ander geen recht.
Laat ik een voorbeeld geven. Vroeger hoorde ik mensen nog wel eens zeggen dat mensen in de tropen lui zijn. Ze zouden niet erg hard werken. Maar ik vraag me af of er in Nederland zo hard gewerkt is nu de temperatuur tot tropische hoogte gestegen is. We merken nu zelf dat je lichaam je dwingt om kalm aan te doen als het zo warm is. En bij ons is dat nog maar af en toe. In de tropen is het dag in dat uit zo warm. En de meeste mensen daar hebben geen geld voor airconditioning.
Heeft dat voorbeeld iets te maken met de woorden die Jezus spreekt? Ik denk het wel. Want door andere mensen lui te noemen zet je jezelf een treetje hoger dan die ander. Wij westerlingen zijn namelijk niet lui. Wij werken hard, van vroeg tot laat. En daarom gaat het ons beter. Maar zoiets kun je alleen zeggen als je een balk van onwetendheid en vooroordeel in je oog hebt zitten. De manier waarop we naar anderen kijken en over anderen spreken doet geen recht aan de werkelijkheid. We leven dan in een schijnwerkelijkheid, waarin wij als beter dan de ander afgeschilderd worden. We zijn schijnheilig. Al hebben we vaak niet eens in de gaten dat we de huichelaars zijn waar Jezus het over heeft.
We zeggen soms dingen die we niet kunnen verantwoorden. Dat is het ene uiterste. Maar het kan ook doorslaan. Dat is het andere uiterste. Dan zeggen we helemaal niets meer. Mensen kunnen zich tegenwoordig verschanst hebben in hun schijnwerkelijkheid. Iedereen in z’n eigen bubbel, zeggen we tegenwoordig. En wee je gebeente als je dan kritiek hebt op die werkelijkheid. Dan kan er agressief gereageerd worden. Kijk naar jezelf, dat is het minste waar je dan op kunt rekenen. Maar er wordt soms ook heel makkelijk geslingerd met woorden als fascist of racist. Wie iets kritisch op te merken heeft wordt meteen in de hoek gezet. Er zijn dan ook mensen die hun mond niet meer open durven te doen.
En wie weet zijn er wel mensen die denken dat het zo hoort, omdat het in het Evangelie staat. Niet oordelen over een ander, staat er in het Evangelie. Dus we laten elkaar maar allemaal onze gang gaan. We mogen niets op een ander aanmerken. Zou Jezus dat nu echt met zijn woorden bedoeld hebben? Ik geloof er eerlijk gezegd niets van. Op heel wat plaatsen in het Evangelie naar Mattheus is Jezus niet mals met zijn kritiek op de Farizeeën, om maar een voorbeeld te noemen. Er is geen sprake van dat hij zijn mond houdt. Lees maar eens in hoofdstuk 23 van dit Evangelie, waar Jezus zijn kritiek op de Farizeeën niet onder stoelen of banken steekt. Hij verwijt hen dat ze zorgen dat alles aan de buitenkant er keurig uitziet. Ze houden zich netjes aan alle religieuze regeltjes. Maar van binnen hebben ze eerder minachting dan liefde voor de mensen. Jezus noemt hen blinde leiders, die uit hun drank de muggen ziften, maar een kameel wegslikken. Weten we meteen weer waar het woord ‘muggenzifter’ vandaan komt.
Jezus bedoelt in Mattheus 7 dus helemaal niet om te zeggen dat we onze mond maar moeten houden. Hij bedoelt wel dat we voorzichtig moeten zijn met wat we zeggen. Je moet niet zomaar wat zeggen over een ander. En je moet bereid zijn om de kritiek, die je op een ander uit, ook op je eigen leven te laten schijnen. Nog een verhaal van een paar jaar terug. In de Gereformeerde Kerk van Amsterdam Zuid, waar ik in de jaren tachtig begonnen ben als dominee, was het tot 1950 gewoon om een echtpaar, waarvan de bruid al voor het huwelijk zwanger bleek, in een kerkdienst openbaar schuld te laten belijden. Maar in 1950 hield dat op. Want toen kwam er een nieuwe dominee, Jan Beukenkamp geheten. Die hield ook z’n mond niet. En toen een ouderling op de vergadering van de kerkenraad voorstelde een echtpaar weer schuld te laten belijden zei hij dat hij dat een vroom voorstel vond. Mits alle leden van de kerkenraad met de hand op hun hart konden verklaren dat zij geen van allen ooit seksueel gemeenschap met hun echtgenotes hadden gehad voor de dag van hun trouwen. Allemaal mannen nog in die kerkenraad toen, natuurlijk. Toen hij dat gezegd had viel er een diepe stilte. En na die lange stilte hamerde de voorzitter het onderwerp af. Nooit meer over gesproken. Zo prik je de zeepbel van de schijnheiligheid door.
Wie kritiek op een ander heeft, maar zelf geen kritiek kan verdragen, laadt de verdenking op zich dat hij met een dubbele maat meet. Een strenge maat voor de ander, een ruime maat voor zichzelf. Maar daar kom je niet mee weg in het Evangelie. De mensen van de actiegroep Viruswaarheid, die beweren dat het corona-virus maar een griepje is, zeggen dat de maatregelen van de overheid onzin zijn. Die maatregelen bedreigen de rechtsstaat, beweren ze. Ze willen voor zichzelf alle ruimte. Maar intussen beperken ze de ruimte voor mensen met een hoge leeftijd en een kwetsbare gezondheid. Ze willen alle mogelijkheden voor zichzelf, waardoor anderen nauwelijks nog mogelijkheden hebben. Ze meten met twee maten. Natuurlijk is er wel een splinter te ontdekken in het optreden van de overheid inzake het corona-virus. Maar dat is niets vergeleken met de balk die de mensen van de genoemde actiegroep in hun ogen hebben.
Zo wordt er ook in de politiek met twee maten gemeten. Hetzelfde Tweede Kamerlid dat moord en brand schreeuwt over de economische steun aan Italië is goede vriendjes met de premier van Hongarije, een land dat net zo goed aan het financiële infuus van de Europese Unie ligt en waarvan de regering ernstig van corruptie verdacht wordt. Maar daar hoor je hem dan weer niet over. Dan heb je toch wel een stevige balk in je ogen, zou ik zeggen.
Er is nog iets in de tekst dat onze aandacht vraagt, denk ik. En misschien is dat wel het moeilijkste punt. Je zou er zomaar overheen kunnen lezen, maar tot drie keer toe horen we in de woorden van Jezus het woord ‘broeder’. In de vertaling is het wat gladgestreken: er staat twee keer ‘broeder of zuster’, en de derde keer wordt het woord helemaal weggelaten. Dan staat er neutraal: ‘hoe kun je tegen hen zeggen?’ Ik begrijp wel dat het zo in de nieuwe vertaling staat. Maar in het Grieks staat er drie keer het woord ‘broeder’ te lezen. En als iets drie keer genoemd wordt betekent dat dat er een stevige nadruk op gelegd wordt. Dan is het een kernbegrip. Broeder, of zuster, dat maakt niet uit, het is een kernbegrip in deze tekst.
We kunnen ons er natuurlijk makkelijk van af maken en zeggen: dat betekent dat de woorden van Jezus alleen gelden voor de omgang met mensen in je eigen gemeente. De mensen van buiten die gemeenschap doen er niet toe. Maar dat is mij te makkelijk. Ik denk dat Jezus bedoelt dat je in de omgang met andere mensen moet uitgaan van verbondenheid. Die ander is jouw zuster. Die ander is jouw broeder. En vanuit het besef van die verbondenheid probeer je een goede manier te vinden om met elkaar om te gaan. Zoek je het gesprek. Durf je kritiek te uiten, maar ben je bereid die kritiek ook op je eigen leven toe te passen. En probeer je het gesprek met de ander altijd te beginnen vanuit een besef van verbondenheid. Die ander is mijn zuster. Die ander is mijn broeder. Dan zeg je vanzelf geen dingen die harteloos zijn. Dan zeg je dingen omdat het leven van die ander je ter harte gaat. Dan volg je de weg die Jezus gaat. Die zijn hele leven geleid heeft in verbondenheid met ons mensen. Die zijn keuzes gemaakt heeft omdat ons leven Hem ter harte gaat. Omdat Hij ons lief heeft als zusters en broeders. Als je om elkaar geeft, kun je een hoop van elkaar hebben. Zou Jezus ons dat willen zeggen? In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.