Work harder-13mar-MMdV

Overdenking bij 2 Kronieken 1:7-13
uitgesproken 13 maart 2019
ds. Marjan de Vries

Gemeente van Jezus Christus,

preek-20190313-1.jpgWe beginnen met een kleine cursus leiderschap op deze woensdagavond.
Het zijn de leiderschapscapaciteiten van Koning Salomo waarbij we stilstaan. Hij neemt zijn leiderschapsteam mee een berg op. Komende vrijdagavond doen we dat ook met de kerkenraad van deze gemeente. We gaan samen niet een berg op maar naar de druiventuin in Monster om samen eens te kijken en stippen te zetten op de horizon. Samen in gesprek te blijven.
Zo neemt Salomo de leiders over duizend, over honderd en alle familie hoofden mee Jeruzalem uit de berg op. Daar is de ontmoetingstent, de tent die met Mozes en het volk mee door de woestijn is getrokken. En voor die tent is een altaar gemaakt. En daar offert koning Salomo duizend dieren. Ze blijven daar om de nacht door te brengen en in die nacht vraagt God aan Salomo. Wat wil je dat ik je geef?
En hij neemt zijn mensen daarin mee. Hij klopt bij God aan en geeft aan dat de verantwoordelijkheid die hij gekregen heeft zwaar op hem drukt. Hoewel hij tot dan toe succesvol is geweest wil hij zich ervan verzekeren dat God bij hem blijft in het werk dat hij moet doen als koning.
Het is mooi dat hij zo zijn kwetsbaarheid laat zien, niet alleen aan God, maar ook aan de mensen om hem heen, de mensen die hij moet leiden.

Wat vraagt Salomo in zijn gebed? Hij zegt: U hebt mij aangesteld als koning over een volk dat zo talrijk is als het stof van de aarde, schenk mij daarom wijsheid en inzicht, zodat ik dit volk kan leiden.
De juiste vraag is die naar wijsheid en inzicht. Telkens weer zal hij als eindverantwoordelijke van dit volk grote beslissingen moeten nemen. Wijsheid en inzicht zullen van pas komen. Wijsheid en inzicht zullen hem helpen de juiste weg wijzen om samen met het volk te gaan. Voor Salomo is duidelijk wat dat is: Het volk houden op de weg van recht en vrede van de Levende.
En Salomo leeft hen dit voor omdat hij steeds, ook als hij als koning heel succesvol is zich blijft richten op de Eeuwige.

Vandaag is het biddag voor gewas en arbeid. En we mogen erop vertrouwen dat nu wij hier samen zijn God ook aan ons vraagt: Wat wil je dat ik je geef?
En ook wij vragen om gerichtheid.
Juist vandaag, al doen we dat iedere zondag, iedere maandag dinsdag en woensdag. Iedere dag van het jaar, staat nog meer in het teken van de verbinding tussen het leven van alledag en onze Godsdienst. Traditioneel bidden we vandaag voor het zaaien dat bij de boeren plaatsvind in deze maanden.
Dat het goed mag verlopen, er regen mag zijn en zonneschijn zodat de oogst zal groeien.
Maar in het huidige Nederland werkt het op veel gebieden anders. Zeker bij ons in het Westland, we zijn geen boeren meer. Toch zijn ook wij vandaag naar de kerk gekomen vanavond. Omdat we hopen dat ook het komende seizoen een goed seizoen is. Dat God erbij is.
En dat wij met God mogen gaan. Welk werk we ook onder onze handen krijgen. Met natuurlijke materialen, of in de technologie, in het besturen of met onze voeten in de spreekwoordelijke klei. We bidden vanavond dat wij gericht mogen worden. Dat ons werk richting heeft, dat wij met wijsheid en inzicht ons werk kunnen doen. Zoals Salomo dat vroeg voor zijn werk.

De vraag van God aan Salomo is interessant, zeker omdat we geleerd hebben dat in gebed de mens de vragende partij is en God de ontvangende partij – Maar hier gebeurt het andersom: God helpt Salomo bij het gebed. Wat wil je dat ik je geef?
Het gebed wordt een gesprek.
De inbreng van God is ten eerste dat Hij Salomo helpt zich te richten.

Helpt God ons ook? Een belangrijke uitspraak die ik vandaag ook weer langs zag komen op de sociale media is: hier toegeschreven aan Albert Einsteinpreek-20190313-3.jpg
Bidden verandert de wereld niet, maar de mens en de mens verandert de wereld,
Op het moment dat Salomo het offer brengt en Gods hulp vraagt, geeft hij toe dat niet alles alleen maar van hem afhangt. Door te bidden, richt je je minder op jezelf en meer op God. Je opent je ogen en leert benoemen en zien waar het beter kan, en anders moet.
Mensen vragen mij weleens, dominee moeten we nu weer voor vrede bidden? En mijn antwoord is altijd ja. Omdat bidden mensen verandert. Dat gaat maar langzaam.
Maar we leren door te bidden ons te richten op die plekken in de wereld waar het nog niet is zoals we zouden willen.
We bidden een betere wereld dichterbij. Want de mens die bidt en werkelijk zijn hart openzet voor de dingen die mis zijn, en werkelijk daar de vinger op durft te leggen komt ook sneller in beweging.

Vandaag staan we met de Raad van Kerken stil bij de woorden Work Harder.
Het woord wordt verbonden, bijna op cynische wijze met de situatie van werkende armen in Nederland. In het boekje staat een interview met David, uit een artikel uit de Correspondent in 2017. David heeft een jaarcontract voor een deeltijdbaan bij PostNL.
Hij zegt niet te behoren tot de groep van werkende armen, mensen in loondienst of zzp’ers die onder de armoedegrens leven. ‘mensen die arm zijn hebben het veel moeilijker dan ik. Ze halen boodschappen bij de voedselbank. Ze kunnen hun vaste lasten niet meer betalen. Ik red me nog altijd zelf. Al is het op een gekke manier.’
David vergist zich. Hij weet niet dat de armoede grens voor een alleenstaande tussen de 971 en 1063 euro netto per maand ligt. Zijn inkomen zit daar ver onder. Hij heeft zich tot nu toe kunnen redden omdat zijn ouders bijspringen. Dat is die gekke manier.
Werk heeft hij nodig. Een bijstandsuitkering wil hij niet. Hij redt zich liever zelf.

Dan de cijfers: Van de werkende bevolking maakte in 2016 2,8% (203.000 personen) deel uit van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. De  werknemers, mensen die voor een baas werken vormen de helft van deze groep. Onder zelfstandigen met personeel is het aandeel drie keer zo groot en onder zelfstandigen zonder personeel relatief 5x.  

Work harder het is de manier waarop onze samenleving lijkt te werken. Is er plaats voor kwetsbaren op de arbeidsmarkt? Tom Naastenpad voorganger uit Rotterdam verbindt het met de tekst uit Kronieken: waarom ziet de wereld er zo uit zoals ze eruit ziet? Omdat dit is waar we van dromen. Wij hebben het in deze wereld voor het zeggen.
Dat er werkende armen zijn, dat er kinderen in armoede zijn, heeft op pijnlijke manier te maken met wat wij in deze samenleving belangrijk vinden, waar we van dromen, waar we prioriteit aan geven. Op de een of andere manier zijn we onze samenleving onze economie en arbeidsmarkt zo vorm gaan geven, dat de meest kwetsbaren daarin niet goed mee komen, dat kinderen op het spel staan. Die kwetsbaren zeggen ons iets over onze samenleving. Uit hun mond, want ontmoetten wij God niet juist in de kwetsbaren?, klinken die woorden van de Levende God, wat wil je dat ik je geef?
Het Work Harder gaat dan ook anders klinken. Het klinkt als een opdracht naar ons. We mogen onszelf openstellen voor wat nodig is in de wereld en daar ons voor inzetten onder het motto work harder aan Gods koninkrijk hier op aarde.

Amen

NB. Genoemde informatie komt uit Work Harder, informatiebrochure van Kerk in Actie en de Raad voor Kerken Nederland

preek-20190313-2.jpg

Gods water over Gods akker laten lopen- 10 maart 2019- Ds. Eibert Kok

Gods water over Gods akker laten lopen

Zondagmorgen 10 maart 2019, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing: Matteüs 13: 24-35


preek 20190310 1Vandaag gaat het over het wonder van de groeikracht, de groeikracht van een klein zaadje.
Nu hoef ik daar Westlanders niets over te vertellen.
Daar weten ze hier alles van, van goed zaad, van zaadveredeling, van het creëren van ideale omstandigheden om het zaad zo goed mogelijk te laten groeien, van optimalisering van de productie,
en ook van groeien in de markt: hoe laat je je bedrijf groeien en bloeien?
En ook dat dat keihard werken is, telkens alert zijn, je aandacht niet laten verslappen, nieuwe wegen inslaan.
De Westlandse aanpak.
Het beeld dat vanmorgen centraal staat, de gelijkenis van het mosterdzaad, is daaraan totaal tegenovergesteld.
Het gaat daar ook over het wonder van de groeikracht, maar op een heel andere manier.
Het is geen Westlandse aanpak. Of misschien toch wel?
Het is meer: Gods water over Gods akker laten lopen.
Kennen we die uitdrukking?
Het betekent zoveel als: je nergens om bekommeren, de dingen op hun beloop laten.
Die uitdrukking heeft een negatieve bijklank gekregen: de dingen op hun beloop laten, je nergens zorgen om maken, niets doen, terwijl – dat is dan de bijklank die het gekregen heeft – je eigenlijk wèl iets zou moeten doen.
Gods water over Gods akker laten lopen.
Ik moet denken aan de manier waarop wij omgaan met het klimaat, of in meer kerkelijke termen, met Gods goede schepping.
Vandaag wordt in Amsterdam een klimaatmars gehouden en de gezamenlijke kerken hebben daarbij ook een kerkdienst georganiseerd. Ook vanuit Naaldwijk gaan daar mensen naar toe.
Er zijn geluiden die zeggen: maak je niet zo druk, klimaatverandering is van alle tijden, het zal zo’n vaart niet lopen. Laat maar gaan.
Nee, zeggen anderen: je moet het niet op z’n beloop laten, je moet Gods water niet over Gods akker laten lopen. We moeten actief iets doen. Er wordt veel te weinig gedaan. Actie.
Waar komt die uitdrukking vandaan, Gods water over Gods akker laten lopen?
Ik vond op internet: De betekenis is waarschijnlijk dat men bij een overstroming het water over het land laat lopen zonder te proberen het door dijken of dammen te keren. Zou kunnen.
Maar een andere verklaring vind ik geloofwaardiger.
preek-20190310-2.jpgJe komt het nogal eens tegen in kerken waar een altaar staat of heeft gestaan: een nis in de kerkmuur dicht bij de plek van het altaar, een nis met een putje en een afvoerkanaal.
De piscina, zo heet dat wasbekken. Dat woord kennen we misschien wel van vakanties: een bordje dat verwijst naar het zwembad. Het woord betekent zoiets als: bad, bassin.
Volgens oud kerkelijk voorschrift moest in iedere kerk een wasbekken (piscina in het Latijn) aanwezig zijn voor de handwassing van de priester vóór de mis en voor reiniging van zijn vingers en van het gewijde vaatwerk na de communie.
Daar konden restjes inzitten van de geconsacreerde hostie en van de geconsacreerde wijn, en daar moet je natuurlijk met grote zorgvuldigheid mee omgaan.
Dat wasbekken bevond zich meestal in de muur naast het altaar en had een afvoer naar buiten waardoor het water op de gewijde grond van het kerkhof terecht kwam. Zo liet men Gods water over Gods akker lopen.
In de Protestantse kerken in Nederland wordt geen altaar gebruikt, en is ook geen piscina,
of heeft men, zoals op de foto bovenaan van een oude middeleeuwse kerk, dat afvoerpijpje dichtgestopt.
Gods water over Gods akker laten lopen.
Daar kun je van alles bij denken.
Misschien was het wel, zoals ik ergens las, om ook de doden op het kerkhof (gewijde grond) deel te laten krijgen aan het sacrament. Wie weet.
In ieder geval sijpelt er iets weg, een heel klein restje maar van het goede dat daar binnen die kerkmuren beleefd en gevierd wordt. Een heel klein beetje van Gods genade en liefde sijpelt de wereld in, zou je kunnen zeggen.
En we laten het maar aan God over wat daarmee gebeuren gaat.
Absoluut geen strategieën en uiterste inspanning, geen Westlandse aanpak, nee, laat het maar gaan, in vertrouwen.
Want het is Góds water over Góds akker.
preek-20190310-3.pngZo kom ik via die uitdrukking in onze taal terug bij het beeld van het mosterdzaadje, het wonder van de groeikracht van een klein zaadje, zo klein dat het zomaar over het hoofd ziet, zo klein dat het je zomaar uit de vingers glipt, en het gaat zijn eigen gang.
In Matteüs 13 worden verschillende gelijkenissen van Jezus verteld over zaaien en over zaad en wat daarmee gebeurt.
Het koninkrijk van God wordt vergeleken met iemand die zaait of met zaad zelf, en die verschillende gelijkenissen hebben hun eigen betekenis, zo ook de gelijkenis van het mosterdzaad.
Ze laten verschillende aspecten zien van het koninkrijk van God. Over twee weken komt een van de andere gelijkenissen aan de orde. Vandaag de gelijkenis van het mosterdzaadje.
Als ik dat zou moeten tekenen, dan zou ik dat, denk ik, net zo doen als op de poster van de projectafbeelding: Een grote boom, die jaren gegroeid heeft, met stevige takken.
Maar dat klopt niet bij een mosterdzaadje, zo begreep ik.
preek-20190310-4.pngUit een mosterdzaadje groeit geen boom, maar een struik.
Het is ook geen groeiproces van jaren, maar het is een eenjarige plant, die wel behoorlijke afmetingen kan aannemen.
Daarbij is het ook nog eens zo dat een mosterdzaadje helemaal niet het kleinste zaadje is wat er bestaat. Er zijn kleinere zaden.
Nu kan het best zijn dat in de tijd van Jezus het mosterdzaad wel, bijna spreekwoordelijk, gezien werd als het kleinste van alle zaden, maar men zal vast en zeker geweten hebben dat er geen enorme boom uit groeide.
Maar het gaat hier natuurlijk helemaal niet om de biologische (on)mogelijkheden van een mosterdzaad.
Het gaat om de vergelijking. Ook al is iets maar heel klein en moet je heel goed kijken anders zie je het over het hoofd, toch kan het uitgroeien tot ongedachte proporties.
Eén zo’n klein zaadje ergens in de marge van een akker, wat stelt het voor, zou je denken.
“Het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.”
Oftewel: een piepklein begin heeft de kracht in zich om te gaan groeien, om uit te groeien tot iets groots.
Als we dan even terugdenken aan de context waarin deze woorden geklonken hebben, uitgesproken door Jezus, opgeschreven en doorgegeven door de schrijver van het evangelie:
het was maar een klein groepje mensen dat geloof hechtte aan die woorden van Jezus, het waren kleine groepjes gelovigen in de marge van de samenleving.
Jezus bracht de boodschap van het koninkrijk, maar wat stelt het nou eigenlijk voor?
De keizer in Rome gaat z’n eigen gang,
ieder doet z’n eigen ding zoals altijd,
mensen worden onderdrukt, klem gezet,
voor de macht van de keizer en zijn kornuiten, voor de machten van deze wereld moet alles wijken, desnoods met geweld.
Dat koninkrijk van u, komt daar nog wat van?
Je zou de moed soms bijna verliezen.
Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. En zijn de vragen van toen nog steeds de vragen van nu. Als er een God is, waarom is er dan zoveel narigheid en ellende op de wereld? Waar zien we dat koninkrijk?
Tegen die achtergrond klinkt de gelijkenis van het mosterdzaad,
misschien wel opnieuw nu de kerk niet meer als een grote stevige boom midden in de samenleving staat, maar steeds meer een plaatsje heeft gekregen in de marge van de samenleving.
De groeikracht lijkt in de kerken in Nederland verdwenen, de kerk krimpt.
Of wil deze gelijkenis mij uitnodigen om er anders naar te kijken, om niet te kijken naar de grote getallen, maar naar de kleine dingen die er gebeuren?
Als een mosterdzaad.
Het is misschien maar een klein begin, maar blijf vertrouwen, er zit zo’n enorme groeikracht in dat kleine, blijf vertrouwen dat het iets worden zal.
preek-20190310-5.pngDeze vind ik mooi.
Hoe is het koninkrijk van God onder ons aanwezig?
Als dat kleine zaadje. Zo dus. In het klein.
Daarbij twee gedachten:
1. Doe kleine dingen: laten we in een samenleving die wordt beheerst door de gedachte dat groter beter is, herontdekken dat het in het koninkrijk van God niet gaat om grote aantallen en grote acties. Het gaat om kleine daden van barmhartigheid en rechtvaardigheid, van liefde en echtheid die kiemkracht in zich hebben en zo tekens zijn van het koninkrijk dat onder ons is.
Vier zo het Avondmaal. Geef om de armen. Wees vriendelijk. Bied een helpende hand. Wees dienstbaar. En: Laat het ook wat mogen kosten, en dan bedoel ik dat niet, of niet alleen financieel, maar mag het je ook tijd kosten, inzet, aandacht, pijn soms? Ik denk aan een woord als compassie: mee-lijden met de pijn van een ander.
Dat is één: Doe kleine dingen, laat dat maar groeien, vertrouw op de groeikracht daarvan. En vertrouw op Gods kracht.
2. Droom van grote dingen: Iemand schreef – en ik vind dat wel iets om over na te denken: God roept ons niet tot grote dingen, want hij doet zelf het grote werk.
Laten we er wel van blijven dromen, laten we die droom van het koninkrijk hoog houden. I have a dream.
Dus: doe kleine dingen, droom van grote dingen…
preek-20190310--6.pngDeze kwam ik ook nog tegen.
Weer moet ik denken aan woorden van Martin Luther King:
“Duisternis kan geen duisternis verdrijven; alleen licht kan dat. Haat kan geen haat verdrijven; alleen liefde kan dat.”
Deze gelijkenis roept op om te geloven in het kleine, in de krácht van het kleine, vertrouw dat het groeien zal.
We zijn niet in ons eentje verantwoordelijk voor alles.
Dat weten we door deze gelijkenis over zaad dat groeit met minimale menselijke betrokkenheid.
Het is goed om te weten dat het niet allemaal van ons afhangt, het is goed om te weten dat er nog een andere kracht aanwezig is, die leidt tot groei en tot resultaten,
de kracht van de liefde, de kracht van Góds liefde.
Kom ik terug bij het begin:
Góds water over Góds akker laten lopen.
Góds water is het, de liefde die hij ons heeft laten zien in de weg die Jezus gegaan is, de weg van liefde tot het uiterste.
Góds water is het, de liefde die stroomt uit de bron,
die we bij ons binnen mogen laten komen,
om die ook weer verder te laten stromen deze wereld over, Góds wereld, Góds akker over,
in het vertrouwen dat dat kleine iets groots uitwerkt.
Jezus is het zaad van God zelf dat gezaaid wordt op allerlei plaatsen, dat op onnavolgbare wijze opkomt en groeit, en een rijk wordt waarin voor vogels van allerlei pluimage een veilige en beschutte ruimte is.
Nogmaals: doe kleine dingen – in navolging van hem die ons is voorgegaan,
droom van grote dingen.

Mooier dan je denkt-3mar-CWvdM

Overdenking op 3 maart 2019 – Rode Loperviering
Lezing: Genesis 1: 26-31
Thema: Mooier dan je denkt

Beste mensen,

We gaan het vanmorgen niet over voetballen hebben, maar er is een voetbalclub in dit land waarvan de spelers soms als godenzonen aangeduid worden. En als iemand, met name een jong manspersoon, strak en soepel door de sportschool wordt afgeleverd, hoor je een enkele keer wel eens de opmerking vallen dat zo iemand er uit ziet als een jonge god. Iemand die minstens zes keer per dag bij Arie Boomsma op de bank zit, zal ik maar zeggen.
Dat zou iemand op de gedachte kunnen brengen dat de buitenkant, hoe je er uit ziet, iets met God te maken zou kunnen hebben. Laat ik heel duidelijk zijn: door die gedachte kunnen we meteen een dikke streep halen. Daar klopt niets van. Die voetbalclub heeft niet voor niets een naam die afgeleid is van de oude Griekse mythologie. En dat fraaie lichaam uit de sportschool lijkt erg op de klassieke beelden die we ook al uit de Griekse en Romeinse oudheid kennen. De goden die het moeten hebben van hun uiterlijk kennen we vooral uit de afgodendienst in de klassieke oudheid. Als het over de God van de Bijbel gaat is het zinloos om iets over het uiterlijk te zeggen. ‘Niemand heeft ooit God gezien’, lezen we in het Evangelie. En er staat niet voor niets een uitdrukkelijk verbod in de Bijbel om een beeld van God te maken.
Waarom staat er dan toch in het scheppingsverhaal, dat eerder in deze dienst gelezen is, dat God mensen maakt die, zoals we hoorden, Gods evenbeeld zijn, die op God lijken. We hebben misschien in de eerste plaats de neiging om dat met het uiterlijk in verband te brengen. Je gaat steeds meer op je moeder lijken, hoorde ik laatst over iemand zeggen. Dan denk je aan uiterlijk. Dat speelde hier ook wel een rol. Maar het ging ten diepste over heel iets anders. Het ging over de manier van leven. Over initiatieven nemen. Over hartelijkheid en gastvrijheid. Over de boel bij elkaar houden.
De appel valt niet ver van de boom, zeggen we, als we het over ouders en kinderen hebben. Maar dat gezegde wijst niet op uiterlijk. Het wijst veel meer op karakter. Het wijst niet op de omvang van je biceps. Het zegt iets over de manier waarop je je kracht gebruikt. Waar je je voor inzet. Daar herkennen mensen iets in. En daar gaat het ook over in het scheppingsverhaal. Er is niemand die één zinnig woord kan zeggen over de vraag hoe God eruit ziet. Maar we lezen in het scheppingsverhaal wat God doet: hij schept leven. Hij zorgt voor licht en leven, voor ritme en ruimte, en in dat alles creëert Hij een plaats voor de mens.
Die mens moet op God lijken. Na dat woordje staat er in de vertaling een puntkomma. Eigenlijk zou er een dubbele punt moeten staan. Want daarna wordt uitgelegd wat dat betekent, op God lijken: de mensen moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt. Wat God geschapen heeft moeten de mensen in stand houden, dat is wat daar staat. God kijkt naar alles wat Hij gemaakt heeft, hoorden we aan het eind van het verhaal, en Hij zag dat het zeer goed was. Wat betekent het dat we op God lijken? Het betekent dat we wat goed is ook goed moeten zien te houden. Het gaat er om dat we op God lijken in wat we doen.
Iemand met een bochel en een houten been die iedere dag nieuwe bomen plant lijkt meer op God dan een fraai getinte Adonis die zes keer per jaar met het vliegtuig een zonnig strand op zoekt, zal ik maar zeggen. Wie is er nou eigenlijk mooi? Afgezien van het feit dat er door de eeuwen heen nogal verschillende schoonheidsidealen zijn geweest moet je constateren, denk ik, dat er maar heel weinig mensen zijn die je echt mooi kan noemen. Maar dan gaat het alleen over het uiterlijk. En wie het scheppingsverhaal hoort begrijpt dat het daar eigenlijk niet om gaat. Het gaat erom dat we de schepping, die goed is, ook goed houden. Dat maakt ons tot evenbeeld van God. Dat maakt ons mooie mensen. Dat helpt ons om ons niet blind te staren op het uiterlijk, maar er met elkaar iets moois van te maken. Van ons leven. Van deze wereld. Dat is een mooie uitdaging. En als we die met elkaar oppakken, dan kijken we elkaar aan en zeggen we: je bent veel mooier dan je denkt.

Begrenzing van de macht-24feb-CWvdM

Overdenking op 24 februari 2019 – Ontmoetingskerk
Lezing: Ester 8: 3-8. 10-13; 9: 20-23
Thema: Begrenzing van de macht

Gemeente van Jezus Christus,

De verleiding is groot om het verhaal over Ester samen te vatten in het fraaie Nederlandse gezegde ‘Boontje komt om z’n loontje’. Haman laat een galg neerzetten voor Mordechai, en hij komt er zelf aan te hangen. Alle mensen die het Joodse volk willen uitroeien komen zelf om. Zo. Er zijn even een paar dingen in de geschiedenis rechtgezet en we slaan tevreden het boek dicht. Eind goed al goed. Maar wie de bijbel op die manier leest gaat voorbij aan datgene waar de verhalen in de bijbel nu precies op gericht zijn. De bijbel gaat niet over het Land van Ooit. Al die verhalen, ook het verhaal over Ester, zijn bedoeld om ons te helpen ons leven te verstaan. Het gaat in die verhalen om mensen vandaag. Het gaat om ons. Hier. Nu. Deze wereld. In welk licht zien wij ons bestaan? En is dat anders dan het licht dat het verhaal over Ester op ons bestaan werpt?
In dat licht zien we in ieder geval dat de strijd om het voortbestaan voor het Joodse volk nooit opgehouden is. Er zijn heel wat hoofdstukken in de geschiedenis van het Joodse volk die met zwarte inkt geschreven zijn. En de eerlijkheid gebiedt om hardop te zeggen dat die zwarte inkt niet zelden een product was dat afkomstig was van christenen. Er is in de loop van de eeuwen nogal eens een oproep gedaan vanaf christelijke kansels om het Joodse volk te vervolgen. Keer op keer werd na de zoveelste pestepidemie beschuldigend naar de Joden gewezen: zij zouden de bronnen en de waterputten vergiftigd hebben. De vervolging die op zulke loze beschuldigingen volgde was meestal gruwelijk.
Een ander voorbeeld. Onze christelijke voorouders hebben bepaald dat Joden geen lid van een gilde mochten zijn. Dat wil zeggen dat ieder ambacht voor hen was afgesloten, of ze nu bakker of metselaar wilden worden. De enige economische activiteit die niet door het gildensysteem was geregeld, was de handel. Dus kon je daar Joodse mensen vinden. Niet omdat ze dat zo graag wilden. Maar omdat ze geen andere keus hadden. En wij maar zeggen, tot op de dag van vandaag, dat de handel, met name de geldhandel, de Joden in het bloed zit. Een vooroordeel, als de schandelijke erfenis van eeuwenlange discriminatie van Joodse mensen in Europa.
De afloop was dus in werkelijkheid heel vaak niet zo mooi als in het boek Ester. Toch zijn Joodse mensen het boek blijven lezen, en het feest dat in het boek wordt beschreven zijn ze blijven vieren. Misschien wel als een fakkel van hoop, een licht in het donker van het antisemitisme. In de Joodse traditie staat het boek Ester in verband met het Poerimfeest. Elk jaar wordt dat feest gevierd. Het is een uitbundig feest. Het lijkt een beetje op carnaval, met optochten en verkleedpartijen. Eén dag in het jaar is Ester weer koningin. Eén dag in het jaar dragen mensen maskers om elkaar als Haman aan het schrikken te maken. Iedere keer als de naam Haman valt wordt er uitbundig gerateld met een zogenaamde Haman-ratel. En aan het eind van de dag worden er Hamans-oren gegeten, zoet gebak in de vorm van oren. Een leuk feest, maar wat betekent het voor mensen, in de wereld van vandaag?
Dat is een knellende vraag, want de naam Haman verschilt maar één letter van het woord Hamas, de Palestijnse beweging die zich met geweld tegen de staat Israël verzet. En reken maar dat die vergelijking wordt gemaakt. Hoeveel mensen zouden vinden dat er met Hamas korte metten moet worden gemaakt, zoals er met Haman afgerekend werd? Je zou bijna denken dat het boek Ester ook in die richting wijst. Iedere groep gewapenden die het Joodse volk aanvalt mogen ze doden, tot de laatste man. Dat lezen we in hoofdstuk 8. Waar gaat het boek Ester over? Over zelfverdediging? Over wraak? Over machtsmisbruik?
Die vraag is moeilijker geworden sinds de oprichting van de staat Israël, nu ruim zeventig jaar geleden. Voor die tijd bestond het Joodse volk wel, maar zonder regering, zonder leger, zonder macht. De kwetsbaarheid van het Joodse volk door de eeuwen heen klinkt al in de regels van het boek Ester door. Op die manier bestaat het Joodse volk nog steeds. Maar het valt niet samen met de staat Israël. Die staat is een belangrijke machtsfactor in het Midden Oosten. Die staat is soms verantwoordelijk voor dingen waar je vraagtekens bij moet zetten. Je hoort ook Joodse stemmen die kritisch zijn over de behandeling van de Palestijnen door de staat Israël. Begrijp me goed: ik ben blij dat de staat Israël bestaat, maar macht is blijkbaar iets gevaarlijks. Macht corrumpeert. Macht moet begrensd worden.
En als je goed in het boek Ester leest is dat nu precies wat je tegenkomt. Op twee manieren. Gesymboliseerd in de persoon van Haman en de persoon van Mordechai.  Haman is de mens voor wie het nooit genoeg is. Je leest het in hoofdstuk 5. Daar geeft Haman hoog op over zijn macht en rijkdom. Hij wijst op zijn gewéldige rijkdom, zijn macht, zijn eervolle positie. Maar het is hem niet genoeg. Dat hij koning Ahasveros boven zich heeft kan hem niet deren. Wie het boek Ester leest ziet dat die koning een onbenul is die Haman in zijn binnenzak heeft. Maar verder moet en zal iedereen voor hem buigen. Hij accepteert niet dat zijn macht grenzen zou kennen. En het interesseert hem niet of hij, om zijn doel te bereiken, één mens zou moeten doden of een heel volk zou moeten uitroeien. Maar wie zo leeft, leert de bijbel ons, heeft geen toekomst.
Mordechai is anders. Hij gaat niet prat op het eerbetoon dat hem bewezen wordt, zoals in hoofdstuk 6 verteld wordt. Als dat achter de rug is gaat hij gewoon terug naar zijn plek in de Koningspoort. En in hoofdstuk 8 horen we hoe er een bevel voor het hele rijk wordt opgesteld, precies zoals Mordechai wilde. Dat bevel geeft de Joden het recht om zich te verdedigen tegen iedereen die hen naar het leven staat. Maar dat recht is niet onbegrensd. Het geldt voor één dag in het jaar, de dertiende dag van de twaalfde maand. Er wordt nog bij verteld dat dat bij hoge uitzondering met één dag verlengd werd, alleen voor de Joden die woonden in de burcht Susa. Maar dan staat er nog uitdrukkelijk bij vermeld dat de Joden de bezittingen van hun vijanden met geen vinger aanraakten. In het boek Ester wordt de moordzucht van Haman een halt toegeroepen. Maar niet door het Joodse volk een vrijbrief te geven om de tegenstand genadeloos uit te roeien. De macht in deze wereld moet grenzen kennen en krijgt die in het boek Ester ook opgelegd.
De macht moet worden begrensd. De macht zál worden begrensd. Dat is de boodschap van het boek Ester, geloof ik. De machten die het Joodse volk naar het leven staan hebben de toekomst niet. Dat is de boodschap van hoop die door de hele geschiedenis heen klinkt. Een boodschap die in mijn ogen ook bevestigd is. Want de geschiedenis van het Joodse volk loopt niet dood. Ondanks de mensen, en die zijn er genoeg, die het stokje van Haman hebben willen overnemen. Tot op de dag van vandaag. Er zijn nog altijd mensen die durven beweren dat de Holocaust een mythe zou zijn. Eén bezoek aan voormalig concentratiekamp Westerbork en je weet beter. De Franse president Emmanuel Macron bezocht vorige week een begraafplaats in het dorp Quatzenheim, dat in de Elzas in het oosten van Frankrijk ligt. Daar werden vernielingen van tachtig Joodse graven ontdekt. De Franse politie registreerde vorig jaar circa 540 antisemitische incidenten. In vergelijking met een jaar eerder is dat een stijging van 74 procent. In een groot onderzoek werden vorig jaar ruim 16.000 Joden uit twaalf EU-lidstaten ondervraagd over antisemitisme. Negen op de tien ondervraagden in Nederland gaven aan dat antisemitisme de afgelopen vijf jaar is toegenomen. Acht op de tien ervaren pesterijen of verwensingen op straat of op internet. In Nederland zegt het hoogste percentage, 11 procent, dat ze vermijden op publieke plekken herkenbaar te zijn als Jood. Er is alle reden om waakzaam te zijn.
Maar Haman en zijn opvolgers bereiken hun doel niet. De geschiedenis van het Joodse volk gaat verder, gedragen door hoop en belofte. Dat leert ons het boek Ester. De geschiedenis staat of valt met hoop en belofte. Niet met macht. Als het om macht gaat moeten we onze grenzen kennen. Als het om hoop en belofte gaat hebben we iets te vieren. Grenzeloos. Eindeloos. In die richting wijst het boek Ester. Ik hoop dat we in die richting durven leven. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.