Mijn licht, mijn heil is Hij…-10okt-SvdH

Bijbellezing: Haggai 1: 1-15
Muziek: Fughetta in A - Felix Mendelssohn Bartholdy
Bijbellezing: uit Lucas 21:

Lied psalm 27: 1, 2 Mijn licht, mijn heil is Hij…

Gemeente van Jezus Christus, lieve mensen

Een paar weken geleden hadden we het ook over bouwen. Toen ging het over het bouwen van de gemeente, op de startzondag. Een hele mand vol bouwstenen kregen we mee. Kijk maar wat er in zit. We hebben met elkaar heel wat in huis. Niet altijd is het goed zichtbaar. Maar het is fijn te weten dat we zoveel kunnen. Stenen zijn broodnodig. Om te bouwen. Niet alleen als fundament, ook als bouwsteen. Wij zijn geen vogels dat we genoeg hebben aan takjes of modder, of muizen die genoeg hebben aan haar en pluis.
Die stenen waren in de tijd van de tweede tempelbouw al nodig. Daarover gaat het boek van de profeet Haggai. De eerste was verwoest door de overheersers. Een tempel is namelijk een plek van samenkomst van mensen en God. En daarmee wordt een tempel een plaats van kracht. Mensen doen er kracht op: geestkracht. Kracht om kwalijke zaken het hoofd te bieden, kracht om niet ten onder te gaan aan onderdrukking. Kracht die sterker is dan het geweld van veroveraars. Het is niet voor niets dan in de Nederlandse koloniën slaven geen godsdienstonderwijs mochten krijgen. Ze zouden daar maar sterk van geest van worden! Nee, slaven moet je onder de duim houden. En dat lukt niet als ze een God hebben op wie ze kunnen vertrouwen.
Dus geen godsdienstonderwijs voor slaven en dus ook maken overheersers tempels en kerken stuk. De overheerser die de eeuwenoude tempel lang geleden heeft stukgemaakt, die nog uit de tijd van koning Salomo stamt, heeft ook meteen het rijke deel van het volk meegenomen in ballingschap. Niemand zorgt meer voor de ruïnes. De mensen hebben het te druk met simpelweg overleven.
Tientallen jaren later keren de ballingen terug. Je zou denken dat het eerste dat ze gaan doen bouwen is. En dat is ook zo, maar ze bouwen niet aan de tempel maar aan hun eigen huizen. Ze vinden de tempel niet zo belangrijk. Dat is gek. Want zoals ik al zei: de tempel is een plaats waar je kracht kunt opdoen. Een plaats zoals de kerk, maar nog een beetje krachtiger, want er is er maar eentje van in het hele land. Als je een kind krijgt, of je hebt iets belangrijks te vieren, of je hebt iets heel erg stoms gedaan, dan moet je daarheen om een offer te brengen. Het is DE plek waar alle belangrijke dingen tussen God en mensen plaatsvinden.
Het land is arm, er groeit weinig en er is armoe en honger. Dat is niks voor de teruggekeerde ballingen. Ze willen zo gauw mogelijk hun oude voorspoed weer terug. Dus eerst een mooi huis. Comfort. “ik eerst”.
En dat accepteert de Eeuwige niet. “Zo zijn we niet getrouwd” lijkt de boodschap. Als jullie zo doorgaan, met alleen maar zorgen voor jezelf, dan trek ik mijn handen terug. Dan rust er geen zegen op het land.
In de tweede lezing zien we een arme weduwe in de inmiddels toch herbouwde tempel. Ook haar plaats is daar. “weduwe” in die tijd betekende per definitie arm. Vrouwen zonder man hebben vooral geen rechten. Ze hebben geen land, moeten bedelen en maar zien hoe ze zichzelf en haar eventuele kinderen voeden. Maar ook zij is welkom in de tempel. Het is ook haar plaats. Zij mag er zijn.
En dan staat er dat Jezus er dagelijks te vinden is om les te geven, te onderwijzen. Zijn plaats is ook in de tempel. Wat onderwijst hij dan?
Hij onderwijst de Thora. De oude woorden. Wat hebben ze vandaag de dag nog te zeggen? In de tijd van Jezus was geloof vanzelfsprekend. Heel anders dan nu. De mensen waren gewend om met hun geloof bezig te zijn. In het joodse geloof is het altijd discussiëren over iedere betekenis van ieder woord. Alle mannen mogen meepraten. Het is niet zo dat de een alle wijsheid in pacht heeft, en de ander moet maar gehoorzamen en accepteren. Dat onderwijzen is dan ook een soort van tweespraak. De leerlingen zullen reageren. Ze zullen hun eigen kennis naar voren brengen. Ze kijken met hun eigen ogen en verklaren in hun eigen woorden. Jezus staat niet zo op een voetstuk als wij soms denken.
Wat staat er dan in die oude woorden? Daar staan bijvoorbeeld verhalen in over de tempel, de plek waar ze zijn op dat moment. Zoals iedereen dat doet, en wij vandaag ook, zo legt Jezus die oude tekst uit, zodat de mensen van zijn tijd het begrijpen. Als je dat niet doet, dan gaat de tekst dood. Dan luistert niemand meer, want niemand kan het begrijpen. We noemen het “het oude testament”. En dan lijkt het net of het afgedaan heeft, maar in feite is het natuurlijk vooral “oud” ten opzichte van het tweede, zoals de ene mens ouder is dan de ander. Of misschien zoals een wijzere oudere zus of broer.
Hoe dan ook heeft Jezus het gehad over de tempel. Wat is de tempel? Voor wie is die? Gebouwd van stenen bijvoorbeeld. Maar stenen gaan stuk. Een gebouw kan verwoest worden. maar de ziel van het gebouw zit ‘m niet in de stenen. Dat is wat hij laat zien als hij naar de weduwe wijst. En dat is ook wat de profeet Haggai laat zien als hij de Eeuwige boos laat worden om gebrek aan de bouw. Dat gaat niet om die stenen. Het gaat om prioriteiten: wat doe je eerst? Wat is het belangrijkste? WIE is het belangrijkste?
Ben je dat zelf? Of is dat je naaste die niks heeft? Is dat God die niks is zonder de mensen? Die alleen plaats kan bieden aan zo’n arme weduwe als mensen dat doen in zijn plaats? Want daar gaat het om. Niet om dat gebouw, hoe mooi en groot het ook is. We horen later dat Jezus zegt dat geen steen op de andere zal blijven staan. En we herkennen het ook: want wat is een kerkgebouw zonder ziel? Zonder gemeente die voor elkaar klaar staat? Het is een leeg omhulsel. En voor je het weet is het een ruïne.
Kort geleden las ik de suggestie dat we de kerk eens 3 maanden zouden sluiten om stil te worden en ons te bezinnen op wat de kerk nou eigenlijk is en voor wie ze er zou moeten zijn. Het boek is geschreven voor corona het hele kerkelijk leven plat legde. Ik denk dat de schrijfster anders had geschreven dat dit bij uitstek de tijd was om ons te bezinnen op “hoe nu verder?” De stilte is ook iets wat bij de tempel en de kerk hoort. De wereld om ons heen is vol geluid, vol eisen en drukte. Voor je het weet, verlies je alle contact met God, de eeuwigheid, jezelf en je naaste. Dat is het risico als je alleen maar bezig bent met je hebben en houden.
Dat de tempel er is, is een soort van cadeautje voor de hele mensheid om tot rust te komen. En om je steeds opnieuw in gedachten te brengen wat er nou eigenlijk toe doet. Daarom lezen we die oude verhalen waarin we nieuwe moed krijgen als we zonder moed zijn geraakt, waarin we horen hoe God zich ontfermt over wie het moeilijk hebben, waarin we op onze kop krijgen als we niet naar elkaar en vooral naar de armen en de vreemdelingen omkijken. We lezen en zingen liederen, de psalmen, over alles wat een mens kan overkomen. We bezingen de schepping, we doen ons best de aarde leefbaar te houden en te maken als er woestijnen zijn ontstaan. We gunnen elkaar in Godsnaam het leven. Niet alleen onze vrienden en vriendinnen, maar juist ook Gods eigen oogappels: de mensen die voor ons niet meetellen.
Dat is wat die tempel doet. Het gebouw brengt mensen bij elkaar. En door elkaar te zien en te ontmoeten en te erkennen als naaste en broeder en zuster, daardoor worden we mensen van God. En dat geeft leven. Niet de stenen. Maar wie we voor elkaar zijn, wat we voor elkaar betekenen.
In Gods naam. Amen.

Lied 316 (Het woord dat u ten leven riep): 1, 4

 

Helemaal goud-29aug-EBK

Zondagmorgen 29 augustus 2021, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Micha 4: 3b-4 en Johannes 15: 1-8


preek-20210829-01.jpgVrijdagavond op de afscheidsavond werd ik verrast door een prachtig cadeau van de gemeente: voor de achtertuin van ons nieuwe huis in Brielle een kasje!
en ook twee druivenstruiken om daarin te laten groeien…
Hoe Westlands wil je het hebben!
Ik ben er echt heel erg blij mee.
En iedereen die er was kon een groet of een wens opschrijven op een groen of paars rondje,
en daar werden die druiventrossen van gemaakt
die aan het eind van de avond binnengedragen werden
zoals in het Bijbelverhaal de verspieders, die het beloofde land verkend hadden, terugkwamen met prachtige druiventrossen.
We hebben ze mee naar huis genomen, en thuis als die goede en lieve woorden gelezen. Om stil van te worden.
Helemaal goud, zeggen we dan.
Gistermiddag heb ik ze samen met Ina hier opgehangen in de kerk, zodat iedereen ze nog een keer kan zien,
en óók omdat dat kasje en die druivenplanten, en deze druiventrossen prachtig passen bij het Bijbelgedeelte van vandaag. Alsof ze al wisten waarover vandaag de preek zou gaan:
over druiven en een druivenstruik, over een wijnrank en een wijnstok. “Ik ben de ware wijnstok” horen we Jezus in dit Bijbelverhaal zeggen, “en mijn Vader is de wijnbouwer”, de druiventeler.

preek-20210829-02.jpgTwee maanden geleden kwam dit boek uit: “De ark van de smaak in Nederland, Voedsel, kennis en verhalen over gastronomisch erfgoed.”
Mooie titel: De ark van de smaak. Bij de ark denk ik aan het verhaal van de ark in de Bijbel.
In de ark stop je dat wat niet ten onder mag gaan, wat behouden moet blijven. En dat is ook de bedoeling van dat boek, denk ik: erfgoed, dat wat je moet bewaren voor het nageslacht, omdat het zo bijzonder is.
En in dat boek staat ook een hoofdstukje over de Westlandse druiven. Gastronomisch erfgoed. Moet echt bewaard blijven, gekoesterd worden door onze generatie en ook aan komende generaties doorgegeven. Erfgoed.
Het Westlandse goud…

preek-20210829-03.jpg

Sommigen denken misschien dat dit het Westlandse goud is, maar volgens dat boek zijn het toch echt de Westlandse druiven. Erfgoed. Het bewaren en doorgeven waard.
Dat sluit prachtig aan bij de symboliek die we vandaag in de Bijbelgedeeltes tegenkomen.
Omdat de druiven daar vooral gebruikt werden voor het maken van wijn worden meestal de woorden wijngaard en wijnstok gebruikt.
Voor het begrijpen van het Bijbelgedeelte van vandaag is het goed wat van de achtergrond van deze symboliek te weten.
Wijngaard, wijnstok, het is een terugkerend thema al in het Oude Testament.
We lezen daarvan voor het eerst bij het verhaal van Noach en de ark (!).
Zodra hij de ark voorgoed verlaten heeft, begint hij een wijngaard aan te planten.
Je kunt je afvragen: Is dat nou de eerste prioriteit nadat die ramp zich voltrokken heeft en alles weer opgebouwd moet worden, een wijngaard?
Maar daar gaat het niet om. Het is een téken dat gesteld wordt.
De wijngaard is in de Bijbel vaak het beeld voor Israël.
Israël, het oude volk Israël, wordt dan vergeleken met een wijngaard door God zelf aangeplant.
En die planter verwacht natuurlijk vruchten. Die plant die wijngaard aan met de bedoeling dat daar iets goeds gaat groeien, mooie druiven, goede vruchten.
Het oude volk Israël is dan in die gedachtegang een soort proeftuin voor heel de wereld.
Dat principe kennen we Naaldwijk ook!

preek-20210829-04.jpg

Hier een oude ansichtkaart van het gebouw van de proeftuin aan de Zuidweg.
Eind 19e eeuw opgericht als de Proeftuin Westland werd het later het Proefstation voor de Tuinbouw onder Glas. Het is inmiddels gesloten en de activiteiten zijn verhuisd naar elders en het gebouw is afgebroken.
De bedoeling van zo’n proeftuin was en is om daar dingen uit te proberen: wat levert nou de beste vruchten op, de mooiste opbrengst?
Een proeftuin, klein, lokaal, met de bedoeling om dat wat daar ontdekt werd wereldwijd te kunnen toepassen,
zodat niet alleen hier maar overal de mensen de vruchten er van zouden kunnen plukken.
Nou, op een vergelijkbare manier zien we dat in het Oude Testament het volk Israël een soort proeftuin is, een wijngaard als een proeftuin voor de hele wereld, dat is de gedachtegang.
En mooie, volle trossen staan dan symbool voor het goede leven, leven zoals het bedoeld moet zijn. Door God.
Dat is ook de symboliek van die enorme tros druiven die de verkenners van het beloofde land mee terug nemen. Er zijn twee mensen nodig om die tros druiven te dragen.
Dat móet wel het beloofde land zijn!
Tegelijk wordt die symboliek ook op andere manieren gebruikt. Want het gaat niet altijd goed in die proeftuin.
Soms wil het niet groeien, groeit er niks, of wordt de wijngaard kaalgevreten of leeggeroofd.
Zo gaat het soms in het leven. Mensen doen niet de goede dingen. Zijn er niet voor elkaar, maar hebben alleen maar oog voor zichzelf. Mensen staan elkaar naar het leven.
Zo wordt het verhaal in de Bijbel verteld.
Maar, ook al groeien in de wijngaard, in de proeftuin niet altijd goede vruchten, de wijngaard en de wijnstok blíjven symbool voor de hoop die men koestert dat er ooit vrede, recht en gerechtigheid voor alle mensen zal zijn.

preek-20210829-05.jpg

Dat zien we bijvoorbeeld in het Bijbelgedeelte dat we als eerste gelezen hebben, uit Micha.
Dat is die prachtige spreuk, die woorden van hoop, misschien wel bekend:
“Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers…”
Die woorden staan op dit beeld in de tuin van het gebouw van de Verenigde Naties in New York.
Als je goed kijkt, kun je het misschien lezen, het begin van de Bijbelwoorden van vandaag:
“Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers…”
Het Bijbelgedeelte gaat verder: “en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
geen mens zal meer weten wat oorlog.” Zozo.
Dat zijn woorden die mij wel raken, zeker als je bijvoorbeeld ziet hoe de afgelopen dagen de situatie in Afghanistan zich ontwikkeld heeft,
nu de naties die zich verenigd hadden om daar iets op te bouwen zich terugtrekken.
Ik hou mijn hart vast hoe het verder zal gaan,
als ik zie hoe geweld, zwaarden gebruikt worden om anderen figuurlijk en letterlijk een kopje kleiner te maken.
Nee, zegt deze tekst dan hoopvol: ze zullen zwaarden omsmeden tot ploegijzers.
En, zo staat er dan, en daarom is die tekst vandaag zo intrigerend: “Ieder zal zitten onder zijn wijnstok.”
De wijngaard en de wijnstok staan symbool voor het goede leven, waar mensen in rust en vrede kunnen leven, niet opgejaagd of klemgezet door wie of wat dan ook, Gods nieuwe wereld. Wat eerst gebruikt werd voor de oorlog zal gebruikt worden om mensen van eten te voorzien.

preek-20210829-07.jpg

In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw werd dit beeld in Oost-Duitsland, in de toenmalige DDR, gestimuleerd door de kerk daar, een téken van hoop, en ook van geweldloos verzet tegen de onderdrukking. Men liep tegen een muur aan.
Totdat de muur viel. Muren kunnen vallen, grenzen doorbroken worden.
Daarbij hoort dus bij Micha het beeld van de wijnstok, als teken van hoop, van het goede leven, waar voor ieder mens plaats is, leven in vrede, harmonie, met God en elkaar
Tegen die achtergrond horen we Jezus zeggen: “Ik BEN de ware wijnstok, en mijn vader is de wijnbouwer.”
Vervolgens worden wij mensen dan vergeleken met de ranken.
Jezus gebruikt dit beeld om de leerlingen hun ról duidelijk te maken. Wat is belangrijk?
Nou, dat je verbónden blijft met die wijnstok. Dan kunnen de voedingssappen uit de wijnstok in de ranken stromen en kunnen er vruchten groeien.
Het is leven vanuit de inspiratie en liefde die hij belichaamt. Het is leven uit de bron, leven uit liefde, vergeving, genade.
Vanuit die verbinding, die inspiratiebron zullen er goede vruchten komen. Dat kan bijna niet anders.
Ik ben de wijnstok zegt Jezus, en die wijnstok vormt het hart, de bron, maar het gaat in dit beeld om de ranken, om hún rol, om onze rol.
De oproep die dan meegegeven wordt is: blijven!
Blijven. Dat klinkt een beetje vreemd in een afscheidsdienst.
Maar het gaat niet over híer blijven, het gaat over verbonden blijven, die verbinding in stand houden, de verbinding met de bron, met Jezus, en met elkaar, gevoed uit diezelfde bron van liefde. Zonder die verbinding gaat het niet.
Zonder die verbinding, zonder die liefde en zonder elkaar wordt het dor en droog.
Leven uit de bron. Ik denk dat dat voor ons als mensen, en voor ons als kerkgemeenschap ontzettend belangrijk is.
Telkens weer die verbinding zoeken om ons daardoor te laten voeden, inspireren, bemoedigen, corrigeren.
Vanzelfsprekend is die verbondenheid niet. Daarom die oproep: Blijf in mij, dan blijf ik in jullie.
Dan kunnen er onverwachte, niet vermoede dingen gebeuren, dan kunnen muren vallen.
“Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren.”
Nou, zo werkt het ook weer niet, dat weten we uit ervaring: je kunt vragen wat je wil en het zal gebeuren. God laat zich niet voor ons karretje spannen.
Wat gevraagd wordt is of wij ons voor zijn karretje willen laten spannen.
Tegelijk geven deze woorden aan dat er méér mogelijk is dan wij vaak denken,
als we zijn liefde, Góds liefde die we in hem leren kennen, handen en voeten geven,
gevoed door die bron, de wijnstok, de bron van het goede leven.
Zoals in dat lied voor de preek klonk: Wat zijn de goede vruchten?
Liefde, vreugde, vrede, geduld, goedheid, geloof.
Blijf in mij, dan blijf ik in jullie.
Daarvoor hebben we elkaar nodig, om tegen alles in wat er tegen spreekt hoog te houden dat het kán, leven uit de liefde,
in verbondenheid met hem die ons is voorgegaan,
met vallen en opstaan, natuurlijk.
Maar wel in verbondenheid, met elkaar, samen uit die ene bron.
Dan zullen jullie veel vrucht dragen.

preek-20210829-07.gif

Deze liet ik een paar maanden geleden al een keer zien, een Banksy, in Betlehem. Veelzeggend!
Muren kunnen vallen, grenzen doorbroken worden. Een opening kan er komen.
Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers…
Ieder zal zitten onder zijn wijnstok…
door niemand opgeschrikt.
Laten we zo een proeftuin zijn van een nieuwe wereld. Geloven metterdaad.
Helemaal goud.

Naar buiten- 15 augustus 2021- ds. Eibert Kok

Naar buiten

Zondagmorgen 15 augustus, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: Ezechiël 34: 1-4 en Johannes 10: 1-16

Preek 15 aug 1

 

 

 

 

 

 

 


Door wie of door wat laten wij ons leiden in ons leven?
Ik ben de goede herder, zegt Jezus in het Bijbelgedeelte van vanmorgen, en de bedoeling van dat Bijbelgedeelte is, denk ik, dat helder wordt dat volgelingen van Jezus zich laten leiden door Jezus als de goede herder.
Ik ken mijn schapen, de schapen kennen mij, de schapen kennen mijn stem. Zij luisteren naar mijn stem.
Maar als ik dan in mijn eigen leven kijk, dan vraag ik me dat wel eens af: Mooi gezegd, en dat wil ik ook, mij laten leiden door Jezus als de grote inspiratiebron, maar als ik heel eerlijk ben: door wie of door wat laat ik me nou leiden?
Het is niet om het even. Je hebt stemmen en dingen die je de goede kant op leiden, en ook stemmen en dingen die je de verkeerde kant op leiden, hoe herken je nou de stem die je de goede kant op stuurt? En de stem die je de verkeerde kant op stuurt? En het ligt ook niet altijd zwart-wit. Hoe vind je de goede weg door het leven?
Bij het zoeken van afbeeldingen laat ik me leiden door Google. Je kunt je afvragen of dat goed is, krijgt Google door al die mensen die zich door hen laten leiden niet veel te veel macht in deze wereld?
Dit keer leidde Google me niet de goede kant op, tenminste niet gelijk.
Ik ben de goede herder, zegt Jezus. Dus ik zoek op herder, en wat krijg ik?
Een pagina met allemaal herders, herdershonden wel te verstaan. Ja, dat noem je ook een herder, maar die bedoelde ik niet.
Jezus zegt ook: Ik ben de deur. Ik zoeken, en wat vind ik?
Een foto van een oud boekje van Bhagwan: I am the gate.
Bhagwan was een jaar of veertig geleden een oosterse wijsheidsleraar, een goeroe, met volgelingen over heel de wereld. In het bos bij het dorp waar ik opgroeide kochten mensen van de Bhagwanbeweging toen een oud landhuis, en in hun oranje pakken kwamen ze in de winkels van het dorp. Het hele dorp sprak erover.
Google leidde me op de verkeerde weg.
Wat maar weer duidelijk maakt dat je altijd je ogen en je oren goed open moet houden, en je niet zomaar een bepaalde kant op moet laten leiden. Je kunt zomaar de mist in gaan.
Door wie of door wat laten wij ons leiden?
In de kerk willen we ons laten leiden door Jezus als de goede herder.
Het is zo’n overbekend beeld. En voor veel mensen is het ook een dierbaar beeld geworden, een beeld van geborgenheid, veiligheid. De Heer is mijn herder.
God als onze herder, en wij als zijn schapen. Het beeld van Psalm 23.
Nu kan ik me goed voorstellen dat niet iedereen het leuk vindt om vergeleken te worden met een schaap.
Bij een schaap dan denken we al gauw aan kuddementaliteit en aan schaapachtige volgzaamheid.
Ook al komt kuddementaliteit bij ons mensen misschien wel meer voor dan we zouden willen, het niet wat in is. Het is in om je eigen weg te zoeken.
Zelfontplooiing, je eigen individuele keuzes maken wordt meestal hoger aangeslagen dan een kuddementaliteit.
Dus misschien niet voor iedereen een prettig beeld: God als herder, Jezus als de goede herder, en wij zijn schápen.
Of je het nu leuk vindt of niet, dat is de vergelijking die hier gemaakt wordt.
Het is dan wel weer goed om te weten dat die vergelijking gemaakt wordt tegen de achtergrond van wat we gelezen hebben in het eerste Bijbelgedeelte, van de profeet Ezechiël. De boosheid druipt er daar van af.
Het is een profetie tegen de herders van Israël, tegen de leiders van Israël zoveel eeuwen vóór onze jaartelling.
Het is eigenlijk een politiek beeld. De politieke leiders van dat moment zouden, zo zou het toch moeten zijn, goed voor hun onderdanen moeten zorgen,
maar dat doen ze niet, ze hebben geen hart voor de mensen.
Het enige waar het hen om te doen is, is om er zelf beter van te worden.
Ze zouden moeten zorgen voor de zwakken in de samenleving, maar dat ze doen het niet.
Het is niet zo moeilijk om van daaruit de vergelijking te trekken met politieke leiders in onze tijd.
Hebben zij echt hart voor de mensen, of hebben ze vooral oog voor hun eigen positie en zijn ze vooral uit op het beste voor zichzelf?
Mensen zijn zo als schapen zonder herder, er is niemand die voor hen zorgt, en zij die het wel zouden moeten doen, maken er een potje van. Slechte herders dus.
Tegen die achtergrond klinkt dat woord van Jezus: Ik ben de goede herder. Ik ben een leider die wel hart heeft voor de mensen, die alles voor ze over heeft.
Jezus profileert zich daarmee tegenover de geestelijke leiders van zijn tijd, die hij blijkbaar beschouwt als mísleiders, als mensen zonder hart voor de mensen aan wie ze leiding hebben te geven. En de schapen, de schapen zijn daarvan de dupe.
Als Jezus hier zegt ‘Ik ben de goede herder’ is dat geen lieflijk beeld, maar is dat een clash, een aanval op al die zogenaamde leiders.
Velen hebben toch, denk ik, als het gaat over de goede herder het wat romantische beeld van de herder met zijn schapen op de grote stille heide.
Als je zoekt naar afbeeldingen van Jezus als de goede herder, dan vind je allemaal lieve afbeeldingen van een herder met een schaap op zijn nek, dat hij veilig naar de stal brengt.
Niet dat dat beeld niet klopt, maar het beeld van de herder is veel breder.
Het leven van een herder, en ook het leven van een schaap, is vanuit het Bijbelse beeld niet lieflijk, maar het beeld van een ruw, rauw en hard bestaan,
een kudde dieren in een schraal en rotsachtig landschap, zoals het leven van ons mensen soms ruw en hard en schraal kan zijn, een kudde schapen misschien wel met elkaar botsend om die paar grassprietjes of blaadjes te bemachtigen,
in de verzengende hitte overdag en in de ijzige kou ’s nachts.
Natuurlijk, bij voorkeur gaan de schapen als het donker wordt de stal in, maar dat is niet een schaapskooi zoals wij die kennen, nee, dat is in het Israël van toen niet meer dan een simpel muurtje, een omwalling, met een kleine opening om er in te kunnen, en er uit. Hiermee komen we dichter bij het beeld dat gebruikt wordt.
Preek 15aug 2

 

 

 

 

 

 

 


Het Bijbelgedeelte van vanmorgen valt eigenlijk in drieën uiteen. Eerst vertelt Jezus een soort verhaaltje over een schaapskooi met een toegangspoort, over schapen en over dieven en rovers, zonder dat hij dat expliciet op zichzelf betrekt. Zo gaat het.
Een dief of een rover, of dat nou een persoon is of een dier, een wolf bijvoorbeeld, dat maakt niet uit, komt niet via de voordeur, want daar is bewaking, die klimt ergens anders naar binnen. De echte herder, die gaat door de deuropening.
En, zo staat er dan: De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn schapen bij hun naam. Ze zijn geen nummer, ze hebben een gezicht, een naam.
En hij leidt ze naar buiten. Bijzonder. Dat vind ik mooi.
Het idee is al snel, dat de goede herder zijn schapen veilig binnen brengt, veilig in de stal.
Dat is ook zo, maar het beeld gaat verder. Hij leidt ze ook weer naar buíten. Dáár ligt onze opdracht, niet om warm samen binnen in de stal te zijn, soms is dat even nodig, maar daar gaat het uiteindelijk niet om, hij leidt ze naar buíten.
Daar loopt hij vóór ze uit, en de schapen volgen hem, omdat ze zijn stem kennen.
Wat Jezus ons heeft vóórgedaan heeft hij gedaan met de bedoeling dat wij hem zouden volgen op die weg.
Daar begint het mee, een algemeen verhaaltje over een schaapskooi, over een herder en over schapen.
Preek 15aug 3

 

 

 

 

 

 

 


Dan volgt het tweede deel waarin Jezus het helemaal op zichzelf betrekt en zegt: Ik ben de deur.
Ik vond een tekening daarbij. Er zijn wat weinig schapen getekend, maar de positie van Jezus als de deur wordt wel mooi weergegeven.
In het derde, laatste deel van het Bijbelgedeelte zegt Jezus dan die woorden: Ik ben de goede herder. Die twee beelden, deur en herder, vullen elkaar aan.
De schaapskooi is die omwalling met dat gat als in- en uitgang. Als herder is hij ook de poortwachter. Hij brengt de schapen binnen,
en hij zet zich, wanneer de schapen voor de nacht naar binnen zijn gebracht, daar neer als een deur.
Een deur opent iets, een nieuwe werkelijkheid. En een deur sluit ook iets af, beschermt tegen datgene wat je liever niet binnen hebt.
Zo weert hij met zijn eigen lichaam de dreiging van buiten af.
Ik ben de deur.
En ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
Dat is hét kenmerk van een góede herder, dat hij of zij zich helemaal geeft voor wie aan hen zijn toevertrouwd.
Preek 15aug 4

 

 

 

 

 

 

 


Góede herder.
Vanuit de achtergrond van Ezechiël een politiek beeld.
Wanneer ben je een goede herder, en wanneer een slechte?
Het kenmerk van een goede herder is dat die z’n schapen kent. Het zijn geen nummers voor hem. Het is geen verdienmodel om zelf met je vriendjes beter van te worden.
Een goede herder. Dan gelden deze woorden.
Preek 15aug 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Dit is de titel van een boekje dat onlangs uitkwam.
Bij een goede herder ben je gezien, gekend, geliefd.
Ken je mij, wie ben ik dan?
Maar daarmee zijn we er niet. Dit zijn passieve woorden.
Door de goede herder weten we ons gezien, gekend, geliefd.
Maar onze bestemming ligt buiten de kooi.
Het is de bedoeling om dat wat we als een geschenk in de schoot geworpen krijgen verder te brengen, om zelf ook de ander te zien, te kennen, lief te hebben.
We worden zelf herders, goede herders, in zijn spoor.
Passieve woorden worden actieve woorden.
Hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buíten.
De herder gaat voorop.
Hij heeft de routekaart, naar het veelbelovende land.
Hij gaat voorop, als wegwijzer, en als baanbreker.
Nog één keer die vraag: door wie of wat willen wij ons laten leiden?
Zodat we ook anderen kunnen leiden.

Het teken aan de wand - 1 augustus 2021 - Ds. Carel van der Meij

Overdenking op zondag 1 augustus


Lezingen: Daniël 5: 1-2, 5-9, 13-17, 23-28 (hoofdlezing) en Lukas 14: 7-11


Thema: Het teken aan de wand.


Gemeente van Jezus Christus,
Een teken aan de wand. Die uitdrukking kon je een aantal keren tegenkomen, de afgelopen weken, in reacties op de natuurrampen die op verschillende plaatsen in de wereld gebeuren. Dat begon met de overstromingen in Limburg, en meer nog in België en Duitsland, maar sindsdien is er ook meer aandacht voor bosbranden in de Verenigde Staten en Canada, in Turkije en Siberië, en voor overstromingen in India en China. Al die rampen wijzen er op, lees je in een aantal commentaren, dat de natuur op hol is geslagen. Niet zomaar, maar als gevolg van de klimaatverandering. Die weer het gevolg is van de roofbouw die de mens op de aarde, op de schepping, pleegt. Wie dat niet begrijpt ziet het teken aan de wand niet, of wil het niet zien en begrijpen.
Hebben de schrijvers van die commentaren gelijk? Laten we, voor we over die vraag nadenken maar eens goed luisteren naar het Bijbelverhaal waar die uitdrukking vandaan komt: het teken aan de wand. We worden in het verhaal, dat vanmorgen klinkt, meegenomen naar het paleis van Belsassar, de zoon van koning Nebukadnessar. Het was Nebukadnessar die Jeruzalem heeft laten verwoesten, die de tempel met de grond gelijk heeft laten maken, die alle kostbaarheden uit de tempel heeft laten roven en een groot deel van de bewoners van Jeruzalem in ballingschap weg heeft laten voeren. Nu heeft zijn zoon Belsassar de troon overgenomen. En zo te horen is de troon voor hem vooral een plek om het er goed van te nemen. En de mensen die meedeinen in de polonaise van de macht pikken graag een glaasje mee. Of twee.
Wat niemand intussen ziet, of wat niemand wil zien is dat het fundament van de macht is verzakt: het leger van de Meden en de Perzen, onder koning Darius, ligt al om de muren van de stad Babel. Maar niemand die zich daar druk over maakt, zo te zien. Ze voelen zich veilig achter de muren van de grote stad Babel. Ze voelen zich onkwetsbaar. In Babel wordt het feest van de overdaad gevierd. Ze kennen daar alleen het gebod van het genot. Een festival zonder einde.
En dan verschijnen er vingers van een mensenhand die iets op de wand in de feestzaal schrijven. Er komt iets op de muur te staan tegenover de luchter met olielampen, zodat het licht er goed op valt en iedereen het ziet. Er komen woorden op de wand te staan, het teken aan de wand. In het verhaal wordt gewacht op Daniël, om te begrijpen wat er op de wand geschreven staat en wat die woorden betekenen. Het is veelzeggend dat al de adviseurs van de koning daar niets van begrijpen, want eigenlijk is het helemaal niet zo raadselachtig wat daar staat. Het zijn gewoon Aramese woorden, zoals het hele boek Daniël in het Aramees geschreven is. En de betekenis van die woorden is vrij duidelijk.
Het zijn woorden die gewichten aanduiden, en tegelijk verwijzen naar bepaalde werkwoorden. Het woord "mene" staat voor een zwaar gewicht, en het werd ook wel gebruikt om het totaal, de afrekening aan te duiden. Het werkwoord "tellen" zit er ook in. Het woord "tekel" staat voor het lichtste gewicht, en het werkwoord "wegen" zit er in. Het woord "ufarsin" staat voor een meervoud van gedeelde zwaargewichten, halve "mene's", zou je kunnen zeggen. En het werkwoord "verbreken" zit er in. En ook nog het woord: Perzen, als aanduiding van de macht die komt.
Het teken aan de wand moet voor iedereen duidelijk geweest zijn. Er staat zoiets als: totaal: kilo, gram, ponden. Daar en toen betekent dat: Nebukadnezar, de zwaargewicht, heeft een opvolger die duizend keer minder is. En de macht zal gedeeld gaan worden: door de Meden en de Perzen.
Het teken aan de wand is duidelijk, zoals ook het verhaal duidelijk schildert hoe lichtzinnig en cynisch het eraan toeging aan het hof in Babel. Het sterkste punt van de koning is het organiseren van drinkgelagen. En dat is nog niet alles. Het drinkt nog het lekkerst uit heilig vaatwerk. Laten we de bekers en de schalen gebruiken die die oude Nebukadnezar uit Jeruzalem meegenomen heeft. Nu had Nebukadnezar dat gouden en zilveren vaatwerk in een schatkamer geborgen. Want ik wil hier geen pleidooi voeren voor de afgodendienst in het Babylonische rijk, maar de juiste vormen werden plechtig in acht genomen. Het vaatwerk werd bewaard als trofee, maar niet gebruikt, zeker niet in de eredienst voor een andere god - ze zouden er eens boos over kunnen worden!
En hier wordt het vaatwerk zelfs gebruikt voor een orgie - er is geen respect meer. Ook niet voor de goden van de Babyloniërs zelf, want die wordt tijdens het drinkfestijn eer en lof toegezongen, lallend en wel. Erg verheffend zal het wel niet geweest zijn. Het is leeg en cynisch. Het sluit aan bij het bericht van de Griekse geschiedschrijver Xenophon. Die vertelt dat de Perzische koning, toen hij Babel veroverde en binnenging, daar een stad aantrof vol drinkgelagen en dansen, een frivole en zorgeloze stad, waar niemand zich meer vragen stelde naar enig regime, naar wie verantwoordelijk was.
Een stad waar geen mens nog iets deed dat gewicht in de schaal legde, waar geen vorm van samenleving meer was. Het cynisme was van het hof overgeslagen tot in de brede lagen van de bevolking. Alles moet kunnen en niets doet er meer toe. Zo'n land, zo'n cultuur, zo'n manier van leven is uitgeteld en daarvan verschijnt het teken aan de wand. Maar wie meedoet aan de house-party in het paleis heeft er geen idee van wat het betekent. Er is alleen een vage angst. De koning verschiet van kleur, het schiet in z'n rug en z'n knieën knikken tegen elkaar.
Maar je kunt altijd nog hard schreeuwen om je angst te verdringen. Dat doet Belsassar dan ook. Hij schreeuwt om een oplossing. Maar hij werd omringd door mensen die het niet zagen, of door mensen die het niet hardop durfden zeggen. Want het teken aan de wand is duidelijk! Maar wie durft de betekenis hardop te zeggen?
Daniël durft dat. Hij wordt door de koning laatdunkend benaderd: ben jij een van die ballingen? Ik heb gehoord dat er een geest der goden in je woont. Nou, laat je kunstjes maar eens zien. De beloning is groot. Daniël laat zich niet intimideren. En die beloning interesseert hem niet. Hij durft te zeggen wat het teken aan de wand betekent. Hij durft te zeggen waar het op staat.
Hij durft te zeggen waar God voor staat, en hoe mensen voor God staan. Hij heeft niets te maken met wat Belsassar noemt: "een geest der goden". Hij spreekt in dienst van God, de Allerhoogste. Hij durft hardop te zeggen dat er een wereld is waar mensen niets meer voor elkaar doen, een wereld waar niemand nog iets doet dat gewicht in de schaal legt. Hij durft hardop te zeggen dat die wereld geen toekomst heeft. Daarom zegt hij ook: hou je geschenken maar. Ik doe niet mee in die mallemolen. Ik verlang niet naar macht. Ik verlang niet naar genot. Dat is mijn wereld niet. Want het is een wereld zonder toekomst. Koning Belsassar blijft doof voor wat Daniël zegt. Hij laat Daniël met purper bekleden en met goud omhangen, horen we in vers 29. Hij doet alsof er nog altijd niets aan de hand is. En in het volgende vers horen we: Diezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Chaldeeën, gedood.
Er is leven dat de belofte van toekomst in zich draagt. En er is leven dat op een doodlopende weg is. Mensen kunnen kiezen voor een leven van delen en samenleven of ze kunnen kiezen voor een leven van overdaad, waarbij ze elkaar en de aarde overvragen. Veel is goed, meer is beter, is dan het motto. Maar die manier van leven heeft een prijs. Delen van de wereld dreigen onbewoonbaar te worden. Als je dat wilt zien, tenminste. Als je de betekenis van wat we om ons heen zien tot je door wilt laten dringen. Als we elkaar de waarheid durven zeggen en er na de zomer politici blijken te zijn die de moed hebben om te zeggen: genoeg is genoeg. Ik hoop dat we de moed zullen vinden van Daniël, die het teken aan de wand begreep en niet bang was om de betekenis daarvan rond te bazuinen. Het is het geluid dat we nodig hebben om de weg naar de toekomst te vinden. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.